Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘Als je de notaris gaat controleren schop je de onafhankelijkheid onder zijn stoel vandaan’

Door Rudie van Meurs

Het was, helaas, een pijnlijke ontdekking toen bleek dat ook het notariaat — een van de laatste bolwerken van integriteit die deze maatschappij nog leken te resten — in opspraak geraakte. Vooral de algemeen secretaris van de Koninklijke Notariële Broederschap, mr. P. C. T. Hengeveld, kan het allemaal moeilijk verwerken. In zijn ijver de faux pas van een aantal broeders te bagatelliseren doet hij — in een vraaggesprek met diverse dagbladen — enigszins neerbuigend over de gepubliceerde feiten (genoteerd in Vrij Nederland van 13, 20 en 27 oktober). ‘Wij vinden het niet leuk, maar ook niet schokkend. Het kan allemaal gebeuren. En we weten overigens niet eens wat ervan waar is’ (Trouw 15 november). ‘Het is bepaald niet zo dat wij nu het gevoel hebben of er wel fouten gemaakt zijn. Dat lezen we alleen in de pers en dat is voor ons geen overtuigend bewijs’ (De Telegraaf 3 november). Hij lijkt premier Van Agt wel, die ooit nog eens met zulke dooddoeners een aantal burgemeesters en politici — betrokken bij de Zwolsmanconnection — vrijuit liet gaan.

Hengeveld zegt ook (in de Volkskrant van 3 november): drie gevallen, ik vind niet dat dat het notariaat is.’ Zo’n opmerking is de goden verzoeken. Natuurlijk is het gros van de notarissen fatsoenlijk, althans niet onfatsoenlijker dan de rest van de burgerij. Maar de broederschap, dat exclusieve gezelschap goed gehonoreerde juristen, heeft het nogal hoog in de bol. Ze beschouwt haar leden immers niet als gewone stervelingen. (‘Ik ben het volstrekt eens met die uitdrukking, ‘zegt notaris mr. W. E. de Vin uit Rotterdam, ‘aan ons mogen inderdaad hogere eisen worden gesteld. ‘) De notaris is een beëdigd openbaar ambtenaar, door de koningin zelve geroepen om de ‘eer en waardigheid’ van het ambt hoog te houden. In feite maakt hij deel uit van de vierschaar in dit ondermaanse. (‘Ik vergelijk de notaris wel eens met de gekozen rechter,’ zo mag Hengeveld graag zeggen.) Een genootschap met zoveel pretenties behoort dan ook niet te zeggen: het zijn er maar drie (overigens zijn inmiddels al vijf namen gevallen — rvm), maar: wat doen we eraan.

Want het is niet zo moeilijk om met enig gewichtig vertoon de schijn van de eenheid van de organisatie op te houden, van de ‘onafhankelijkheid, onpartijdigheid en neutraliteit’ (het lijkt De Telegraaf wel) van het notariaat. Maar er zijn ook de belangen van het publiek. De woningzoekende bij voorbeeld vertrouwt er immers op dat de notaris de rustige open plek is in de jungle van speculanten en handelaren, die hij moet doorkruisen om huiseigenaar te worden. Elke verkeerde notaris die via informaties door het ambt verkregen zijn eigen zakken vult, zal dat vertrouwen een deuk geven. Wat doet Hengeveld cum suis daar tegen?

