Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘De kwaliteit van het veevoer’

De waarheid is even simpel als onthutsend. Waarom worden de grondstoffen voor veevoer nauwelijks gecontroleerd op dioxine? Omdat de importeurs het analyseren te duur vinden. Waarom wordt sporadisch getest op lood? Omdat als een fabrikant meent dat geen zware metalen in het voer zitten, het ook niet naar die stoffen gezocht wordt. Terwijl de Nederlandse landbouw graag coquetteert het modernst ter wereld te zijn, heersen aan het begin van de keten achterlijke toestanden. Wetgeving is er niet. Controle faalt. Het wachten is nu ‘op koeien die omvallen door fouten met het mengen van medicijnen door het voer. ‘

Een aantal jaren geleden was er een boer in Engeland met twee stallen. De ene stal had leidingen en drinkbakken van koper, de ander van ijzer. De boer ontdekte dat in zijn oude stal, waar alles van koper was, de beesten veel sneller groeiden. Opgetogen lichtte hij de landbouwvoorlichter in, die onmiddellijk rapport maakte. De conclusie voor de veevoederindustrie lag voor de hand.
Er werd – ook in Nederland – méér koper in het voer gestopt en zie, het vee groeide als kool. Maar toen gingen – door het dumpen van mest met hoge concentraties koper – de regenwormen dood. Het wortelstelsel van de mais en het gras, waar gegierd was, raakte aangetast. Het gewas ging trager groeien. Daarop werden de schapen, die in de wei graasden, ziek. Door al het koper dat ze binnenkregen werd de lever aangetast. Ze kregen geelzucht en bloedziekte. Bij schapenhouder J. Coppelmans in het Brabantse Bergeyk, lagen van de een op de andere dag tien ooien dood in het weiland. De Gezondheidsdienst van Dieren onderzocht de kadavers en vond hoge gehalten aan koper in lever en nieren.
Plotseling werd de veevoederindustrie geconfronteerd met ernstige gevolgen van een lichtzinnig genomen beslissing – gericht op meer winst en het verslaan van de concurrentie. Intussen is de toegestane hoeveelheid koper per kg (varkens)voer acht keer verlaagd.
Die geschiedenis is symptomatisch voor de manier waarop de veevoederindustrie opereert. Kortzichtig, alleen het onmiddellijke resultaat telt. Ongecontroleerd, het Produktschap voor Veevoeder komt pas in actie als melk besmet is of dode dieren op het veld liggen. Vooral onverantwoordelijk en amateuristisch. Elk nieuw mengsel betekent eigenlijk steeds weer een nieuwe sprong in het duister.

