Das en kamsalamander komen op stapstenen paradijs binnen
| De boer
‘Het ergste is dat alles blijft zoals het is (Judith Herzberg uit Botshol) Das en kamsalamander komen op stapstenen paradijs binnen De komst van nieuwe natuur, verbindingszones en struinpaden, een gevecht op de vierkante centimeter. En vijvers krijgen anti-verdrinkingsbermen. Hoofdstuk 8 Het is begin december en het essenbosje dichtbij Fikkersdries staat nog vol in blad. Er groeien zelfs nog zwanebloemen. Brutale nijlgansen achtervolgen luidruchtig alle dieren die anders zijn dan zij. En in een val, voor de ingang van een buis onder een dam naar een weiland, poetst een muskusrat zich schoon voor het stervensuur. Het is aan het eind van het jaar 2001 en samen met Patrick Oomens, medewerker van de afdeling beheer van het polderdistrict Betuwe, trek ik langs de Eldensche Zeeg. Een fors uitgevallen sloot waar een roeiboot met uitgestoken spanen gemakkelijk doorheen kan. Ooit gegraven door aanliggende dorpspolders die tenslotte, in het begin van de jaren vijftig, in Poolse landdagen ten onder zouden gaan. De Zeeg is onderdeel van een netwerk van sloten en weteringen met een ontelbaar aantal sluisjes en verlaten die het water remmen en stremmen. Soms dient het systeem om in tijden van droogte water aan te voeren. Maar het is vooral opgezet om het water, onder vrij verval, snel kwijt te kunnen raken. Aan het eind van de vorige eeuw werd afgekondigd dat het water moest worden vastgehouden, opgeslagen en bewaard. De oevers van de Zeeg mochten niet langer steil en abrupt zijn – gevormd door en voor de ijzeren grijpers van dragline en maaikorf. De oevers moesten breder worden, flauw hellend met ondiepten, overgaand in diepten. Alsof alle dingen nieuw waren geworden, werd gesproken van natuurvriendelijke oevers. En Patrick Oomens, jong en gedreven, redeneert alsof hij de wereld wil herscheppen naar het beeld van de jaren vijftig en daarvoor. Toen sloten er nog waren om erin te leren zwemmen, tussen kroos, stekelbaarsjes en groene kikkers. We staan aan het water met schuin achter ons het terrein Fikkersdries van Vitens (het voormalige Waterbedrijf Gelderland) en voor ons het bosje Bremerton – zo’n typisch perceeltje geriefhout als compensatie gewonnen op de ruilverkaveling. ‘Dat noemen wij het banquet,’ zet Oomens en hij wijst op een plat stuk grond waarmee de Zeeg verbreed is en dat hij voorts omschrijft als plas-dras. ‘Daar ontstaan allerlei mogelijkheden voor vegetatie. Er zal riet komen, kikkers kunnen er schuilen en er zal kikkerdril ontstaan. Vissen kunnen er paaien. Ik heb goede hoop dat er een verbinding tot stand zal komen tussen landnatuur met kleine zoogdieren, en riet en water met nestgelegenheid voor moerasvogels. Die overgang naar water biedt kans voor waternatuur. In de beschermde rustige zones zullen insecten die boven water leven eitjes kunnen leggen. Omdat het daar nu ondieper is zal het water sneller worden opgewarmd en dat is gunstig voor de ontwikkeling van de eitjes. Ik voorspel dat de kwaliteit van het water beter zal worden door de biomassa, de plantengroei en bijvoorbeeld de watervlooien,’ zegt Oomens die klinkt als een postmoderne IVN-consulent. De idee van nieuwe natuur was een paar jaar eerder begonnen langs een deel van de Verloren Zeeg in Valburg. Daar had de gemeente het polderdistrict geïnspireerd een zeven meter brede berm natuurvriendelijk in te richten. Dat was zo goed bevallen dat nog kilometers zouden volgen. Veel hing af van de medewerking van boeren die grond in eigendom hadden. Verkoop van de grond aan het polderdistrict hield ook in het uit handen geven van mest- en melkquota. Om die productierechten te behouden vochten de eigenaars soms om elke vierkante meter. Daarom verliep de aankoop van grond voor het maken van een nieuwe verbinding tussen de Eldensche Zeeg en de Linge bij het bosje van Bremerton zo moeizaam, aldus Oomens: ‘De meeste boeren vinden onze ideeën goed, ze mogen alleen niet ten koste gaan van hun bedrijf. Onteigenen is moeilijk omdat niet goed valt aan te tonen dat onze plannen ook echt nodig zijn voor de waterhuishouding. Er zijn ook boeren die zeggen, moet dat nou allemaal. Vroeger was het toch ook mooi?’ Met de nieuwe inrichting van het gebied werd vanzelfsprekend ook gepoogd een aantrekkelijk klimaat te schetsten voor projectontwikkelaars die aarzelden te beginnen aan een wijk die volgens de Waterkansenkaart ‘grote kans op problemen gaf’. Hoe lager de ligging, hoe minder ruimte om water te bergen, had de hydroloog Jan Spieksma van het polderdistrict Betuwe gezegd. Daardoor waren beperkingen om te bouwen groter. Hij vertelde over de harde onderhandelingen die hij moest voeren om te zorgen voor voldoende stedelijk water. Ten opzichte van de GEM, de Grond Exploitatie Maatschappij opgericht door gemeente en projectontwikkelaars, verkeerde het waterschap veelal in een onvoordelige positie. Spieksma kwam daar met becijferingen over hoos- en plensbuien die met een gemiddelde van één keer in de tien jaar konden voorkomen – de zogenaamde T=10 bui. Hij legde ook becijferingen van de zogenaamdeWestlandvariant op tafel – een bui van honderd millimeter neerslag in vierentwintig uur, zoals die aan het eind van de vorige eeuw een paar keer in Nederland is voorgekomen. Dat waren in het overleg onplezierige gegevens. Want de projectontwikkelaar wilde zoveel mogelijk woningen. Als Spieksma zijn eisen indiende over zeven of tien procent ruimte voor open water, moest hij op het scherpst van de snede onderhandelen. Want een paar huizen meer of minder op een hectare grond verminderde de aantrekkelijkheid voor de projectontwikkelaar en voor de gemeente die in de GEM in een dubbelfunctie zat: die van grondeigenaar en vergunningverlener. Ze zagen hem liever gaan dan komen. De ‘groene projecten’ van Oomens ontwikkelden zich in die jaren tot een heuse wetenschap. Er waren begrippen als HEN en SED geïntroduceerd die stonden voor hoogste ecologisch niveau en specifiek ecologische doelstellingen. Daarmee werden de natuurwaarden in het rivierengebied aangeduid. Op het provinciehuis was vervolgens een eigen ecologische lijn ontwikkeld met modellen en verbindingen die veel van de fantasie van ambtenaren hadden gevergd. Zo stond in ecologische blauwdrukken bijna dwingend beschreven welke corridors en stapstenen de kamsalamander, das, ijsvogelvlinder en rietvanger moesten bewandelen om het nieuwe paradijs binnen te gaan. Daar waren inmiddels al de moerasrolklaver, lisdodde, grote egelskop en kattenstaart teruggekeerd. De ijsvogel was er zeven keer gespot en de blauwborst broedde er. ‘Stukje bij beetje wordt een groen-blauw lint gelegd tussen Arnhem-zuid en Valburg met het riviertje de Linge als natuurlijke leidraad,’ propageerden de folders. ‘Het liefst zouden we heel de Linge voorzien van natuurvriendelijke oevers,’ zei Patrick Oomens. Door heel de Betuwe moest een groen-blauw lint komen, ecologische verbindingszone genaamd, om al het moois aan elkaar te koppelen. Van Doornenburg tot Elst, naar Driel, Bergerden, Huissen, de Huissense waarden en terug. Soms ging het om een strook niet breder dan enkele tientallen meters want voortdurend moest worden gevochten om ruimte. Zoals bij Malburgen waar dankzij het terugleggen van de dijk een benarde doorgang was gemaakt tussen de uiterwaarden bij Meinerswijk en die van Huissen. Alles in het kader van de groene dooradering van het landelijk gebied – naast biologen hadden ook filologen daarover nagedacht. De bedenkers van de ecologische routes zagen een toekomst van eindeloos rondtrekkende en rondrennende bunzings, dassen, egels en hermelijnen. Veel van het geld om die ecologische zones te realiseren kwam uit het IRMA-project van de Europese Unie, de zogeheten Interregionale Rijn-Maas Activiteiten. Het leverde rendement op, zei Oomens. Hij zag de laatste jaren in zijn gebied meer buizerds dan ooit. Hij merkte zelfs de witte buizerd op. En omdat de spitsmuizen gedijden, groeide ook het aantal uilen. Op de lijst van verlangens stond ook een verbinding tussen de uiterwaarden van de Oude Rijn bij Lienden en de Linge. Het verzet was groot. Omdat de idee van vriendelijk zijn voor de natuur steeds inniger omarmd werd, werkte de tijd in het voordeel van het polderdistrict Betuwe. Al in 1993 was met de voorbereiding begonnen. Er waren stukken land gekocht en er was stil verzet geweest. In de herfst van het jaar 2001 herinnerden bewoners en boeren van de streek aan een oude afspraak dat wanneer niet op basis van vrijwilligheid zou worden meegewerkt, het plan werd ingetrokken. Welnu die vrijwilligheid bestond niet. Er werd gemurmureerd over overwaaiend onkruid van braak liggende grond. Er werd getreurd over de invloed van ecologische zones op de bedrijfsvoering van boeren. En er werd beseft dat achterhoedegevechten werden gevoerd: ‘Het blijft immers aan de orde van de dag dat de overheid en nieuwe bestuurders plannen of regels veranderen zodra ergens zeldzame planten of dieren worden aangetroffen.’ |
|
Het harde leven van een dijkwerkerGeurt Bitter is 86. Hij zit klein en breekbaar in de zondagse kamer van zijn huis in Randwijk. Hij heeft z’n mooie pak aangetrokken en z’n stropdas omgedaan. De woning is opgetrokken uit rode bakstenen, gebouwd waar vroeger het dorp ophield. Met een grote tuin en een schuur die bijna zo groot is als het huis. Daar stonden vroeger twee koeien en liepen twee varkens. ‘We hadden alles zelf,’ zegt hij. ‘We hadden zelf land, we hadden zelf aardappels, we hadden melk en karnden onze eigen boter. Nee we hebben niks geleden wat dat betreft.’
