De dood van de timmerman
Het kwam in die jaren regelmatig voor dat mensen de hand aan zichzelf sloegen. Soms werden boeren gevonden, bungelend aan een touw in de hanebalken van hun schuur. Anderen liepen het water in. Na een paar dagen werd hun lijk opgevist bij de tweede bol, waar een draaikolk zat en de rivier veertig meter diep was. De mensen waren zwaarmoedig. Er werd gesproken over oorlogen, kernexplosies en de komst van de Chemie die boerenknechts veranderde in fabrieksarbeiders. Ver weg aan de horizont ging een fakkel branden die de eeuwige vlam werd genoemd. Met westelijke wind woeien stinkende dampen over het dorp die mensen ziek maakten en bomen deden verdorren.
Maar nooit was de ontsteltenis op het dorp zo groot als die ochtend toen de timmerman werd gevonden. Als het ongeluk – want zo werd het genoemd, een ongeluk – iemand overkomen was die altijd los van god en gebod had geleefd, dan had het tenminste verklaard kunnen worden. Maar de timmerman bezocht elke zondag beide kerkdiensten, hij was ernstig en overtuigd van de onvolmaaktheid der dingen. Nu viel niets te verklaren. Nog altijd, als ik een timmermanswinkel binnenga, krimp ik ineen bij het horen van het snerpende geluid van de cirkelzaag.
Hij was een magere man van achter in de dertig, met een bleek, ingevallen gezicht dat een gepijnigde uitdrukking had. Hij heette Wim en omdat hij zo zwijgzaam was werd hij Stille Wim genoemd. Als je spijkers of planken bij hem kocht sprak hij alleen de noodzakelijke woorden. Oudere mensen zeiden dat hij heel geschikt was als je maar een straatje wist te leggen. Een keer begon ik over zijn bromfiets. Hij had een Victoria met een motor aan de zijkant van het achterwiel die hevig knetterde en een blauwe walm naliet. Ineens lichtte zijn gezicht op en praatte hij als een jongen die voor de eerste keer de rivier was overgezwommen.
Zijn werkplaats lag in een somber slop dat met een rechte hoek het Hoofd met de Tramdijk verbond. Omdat geen auto of wagen de scherpe draai kon nemen werd het slop nooit gebruikt. Aan de ene kant stond een hoge lange muur die overwoekerd was door bramenstruiken, wilde rozen en haagwinde. De muur was ooit gebouwd door de rijkste boer van het dorp die zo achterdochtig was dat hij geen bank vertrouwde. Op een geheime plaats had hij in de muur, die zijn erf en boerderij begrensde, een eigen kluis laten metselen. Toen hij plotseling dood bleef was alleen de eerste knecht van het bestaan van de kluis op de hoogte. Een paar jaar later zou zijn zoon de grootste vlasboer van de omtrek worden.
De vader van de timmerman werd Jaap Siep genoemd. Die bijnaam was een verbastering van super omdat hij ook in kunstmest deed. Je had toen nog niet zo’n grote verscheidenheid in voornamen en maar enkele familienamen. Zo waren er op het dorp Jaap Zak, Jaap Klus, Jaap Schreeuw, Jaap Lach en Jaap Siep. Hij was een klein, groezelig mannetje in een lange zwarte jas die met een touw bij elkaar werd gehouden. Hij had altijd een bruine peuk in de mond. Als gevolg van een dubbele liesbreuk waaraan hij zich uit angst voor het ziekenhuis niet durfde te laten opereren, liep hij gebrekkig. Hij droeg een breukband. Als die door een onverwachte beweging verschoof kon hij niet meer voor- of achteruit en moesten ze hem thuisbrengen. Hij was ooit begonnen als mandenmaker en opgeklommen tot de beste timmerman van het dorp met zeven arbeiders. Hij bouwde prachtige boerenschuren met dakversieringen en levensbomen. Hij maakte de mooiste hooibergen. Een keer timmerde hij in het slop een varkenshok op drie meter hoge palen met genoeg ruimte voor tien zeugen. Een fantastische uitvinding, met luiken aan de onderkant waardoor de mest automatisch naar beneden viel zodat hij het hok nooit schoon hoefde te maken. Hij had speciale goten gemaakt om de dieren, als ze slachtrijp waren en gebrand konden worden, naar beneden te laten glijden. Maar hij was vergeten dat hij elke dag naar boven moest klimmen om de beesten te voeren. Na een jaar hield hij de mesterij voor gezien.