De broederschap zou bij voorbeeld ‘zwakke broeders’, die duidelijk in strijd handelen met de Wet op het Notarisambt en de verenigingsstatuten, kunnen royeren. Dat kan een niet geringe indruk achter laten. Een secretaris (griffier van de rechtbank) van een Kamer van Toezicht uit het midden des lands zegt: ‘Dat zou een unicum zijn. De broederschap kan zo iets ook doen, die kan volledig autonoom handelen.’ Ik begrijp overigens dat zo’n procedure tot uitstoting overwogen wordt in het geval van notaris M. J. Slis-Stroom, de Amsterdamse dame die een halfjaar met ongevraagd verlof werd gestuurd maar tot verbijstering van menige confrère terugkeerde in de rij der broeders. Het hoofdbestuur van de Koninklijke Notariële Broederschap heeft haar affaire al bediscussieerd maar een procedure tot royement kon (nog) niet op gang worden gebracht. De reden is dat de broederschap formeel noch de voordracht van de Kamer van Toezicht noch de uitspraak van het Gerechtshof kent. Mevrouw Slis is inmiddels gevraagd de stukken van het Gerechtshof — waarover zij, omdat ze partij is, wél beschikt — aan de broederschap toe te zenden. Dat heeft ze tot dusver geweigerd, althans niet gedaan. ‘Is het feit dat ze zelf niet meewerkt niet in strijd met de verenigingsplicht.? Het hoofdbestuur heeft zich nog niet over die vraag uitgesproken. Notarissen zijn formele mensen. Zolang Slis maar wacht ons haar stukken te sturen, kan er weinig tegen haar ondernomen worden. Die geheimzinnigheid rond het niet-publiceren van uitspraken van de tuchtrechter ergert de broederschap plotseling zéér. Er is zelfs een heel persbericht aan gewijd waarin de minister gevraagd wordt om openbaarmaking opdat ‘de maatschappij inzicht krijgt in de feiten en de beoordeling’. Een ongewoon radicale stellingname van het edelachtbare college, maar niet ontdaan van hypocrisie. In het huis van de broederschap is de geheimzinnigheid en het gebrek aan moed om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen minstens even groot. Ooit gehoord van een notaris die (via het interne verenigingstuchtrecht) gekapitteld werd omdat hij de tarieven ontdook? Ooit gehoord van een broeder die een boete kreeg omdat hij verkeerd handelde? Ooit gehoord dat de broederschap het voortouw nam tegen de schaamteloze praktijken van splitsing van huizen in appartementen? Ooit gehoord dat de broederschap haar leden opriep niet langer mee te werken aan de smerige praktijken van handelen in onroerend goed in afbraakbuurten? De broederschap is nergens. ‘Ik zie wel iets in een nauwlettend reageren op maatschappelijke ontwikkelingen en het bekend worden van een notarieel standpunt daarover,’ zei voorzitter A.H.M. Santen op de laatste algemene vergadering van de Broederschap in Eindhoven. Hij vervolgde: ‘Hoe zouden wij ook ooit gehoor kunnen vinden bij de verdediging van zaken als handel in onroerend goed en projectontwikkeling wanneer wij terughoudend zijn in het signaleren van gevaarlijke bijwerkingen en het aanreiken van oplossingen om die tegen te gaan (…) De Notaris is er niet uitsluitend voor de cliënt.’ Dat is een mooie theorie, maar in de praktijk ontpopt het notariaat zich soms anders. Notaris Hans Tromp uit Vianen zegt: ‘Het notariaat heeft zich kunnen handhaven, niet omdat al onze werkzaamheden afzonderlijk zo bijzonder zijn, maar omdat die worden verricht uit een positie met een extra aspect: wij staan boven en tussen de partijen in. Onze positie in zaken van onroerend goed wordt natuurlijk uiterst dubieus als je er tot over je oren zelf in zit. Daar komt nog bij dat het echte handelen in onroerend goed ook niet bepaald door erg fris volk wordt verricht.’ De jonge notaris vindt dat de broederschap zich mordicus tegen de handel door leden moet verklaren en methoden moet aandragen die te voorkomen, bij voorbeeld via een meldingsplicht van het bezit aan onroerend goed van notarissen. Santen zegt al meteen dat hij daar niets voor voelt. Een andere oplossing zou kunnen zijn dat de broederschap via de kadasters gaat controleren. Maar Hengeveld weet nu al: ‘Als je actief bij de notaris gaat controleren schop je de onafhankelijkheid onder zijn stoel vandaan.’ Hoe onafhankelijk is de notaris dan wel? ‘Hij is er niet uitsluitend voor de cliënt,’ zegt Santen. De jonge notaris uit de provincie: ‘Helaas is het zo dat in de praktijk de grote cliënt niet tegen de schenen wordt geschopt. Toch brengt onze onafhankelijkheid en onpartijdigheid met zich mee dat we de ene partij meer hulp geven dan de andere. De ondeskundige moet meer steun en informatie krijgen dan de deskundige. De gastarbeider heeft meer hulp nodig dan de makelaar of de handelaar in onroerend goed. Onze onpartijdigheid moet betekenen dat de zwakke meer steun krijgt.’
Zo hoort het maar is het in veel gevallen niet. Dan staat de notaris aan de kant van de sterkste partij. Een aardig voorbeeld hoe de verhoudingen liggen werd onlangs geleverd door de aanwezigen op een ringvergadering van de Broederschap in het rivierengebied. Een geachte inleider testte de aanwezige notarissen met de volgende casus: ‘Een notaris bereikt het verzoek een aantal nieuwe bv’tjes op te richten voor een aannemer, met wie hij meer zaken gedaan heeft. De bv’tjes worden gedeeltelijk opgericht door stromannen, waaromtrent de aannemer zegt dat dit geschiedt om onder de bepalingen van de Vermogensaan-wasdeling (Vad) uit te komen. Zijn cliënt kennende, lijkt de notaris — wakker geschud door krantepublikaties in die richting — echter niet uitgesloten dat een belangrijker motief dan het ontgaan van de Vad waarschijnlijk is het ontduiken van sociale premies en het ontgaan van de wet op de ter beschikkingstelling van arbeidskrachten. Moet de notaris weigeren of niet?’