Geurt Bitter was z’n leven lang dijkwerker in dienst van het polderdistrict. In 1930 begon hij als los arbeider. Hij ging met zijn vader mee die in 1903 bij de polder was begonnen. De dijkmeester beloofde de zoon dat als het zover was hij vast werk zou krijgen. Dat was in 1942. ‘Een paar jaar voor de oorlog ben ik begonnen met het teren van de wegen. In die tijd lag er nog grint op de dijk. Als het geregend had moest je de sporen die de auto’s hadden gemaakt dichtscheppen. We begonnen te teren op een proefstukje bij baron Van Voorst tot Voorst. Met de bezem moest ik eerst alles schoonvegen en dan gooide je er een emmer teer over. Die moest je dan weer met een zwabber uitvegen. Dat was slecht werk. In de dijkstoel zaten allemaal boeren. Je had er vervelende bij. We waren een keer aan het teren bij baron Van Boetzelaer. Die had een rentmeester, een zekere Van den Bosch. Die zag ons een keer aan de kant van de dijk zitten. Op een vergadering zei hij later dat we aan het luieren waren. Maar er was geen grint en als er geen grint was konden we niks doen. Hij wist er geen bal van. De dijkmeester en de dijkgraaf hebben het toen voor ons opgenomen.’ Op de dijk stonden heiningen van eikenhouten paaltjes die Bitter elk jaar moest schilderen. ‘De bermen moest je met de zeis maaien. Ik was dagenlang aan het maaien, je werd kleddernat van het zweet. Met een plaggenhak maakte ik later de dijk glad. Ik groef voren aan de kanten van de dijk om het water weg te laten lopen. Ik had een eigen rayon waarvoor ik verantwoordelijk was. Dat liep van de Opheusdense polder tot de stoep bij Driel. Later kwamen de dorpspolders erbij, toen moest ik overal heen.’ Uit de keuken waar het naar soep ruikt, verschijnt zijn vrouw. Geurt Bitter herinnert zich moeiteloos de hoogtepunten uit zijn leven. Hij deed lang alles op de fiets. Met een schop langs het frame en een zeis waar omheen een zak zat, over zijn schouder. Geurt Bitter werkte de laatste jaren voor z’n pensioen onder Leen Goedegebure, hoofd onderhoud. Die herinnert zich met enige gêne het afscheid van Bitter: ‘Hij had zich echt met ziel en zaligheid voor het district ingezet. Hoe dat ging in die tijd. Als de dijkmeester met zijn auto op de dijk achteruit reed, moest Bitter er hard naast gaan lopen om ervoor te zorgen dat de dijkmeester nergens tegen aanreed. Wees braaf en werk hard dat was het adagium. Bij zijn afscheid in 1979 heeft men niet dít gedaan voor Bitter. Niets. Onvoorstelbaar. Dat heeft me zo geraakt, ik heb gezegd dat mag nooit meer gebeuren. Het was toen gebruikelijk dat als iemand jubileerde of met pensioen ging, hij samen met zijn vrouw een kopje koffie kwam drinken bij de dijkgraaf. Ik heb daar een eind aan gemaakt. Ik zei tegen Tap, daar hoort de familie bij. Die werd toen in het vervolg uitgenodigd. Maar om er ook nog collega’s bij te halen, ging te ver. Dat betekende maar kosten en gedoe. Geurt Bitter overleed in de zomer van 2002. |