Ik bezoek de kleinste veevoederhandelaar van Nederland, A. H. M. Kuiper in Rietmolen, dat is bij Haarsbergen links af. Een dorp met twee supermarkets en een roomse kerk. Kuiper heeft alle boeren in een straal van tien kilometer tot klant. Hij doseert, maalt en mengt zelf. Alleen het persen tot brokken en korrels besteedt hij uit. Hij is nog een beetje de geruste landman. Bij hem is de klant koning: ‘Ik heb één boer die wil alleen maar de kale grondstof, zonder al die troep van additieven zoals groeibevorderaars, medicamenten en conserveringsmiddelen. Die man doet dat trouwens niet om het dier of de volksgezondheid. Hij wil alleen maar een zo’n laag mogelijk gehalte fosfaat in z’n mest waardoor hij in plaats van 65 varkens, er nu tachtig kan houden.
Ik meng dat voer speciaal voor hem. Dat kan omdat ik een klein eenmansbedrijf heb. Concerns als de coá”áperatie en Hendrix uit Boxmeer kunnen zoiets niet, daar zijn ze veel te groot voor. Ik heb ook klanten die om stimulerende middelen vragen. Die hormonen in het voer willen om de groei van de beesten te bevorderen. Ik doe daar niet aan mee. Ik vind dat ze het vee, op die boerderijen waar het hormonen gevoerd worden, onmiddellijk verbeurd moeten verklaren. Het is een misdaad. Ze laten gewoon de mazen vrij om te zondigen. Als ze elk geval – ook de veevoederfabrikanten die eraan meedoen – zouden afstraffen dan laten ze het wel. Waarom pakken ze het bij de één wel aan en bij de ander niet? ‘
Ik kan me voorstellen dat u ook wel eens onder druk staat, een goedkope partij grondstoffen kan toch financieel aantrekkelijk zijn?
Kuiper: ‘Natuurlijk komen ze regelmatig langs met restant partijen tegen een lage prijs. Ik zeg altijd, zoiets kan niet. Daar zit een luchtje aan. Restanten bestaan niet. Als je zoiets koopt, loop je een boel risico. Je kan dan met een leuke prijs met je produkt bij de boer komen, totdat de bom barst. ‘
In de grote, holle keuken van het voorhuis hangt die typische duffe, stoffige geur van voer en meel uit de elevator achter op de werf. Kuiper zegt: ‘Je moet er vanuit gaan dat je goede grondstoffen koopt. Verhaal is nooit mogelijk. Het is niet interessant of het rijstschroot is uit India of spul uit Indonesië. Als de analyses maar goed zijn. Zelf heb ik niet de apparatuur om te onderzoeken, ik besteed het uit aan een labaratorium. Die analyseren gericht, als ik zeg zink dan onderzoeken ze op zink. Als ik zeg cadmium dan testen ze op cadmium. Maar dat onderzoek is kostbaar. Hoe vaak moet je laten analyseren? En hoe lang wegen de kosten van het onderzoeken van monsters op tegen de opbrengsten? Labaratoria zijn duur. Op een bepaald moment houdt het op. Voor een deel begeef je je natuurlijk in het ongewisse. Je moet als mulder accepteren wat er van komt. ‘
En dan zijn er nog de verleiders. Kuiper wordt ook bezocht door vertegenwoordigers van bedrijven die bijvoorbeeld clenbuterol aanbieden – een middel oorspronkelijk bedoeld tegen hoestende beesten dat ineens wonderbaarlijke krachten in zich bleek te hebben: de dieren gaan er ook van groeien. Dat komt door een hormoon met de werking van adrenaline waardoor de verhouding vlees-vet beïnvloed wordt. Een deel van de veevoederhandelaren propagandeerden daarop het middel omdat het leidde tot efficiënter voerverbruik.
Kuiper: ‘Ik weiger zoiets te kopen. Voor zulke spullen bestaat de veearts. Als een varken diarrhee heeft stop ik er niets in zonder eerst de veearts te raadplegen. Er zijn natuurlijk allerlei bedrijven die goedkope additieven in de vorm van geneesmiddelen aanbieden maar ik begin daar niet aan. Ik volg alleen de veearts. ‘