Z’n bedrijf verliep door z’n alsmaar gulziger wordende passie boerendochters en jonge meiden in hooibergen te lokken en te verleiden. Met het ouder worden, moest hij een steeds heftiger strijd leveren tegen de demonen van wellust en verlangen die hem omringden. Om ze te verjagen prevelde hij onophoudelijk bijbelteksten. Soms besmeurde hij zich met as zoals Job deed. Z’n periodes van inkeer beheersten het gezin, dat voortdurend wankelde op de grens van gekte en godsdienstigheid. Na de dood van z’n vader nam Stille Wim een bijna failliet bedrijf over. Maar omdat hij de vakmanschap van z’n vader had geërfd, de ingetogenheid van z’n moeder en godsvruchtig van nature was, won hij snel het vertrouwen van de klanten terug.
In de dagen na het ongeluk werd wanhopig gezocht naar antwoord op vragen. Misschien, zo opperden ouderlingen tegenover verslagen gemeenteleden, had hij op het laatst toen hij alleen en bloedend in de werkplaats lag, spijt gekregen. Dat ene moment van inkeer zou kunnen betekenen dat hij niet verloren was voor het Eeuwige Leven. Anderen veronderstelden dat hij misschien uitgegleden was over de houtkrullen naast en onder de machine, zodat hij niet gewild had wat hem overkwam. Weer anderen gaven de vrouw de schuld. Zij had hem wanhopig en willoos gemaakt. Niet hij maar zij was verantwoordelijk. Zij heette Maartje. Een kleine vrouw van begin dertig, met hoog opgetrokken schouders waardoor het leek alsof ze geen nek had. Ze was mager, liep gebogen en praatte lijzig. Doordeweeks droeg ze witte sokken in ongeverfde klompen. Ze was een geadopteerd kind, grootgebracht door pleegouders die inmiddels bejaard waren. Ik herinner me niet dat ze door iemand anders op het dorp begeerd werd maar Stille Wim was bezeten van haar. Omdat ze ontevreden, grillig en veeleisend was werd ze vrouwtje Piggelmee genoemd. Hij kwam geduldig aan al haar eisen tegemoet.
Ze waren verloofd en liepen innig gearmd over straat. Volgens de gewoonte van het dorp brachten ze de zaterdagavond, zondag en woensdagavond met elkaar door. Altijd in gezelschap van familie en nooit later dan tot tien uur waarna ze afscheid namen op het bruggetje. Misschien wilden ze niet meer. Misschien durfden ze niet meer. De dominee preekte dat het lichaam een tempel van de Heilige Geest was en hij richtte zich daarbij dreigend tot de galerij met ongetrouwde verliefden. Als je je daar niet aan hield en zwangerschap volgde, moest in de bank voor de preekstoel schuldbekentenis worden afgelegd tegen het zevende gebod. Dat was het ergste wat je kon overkomen.