Wat antwoordde het merendeel der aanwezigen op de druk bezochte vergadering? Wel meewerken, maar, zo reageerde de zaal, we moeten via ons ten dienste staande kanalen het ministerie van Justitie duidelijk maken dat de zaak niet pluis is. En hoe onafhankelijk is de notaris die commissaris is bij een bv en zich én als commissaris én als notaris laat gelden? Wat is hij nog waard voor de maatschappij als artikel 140 (2) van Boek II van het Burgerlijk Wetboek van hem verlangt dat ‘hij zich bij de vervulling van de taak zal richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’? We komen daar nog op terug. En hoe onafhankelijk is de Broederschap zelf als ze zich als organisatie laat verleiden partner te worden in de Raad voor Onroerende Zaken? (ROZ)? Die raad overkoepelt allerhande organisaties die direct betrokken zijn bij de handel in onroerend goed (makelaars, hypotheekbanken, projectontwikkelaars, exploitanten). De ROZ vertegenwoordigt de belangen van de winstbeogende verhuurders, de onroerend-goed-exploitanten.
Het Nederlands Verbond van Huurdersorganisaties schreef begin vorig jaar een verwonderde brief aan de Broederschap, over dat lidmaatschap van de ROZ. ‘Wij moeten daaruit afleiden dat de notarissen partijdig zijn. Dat zij door hun lidmaatschap van de ROZ aan de kant van de verhuurders staan en dan nog wel aan die kant van de verhuurders die het niet zozeer om het belang van de volkshuisvesting gaat maar om de winst.’ En het Nederlands Verbond van Huurdersorganisaties vestigde er de aandacht op dat de notarissen via de ROZ ‘betrokken zijn bij de opstelling en invoering van een standaardhuurcontract dat uitgaat van het belang van de verhuurder. Mr. Hengeveld van de Koninklijke Notariële Broederschap beantwoordde de brief voornamelijk bevestigend, maar beloofde dat zijn genootschap ‘geen partij kiest’. En: ‘Daarbij komt nog dat de Broederschap de organisatie is van de notarissen in Nederland en dat iedere notaris zelfstandig vanuit zijn onafhankelijke positie zijn cliënten zal adviseren.’ Maar over die ‘onafhankelijkheid’ van de notaris ging het nu juist. Duidelijk is dat de Broederschap haar leden daarin niet voorgaat.
De Broederschap stelt het wél mooi voor. Zo staat in het al aangehaalde, onlangs verspreide persbericht ‘dat de regels van de wet op het notarisambt strikt worden toegepast door de Kamers van Toezicht’. Maar de secretaris (griffier) van de rechtbank) van de Kamer van Toezicht in Den Haag mr. J. L. A. de Haan heeft nu juist in VN laten weten dat het de Kamer volstrekt aan opsporingsmogelijkheden (‘research-apparaat’) ontbreekt om te kunnen nagaan of de notarissen wel hun fatsoen houden. Wat voor regels vallen er dan toe te passen? Nee, de zinsnede duidt er meer op dat de broederschap zich verschuilt achter de Kamer van Toezicht. En die (negentien) Kamers van Toezicht weten evenmin hoe zij allerlei stormachtige ontwikkelingen binnen het notariaat, de laatste twintig jaar vooral gestuwd door de onroerend-goedtransacties, tegemoet dienen te treden. Want de Kamers hebben een ruim honderd jaar oude wet op het notarisambt ter beschikking. Mag een notaris, zoals C.F.J. van der Valk in Schiedam, eigen bv’s hebben om in onroerend goed te handelen? De broederschap en de Kamer van Toezicht in Rotterdam houden zich al langer dan een halfjaar met een studie van dit fenomeen bezig maar durven niet aan te vallen. Hebben notaris J.B. Bonninga en E. Haverschmidt uit Den Haag hun positie misbruikt en het ambt onteerd? De Kamer van Toezicht in Den Haag heeft een aantal kadasters om opheldering gevraagd doch helaas werd de verkeerde vraag gesteld. De Kamer wil weten wat voor onroerend goed beide notarissen op hun naam hebben staan, terwijl nu juist de transacties uit de afgelopen jaren zo interessant waren. Tussen de Kamers van Toezicht onderling is het bovendien een ongecoördineerde boel. De ene Kamer vindt dit, de andere Kamer vindt dat. Er bestaat geen uniformiteit, wat in Den Haag fout wordt gevonden is geen jurisprudentie in het arrondissement Den Bosch. Daarin zal — door de nood gedwongen — iets gaan veranderen.
Deze week zullen het hoofdbestuur van de Koninklijke Notariële Broederschap en de presidenten en griffiers van de rechtbanken in hun functie van voorzitters en secretaris van de Kamers van Toezicht voor het eerst sinds dertig jaar bijeen komen — onder meer om de averij die het notariaat de afgelopen maanden heeft opgelopen te bezien. Slis-Stroom staat op de agenda, en Haverschmidt cum suis. Ook zal gepraat worden over de geheimhouding van de tuchtrechter, de beroepsregels van de notarissen, over harmonisatie van de uitspraken van de diverse Kamers van Toezicht. De bijeenkomst is hard nodig. De eerder genoemde mr. J.L.A. de Haan zegt: ‘Er is sprake van een escalatie. De zaak is in beweging. We zullen als Kamers van Toezicht in de toekomst meer bij elkaar moeten komen om elkaar te informeren.’ Het gaat dus in het notariaat niet om ‘maar’ drie (of vijf) gevallen, zoals Hengeveld al opgewekt concludeerde. Het gaat om véél meer. In bijgaand verhaal in elk geval nog meer gespreksstof voor de bijeenkomst die de notabelen deze week houden.