De koeien in Friesland, die voer van A. H. Slump uit Stroobos kregen, krepeerden. Ze stierven langzaam een ellendige dood door vergiftiging met lood. Lood tast het zenuwstelsel aan. Koeien zijn er erg gevoelig voor. Ze tonen eerst verschijnselen van verlamming en maken stuipachtige bewegingen met de kop. Vervolgens zijgen ze ter aarde, uitgeput en machteloos.
Als koeien plotseling doodblijven heet dat ‘omvallen’. Ik hoor die omfloerste omschrijving voor het eerst van Willem de Bruin, directeur van Gebroeders Van Es graanfactory in Rotterdam. De Bruin controleert al meer dan veertig jaar de grondstoffen voor de veevoerindustrie die de Rotterdamse haven binnenkomen. Hij zegt: ‘Je weet nog niet half wat ons te wachten staat. Dat mengen van allerlei onbekende grondstoffen is gevaarlijk. Maar nog veel gevaarlijker is het mengen van veevoer met medicijnen wat de industrie doet. De fabrikanten beweren dat ze voorzichtig zijn maar ik geef er geen cent voor. Als het mis gaat met de dosering vallen er koeien om. ‘
Een dag later krijgen zijn woorden een haast profetische klank. Het veevoederbedrijf Schouten (Shell/Rabo) in het ingetogen dorp Giessen heeft zijn afnemers uitgenodigd om hen voor te lichten over de laatste ontwikkelingen. Er is al enige tijd sprake van dat de veevoederindustrie onder regiem wordt gebracht van een nieuwe Europese richtlijn. Die beangstigt de heren fabrikanten want ze kunnen nu straks wel eens aansprakelijk worden gesteld voor dood vee. Bovendien – dat is een haast nog groter schrikbeeld – zal het voer wellicht duurder worden en de concurrentie nog dodelijker. Net is bekend geworden dat Wessanen zich geheel heeft teruggetrokken uit de veevoederindustrie door de nog resterende bedrijven van Jan van Heeswijk in Veghel en ‘De Ster’ uit Wormerveer van de hand te doen. Er valt geen droog brood meer in te verdienen. De stemming is gedrukt. De verslaggever van de ‘Boerderij krant’ die op de bijeenkomst aanwezig is meldt hoe een vertegenwoordiger van Orffa International (een divisie van Schouten) de aanwezigen maant toch vooral voorzichtig te zijn met het mengen van geneesmiddelen door het voer: ‘Daar gaat nog wel eens iets mee mis. Eén monster per dag nemen is niet voldoende. ‘ Een niet bij naam genoemde mengvoederfabrikant onthult dan: ‘Bij ons is het een keer bijna mis gegaan. Je moet het vergelijken met twee vliegtuigen die in de lucht net niet tegen elkaar knallen. ‘
Hoe vrijmoedig mogen fabrikanten wel niet experimenteren met diergeneesmiddelen in het voer? Ik raadpleeg het laatst beschikbare jaarverslag van het Produktschap voor Veevoeder:
– Er is zojuist een simpele wijziging aangebracht in de gebruiksbepaling van ‘avoparcine en nicarbazine’;
– de kleurstof ‘briljant blauw FCF’ is toegelaten;
– er is een nieuwe categorie ‘zuurtegraadregelaars met een groot aantal toevoegingsmiddelen’ opgenomen;
– een wijziging is van kracht geworden in de toelating van de ‘groeibevorderende stoffen carbadox en olaquindox met daarbij de verplichting om op het etiket richtlijnen inzake veilig gebruik te geven’. Een geruststellend gevoel.
– daarnaast is het vanaf nu mogelijk om ‘maximaal 200. 000 IE vitamine D in aanvullende diervoeders voor runderen, varkens en pluimvee te verwerken’.
Een kleine verduidelijking: nicarbazine is een medicijn tegen hersenziekte en ingewandstoornissen bij kippen; avoparcine is een antibioticum en groeibevorderaar; carbadox is een giftig conserveringsmiddel; olaquindox is een groeibevorderaar en briljant blauw tenslotte wordt ook gebruikt in de cosmetica-industrie.
Het jaarverslag meldt voorts ‘dat de lijst van diergeneesmiddelen voor verwerking in gemedicineerd standaardvoer slechts licht gewijzigd is. Lincomex R-110 is gewijzigd in Lincomex R-44. Voor P2 furazolidon zijn voorwaarden van kracht geworden.
Toevoegingsmiddelen als monensin en lasalocide mogen onbeperkt verwerkt worden. Maar goddank kent de veevoederindustrie tegenwoordig ‘nutritionisten’ – voedingsdeskundigen die orde scheppen in de warboel van mogelijkheen. Helaas zijn ze partijdig en nadrukkelijk in dienst van het bedrijf waar ze werken. Docent A. F. B. van der Poel van de vakgroep veevoeding van de Landbouwuniversiteit in Wageningen wijst me op de enige echte onpartijdige check die bestaat. Hij zegt: ‘ In het algemeen geeft het dier zelf direct antwoord op de voedende- en niet voedende additieven. ‘ Dat is gebeurd in Friesland en dat gebeurt via melk die achteraf besmet blijkt met dioxine of vlees waarin het barst van de hormonen. Hoe inventief wordt soms de cyclus in stand gehouden? Een klein handelskantoor in Drachten, Handelsland Import-Export bv, koopt met penicilline besmette afgekeurde melk op. Die wordt vervolgens verwerkt tot met penicilline verontreinigde melkpoeder die wederom bestemd is voor veevoer.
Het gaat – alweer – net als met de tomaat. Die wordt alleen doorgedraaid als er een overschot aan is. Nooit omdat er te veel pesticiden in zitten.