In de lente toen het ongeluk gebeurde hadden ze veertien jaar verkering gehad. Een lange voorbereiding op het huwelijk was in die tijd niet ongewoon. Er was een groot tekort aan huizen. Pas getrouwde mensen woonden op verbouwde zolders, in schuren en tramwagons. Maar de eeuwige verkering van Maartje en Stille Wim was bijzonder. Want het huis naast de timmermanswinkel stond sinds de dood van Jaap Siep al vier jaar leeg. De moeder was naar een kleine woning aan de dijk verhuisd en Wim woonde beurtelings alleen en bij zijn moeder. In de avond was hij bezig zijn huis te verbouwen. Eén keer per week kwam Maartje langs om het resultaat te zien. Ze was nooit tevreden. Hij metselde een douchecel maar moest die afbreken omdat zijn verloofde een bad wilde. Hij maakte een prachtige kamer met schuifdeuren van glas in lood. Maar net op dat moment raakte één grote doorzonkamer in de mode en Maartje maakte duidelijk dat haar voorkeur daar naar uitging. Hij maakte nieuwe kozijnen in de voorgevel maar zij wilde liever één groot raam. Vier keer veranderde hij op haar verzoek de keuken. De zelf gestorte granieten aanrecht verving hij door edelstaal en de kastjes werden vervangen door iets met geperste scheven van Bruynzeel dat toen heel populair was. De tegels kregen twee keer een andere kleur. De vrouw met wie hij hoopte te trouwen bleef ontevreden. Steeds weer kreeg haar gezicht de humeurige blik van een verwend kind. En elke keer haaste Wim te voldoen aan haar nieuwe wensen. Intussen werd hij somberder en nóg zwijgzamer. De laatste dagen voor het ongeluk had hij de vaste trap vervangen door een spiltrap omdat de kamer zo veel groter werd, vond Maartje.
Op een woensdagavond in de lente nam Wim z’n verloofde mee om haar het resultaat te laten zien. Het is nooit, ook al door de overhaaste vlucht van Maartje uit het dorp, duidelijk geworden wat toen gebeurd is. Misschien had ze Arie altijd alleen als goede vriend gezien en heeft ze hem dat die avond vertelt. Misschien dat er dingen uitgesproken zijn die zij al veel eerder wilde zeggen. Het is mogelijk dat onomstotelijk vast is komen te staan dat er nooit getrouwd zou worden. Het is ook niet onmogelijk dat er toen al die ander was. Een man van de overkant van wie ze een jaar later een kind zou krijgen. Maar het is ook niet ondenkbaar dat door alle emoties zij ten onrechte zo harteloos bejegend werd en verstoten. Om zes uur in de ochtend van de andere dag klopte Ad, de aannemer, op de deur van het huis naast de timmermanswinkel. Wim was daar, had de moeder aan de dijk gezegd, blijven slapen. Ad schrok toen hij Stille Wim zag. Hij had rooddoorlopen ogen die huilden. Hij keek in de verte zonder Ad te zien. Volgens de aannemer gedroeg hij zich heftig en opgewonden. Hij sloeg op de bijbel die hij in z’h hand had en sprak in vreemde tongen. Hij zei wonderlijke dingen, dat hij nog niet bereid was te gaan en dat hij straks misschien door iemand gehaald zou worden.
De aannemer begreep er niets van en liep schouderophalend weg. Twee uur later besloot hij opnieuw bij Wim aan te kloppen, omdat ze immers hadden afgesproken samen naar het werk te gaan. De deur was op slot en er werd niet open gedaan. In de winkel hoorde Ad het snerpende geluid van de zaagmachine. Hij keerde zich om en wilde de winkel binnengaan. Ook hier was de deur gesloten . Hij bonsde op de ruiten maar er kwam geen reactie. Plotseling kreeg de aannemer een vreemd gejaagd voorgevoel. Hij riep luid Wim’s naam. Hij keek door de bestofte ramen in de donkere werkplaats en onderscheidde een paar schoenen, half boven de zaagmachine. De aannemer die nu alles begreep rende naar de pastorie om de dominee te halen. Tien minuten later forceerde de politie de deur naar de werkplaats. Stille Wim lag languit op de ijzeren plaat voor de draaiende cirkelzaag. Met zijn handen tot vuisten gebald en zijn hoofd gescheiden van de romp.