Zat u daar niet fout mee, notaris Kerckhoffs?
‘Ik heb wel eens horen vertellen, hoe welvarender’een notaris des te minder kans op ongelukken,’ zegt de voorzitter van de Koninklijke Notariële Broederschap. A. H M. Santen, Een regel die waarschijnlijk voor de meeste mensen opgaat. Alleen, een notaris heeft soms extreme mogelijkheden om — als hij al niet welvarend is — het te worden. Toen J. H. L. Kerckhoffs uit Maastricht aan het eind van de jaren zestig notaris werd bezat hij geen sou. Pas na drie jaar praktijk kon hij zich een woonhuis aanschaffen voor de som van ƒ 85.000,—, dat overigens belast werd met een hypotheek van ƒ 125.000,—. Nu, na tien jaar, heeft hij vijf hypotheekvrije huizen en tenminste een daarvan werd hem in de schoot geworpen. Althans hij benutte het voordeel van zijn positie, hij profiteerde van de voorkermis die hij als notaris had en kreeg voor het vertrouwen dat hij schonk vertrouwen terug. Dat voltrok zich aldus: op 22 november 1974 overleed op de leeftijd der sterken, dr. J. H. Broekema, een alleenstaande dame met een groot vermogen, zonder familie om het aan na te laten. Geboren in Middelstum migreerde ze later naar Zuid-Limburg. Haar bezittingen op het Groningse Hoge Land liet ze achter onder het goede beheer van notaris mr. C. N. Smit in Eenrum. In Maastricht wendde ze zich tot notaris Kerckhoffs voor wie op 25 september 1973 haar (nieuwe versie van) openbaar testament werd verleden. Daarin liet mevrouw Broekema opnemen dat zij haar gehele vermogen achterliet aan het Koninklijk Instituut voor Doven H. D. Guyot in Groningen. Alleen voor haar landhuisje, pittoresk gelegen aan de Bennenberg 6 in Bunde werd een speciale regeling getroffen. Op de dag dat het testament werd opgemaakt werd door notaris Kerckhoffs nog een andere transactie verricht: hij kocht voor zich zelf a raison van ƒ 150.000,— bij onderhandse akte het landhuisje benevens één hectare boomgaard en weiland van mevrouw Broekema. Een uiterst voordelige koop — zo zou later blijken. Maar eerst mag je je afvragen, is het correct als een notaris vanuit een strikte vertrouwensfunctie zich een deel van de boedel verwerft uit een aanstaande nalatenschap? ‘Ik zou het van mijn leven niet doen,’ zegt onze bekende notaris uit het midden des lands. ‘Zo iets is volstrekt afkeurenswaardig. Er kunnen allerlei moeilijkheden ontstaan. De vaststelling van de koopsom kan dubieus worden uitgelegd. Zelfs al stelt een makelaar de prijs vast dan kunnen latere erfgenamen toch nog zeggen dat je ze een kunstje hebt geflikt. Van zo’n huis hoor je af te blijven. Je mag geen belang hebben bij de inhoud van enige akte die je passeert. Na het overlijden van die mevrouw had het huis openbaar verkocht moeten worden.’ Als het huis Dennenberg 6 openbaar verkocht was, had Kerckhoffs nooit eigenaar kunnen worden (indachtig artikel 1505 van het Burgerlijk Wetboek dat bepaalt dat ‘openbare ambtenaren (…) geene zaken mogen kopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht worden’. Als daar ook nog art. 954 BW (boek 4 III) wordt naastgelegd, dan is het duidelijk dat notarissen op hun tellen moeten passen in erfeniskwesties. Zat u daar niet fout mee, notaris Kerckhoffs?
De notaris: ‘Het verhaal is volstrekt anders. Er was iemand die veel minder bood dan ik. Er waren liefhebbers maar die hadden er geen behoorlijke prijs voor over. Ik heb toen gezegd: dokter Broekema dat kan niet. Vervolgens heb ik zelf met behulp van een taxateur een prijs geboden.’
Terwijl dus de ondershandse (voorlopige) koopakte op 25 september 1973 tussen Kerckhoffs en mevrouw Broekema wordt gesloten, komt de zaak pas tot afwikkeling op 15 oktober 1976. Dan wordt de overdracht van het onroerend goed officieel verleden door de Limburgse notaris G. L. Meuwissen. Mevrouw Broekema is dan twee jaar dood. Het testament wordt uitgevoerd en de transactie tussen Kerckhoffs en de erflater wordt publiek. Notaris C. N. Smit uit Eenrum, evenals Kerckhoffs ‘beredderaar van de boedel van dokter Broekema’, zegt: ‘Ik heb voor die manier van afwikkeling gewaarschuwd. De uiteindelijke overdracht is veel te lang uitgesteld. Wij, notarissen, moeten in dit soort zaken oppassen. Het is onvermijdelijk dat je, zoals het hier gegaan is, geconfronteerd wordt met de erfgenaam die aanmerkingen gaat maken. Ik zou het zo nooit gedaan hebben.’