Nog even terug naar de bijeenkomst in Giessen. Hoe grimmig en hard de sfeer is tussen fabrikanten onderling beschrijft P. van Aldewegen van verzekeraar Mees & Zoonen. Hij begint over het fenomeen ‘afpersing’ dat nu ook in de veevoederindustrie heeft toegeslagen: onbekenden die dreigen het produkt van een bepaalde fabrikant te vergiftigen. ‘Ik ben bang dat dit verschijnsel een grotere vorm gaat aannemen, ‘ zegt hij. Ineens krijgt de beschuldiging van de Britse minister van landbouw, John Cummer, dat met de vergiftiging van honderden koeien in Engeland door uit Nederland geïmporteerd voer sprake was van een ‘grote criminele samenzwering’ (zie VN van 2 februari) meer grond.
Maar ik bevind me in het kantoor van Willem de Bruin, directeur van factor Van Es. Een grote, robuuste man die dit jaar met pensioen gaat en daarom openhartigheid niet hoeft te schuwen.
Achtereenvolgens passeren expediteurs, controleurs, ‘factors’ en analysten de directeurskamer, want De Bruin vindt dat de bezoeker alles hoort te weten.
De directeur stamt nog uit de tijd van de ‘zakkendragerij’, toen de grondstof voor het veevoer uit de ruimen van de schepen op de wal gedragen werd en verder. Nu zijn er al weer jaren elevators, moderne trechters waarin de schilvers en het schroot gestort wordt. Niets wordt in de Rotterdamse haven bespaard op techniek en technologie. Intussen werd de contróle op de grondstoffen tot voor kort nog uitgevoerd op een middeleeuwse manier: met behulp van de zintuigen, kijken, voelen en vooral ruiken. En nog steeds geschiedt alles op basis van eigen verantwoordelijkheid en vrijwilligheid. Er is eigenlijk maar één gebod en dan nog met mate. Dat is gemaakt tegen het kankerverwekkende schimmelgif aflatoxine – dat ontstaat bij grondstoffen die slecht gedroogd zijn. Maar de plicht om op aflatoxine te controleeren is er alleen als de douane vindt dat gecontroleerd moet worden.
De Bruin zegt: ‘Er is geen enkele regelgeving voor het importeren van grondstoffen. Tot dusver vonden wij, als controleurs voor de veevoerindustrie, het voldoende om aan de grondstoffen te ruiken. Pas sinds vorig jaar is daar wat verandering in gekomen. Omdat alles nu gericht is op het milieu, vonden wij fysieke controle niet meer genoeg. Wij hebben nu een labaratorium en sinds de affaire-Slump is daar ineens enorm veel werk voor. Iedereen is bang geworden. ‘
Een bedrijf als Van Es hoort te controleren op de ‘gezondheid’ van de grondstoffen die binnenkomen, de ‘kwaliteit’ en de ‘conditie’. De Bruin: ‘Soms komt er een lading binnen die een beetje muf ruikt. Dan roepen we de verzekering erbij en zeggen, dit is een beschadigde partij. We noemen de prijs die de grondstoffen in normale conditie zouden moeten opbrengen en vragen de verzekering de verminderde waarde vast te stellen door middel van verkoop. De verzekering gaat vervolgens op zoek naar een koper die er nog iets van kan maken. Nou die koper gaat de muffe, door ons afgekeurde grondstof mengen met andere spullen. Net zo lang tot er veevoer ontstaat dat geen directe schadelijke gevolgen meer kan hebben. Met een moeilijk woord heet het reconditioneren, zeg maar opkalafateren. Ja, eigenlijk net zoals gebeurt met giftige stoffen uit fabrieken. Door ze via hoge schoorstenen de lucht in te blazen, slaan de dampen verder weg neer en verliezen zo hun dichte concentratie. De schade wordt over grotere afstanden gespreid. Op die manier vindt de afval z’n weg. Iedereen is daar mee gebaat, de verzekering en de veevoerbedrijfen die zo aan goedkope partijen komen. ‘
De Bruin zegt dat nergens in de wet staat wat niét in veevoer mag zitten. Er wordt daarom ook nooit gericht gezocht naar lood of pesticiden of de salmonella-bacterie. Dat gebeurt alleen als de klant het wil. De enige uitzondering geldt voor West-Duitsland. Sinds daar twee jaar geleden zware metalen in melk gevonden werden moeten alle partijen veevoer, die de Rotterdamse haven met bestemming de Bondsrepubliek verlaten, een certificaat van het labaratorium hebben. De Nederlandse overheid vindt dat maar niets. Het ministerie van landbouw heeft zich over die zorg om de volksgezondheid beklaagd in Brussel. Op die manier wordt immers het grensvervoer gehinderd en de concurrentie vervalst. ‘Ach, ‘ vervolgt De Bruin, ‘een beetje schimmel, een beetje broei en een beetje cadmium hoeft niet perse schadelijk te zijn. Maar we hebben nooit gezocht naar lood en zink. Dat gebeurt nu brood en vlees zo in de aandacht staan en de politiek er zich mee bemoeit.
Toen zijn wij een labaratorium in gaan richten en na Slump is alles versneld. ‘ Vertrouwelijk informeert De Bruin me dat eigenlijk alle commotie over de Friese affaire voorkomen had kunnen worden als minder onhandig was geopereerd: ‘Als dat rijstmeel uit Birma, dat tenslotte bij Slump kwam, beter gemengd was met andere grondstoffen had niemand ooit van dat lood hoeven te weten. Dan waren de concentraties gewoon veel kleiner geweest. ‘

Twee employees van het labaratorium Daniel C. Griffith nemen plaats in de directeurskamer van Van Es. Ze zijn, zoals analisten betaamt, exact in hun commentaar. John Gordijn, hoofd van het labaratorium zegt: ‘Er zitten duizenden giftige stoffen in de aangevoerde grondstoffen, maar wij onderzoeken alleen wat de klant vraagt. En de klant laat alleen analyseren als hij denkt dat een verontreinigende stof kritisch is. ‘
Wordt er wel eens gevraagd om een analyse op dioxine? Gordijn: ‘ Dat kan maar op twee plaatsen in Nederland, bij ons niet. Het verzoek komt zelden, een onderzoek naar dioxine is uiterst kostbaar. Ik denk dat het al snel vijfhonderd gulden kost. ‘
Wordt er wel eens gevraagd tapioca uit Thailand of cocos uit de Pbilippijnen te onderzoeken op DDT of andere pesticiden – die ginds immers nog kwistig gebruikt worden? Gordijn: ‘Het komt voor maar uiterst zelden. ‘ Is dat een kwestie van geld? Gordijn: ‘Ja, er bestaat tussen veevoederhandelaren een scherpe concurrentie. Het onderzoeken van een monster aflatoxine kost al gauw tachtig gulden, een analyse naar lood is honderd gulden, zink kost ook zoveel. Nu na Slump is er plotseling een hausse ontstaan, iedereen is hevig geschrokken. Ik weet niet hoe lang dat zal duren. ‘
Eigenlijk hangt dus alles af van toevalligheden? Het vee vreet wat de boer niet kent? Iedereen is onwetend?
Het is even stil. Supervisor H. Blazer, collega van Gordijn, zegt: ‘Het Produktschap van Veevoer heeft de idee alles in de hand te hebben. Die dienst houdt statistieken bij van vrijwillig uitgevoerde tests naar aflatoxine, cadmium en pesticiden. Die zullen wel kloppen. Maar er zijn nog 999 andere stoffen waar niets over bekend is. ‘
De anarchie lijkt totaal. Is er dan niemand die zich echt onafhankelijk te weer kan stellen tegen obscure transporten van goedkope grondstoffen? De douane misschien?
Weer wandelt een andere expert van Van Es de directiekamer binnen. Een jonge expediteur, die zo enthousiast is dat hij soms door directeur De Bruin getemperd moet worden. Hij zegt: ‘De douane werkt met een computer. Twintig procent van alle schepen wordt door de computer aangewezen om bemonsterd te worden. Als er eens een partij besmet wordt verklaard kan die altijd weer worden uitverkocht naar het buitenland, zoals Frankrijk. De partij kan ook 26 keer worden doorverkocht en tenslotte in bijvoorbeeld Woerden belanden. Zo’n partij hoeft niet vernietigd te worden als die maar goed versneden wordt en opgemengd met andere grondstoffen. ‘
‘Zou je dit nu wel zo zeggen’, komt De Bruin voorichtig tussenbeide. ‘Nou ja’, redeneert vervolgens het gezelschap in de kamer: ‘Monsters zijn ook maar momentopnames en nooit representatief voor de hele partij. Als je een steekproef neemt kan een halve meter verder in de partij een heel andere concentratie gevaarlijke stof zitten. ‘

Aan het eind gekomen begrijp ik dat de dode koeien in Friesland eigenlijk vooral te wijten zijn aan onhandigheid. Het dodelijk rijstemeel had perfect en geruisloos verwerkt kunnen worden met andere grondstoffen tot veevoer waarvan niemand ooit de desastreuze lading had hoeven te weten. Want zo is het tot dusver steeds gegaan. Zolang er geen slachtoffers vallen is er niets aan de hand. Als iemand willens en wetens blind is voor de gevaren van de toekomst heeft dat struisvogelpolitiek.
De Bruin heeft nog een laatste troef: ‘Weet wel dat ze in Brussel bij de EEG prachtig vinden als er ongelukken gebeuren met veevoer dat gemaakt is uit maniok en cocosschroot afkomstig uit de ontwikkelingslanden? Daar wordt gezegd: zie je wel, dan moet de veevoerindustrie maar Europees graan gebruiken. Daar is immers een groot overschot aan. ‘

Maar voordat de verslaggever vertwijfeld de directeurskamer kan verlaten, over zoveel publicity voor de zelfgenoegzame politiek van de Europese commissie, voegt De Bruin eraan toe: Maar dat Europese graan is niet alleen vel duurder. Het zit ook barstens vol pesticiden waarmee het bespoten is. Het is net zo slecht. ‘

Vrij Nederland, 10 februari 1990

Polderpers