NOTARISSEN
‘Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren dat zij rechtvaardig zijn…’

Die overdracht heeft wel heel lang op zich laten wachten, meneer Kerckhoffs. De notaris: ‘Er is gewacht met de overdracht om te voorkomen dat er twee keer overdrachtsbelasting betaald moest worden. Er zit niets onoorbaars in, het is echt allemaal normaal. Op 15 oktober 1976 wordt zoals gezegd de overdracht een feit. Kerckhoffs koopt voor ƒ 150.000,-. Op dezelfde dag wordt, voor dezelfde notaris Meuwissen, een overeenkomst opgemaakt tussen notaris Kerckhoffs en de heer L. H. Theunissen, directeur van een bv in Maastricht. Kerckhoffs verkoopt daarbij voor de prijs van ƒ 162.000,- een gedeelte van de grond behorend bij het landhuisje in Bunde. Of eigenlijk had hij die grond al op 22 mei 1975 ondershandse akte verkocht en vindt nu de overdracht plaats.
Notaris Smit uit Eenrum zegt: ‘Ik heb nooit kunnen begrijpen dat Kerckhoffs de grond bij het huis direct als bouwobject beschouwde en ging verkopen. Dat aspect is voor zover ik weet nooit besproken met mevrouw Broekema.’ Was dat niet opvallend, meneer Kerckhoffs? U kocht het huisje met de grond voor ƒ150.000,- en verkoopt later een gedeelte van de grond voor f 162.000,-. De notaris: ‘Toen ik die grond kocht was het nog niet zeker dat het bouwterrein zou worden. Ik heb niet gehandeld. Daar heeft de fiscus ook al naar gevraagd, die zei: u bent aan het handelen geweest. Als je alleen op de gegevens in het kadaster afgaat zit je echt fout. De zaak ligt aanmerkelijk gecompliceerder.’
Dat blijkt. Notaris Smit uit Eenrum zegt: ‘Wij zijn eh… hoe moet ik het zeggen, wij zijn hier in Groningen wat stijver in dit soort dingen dan in Limburg. Daar doet men zo iets gemakkelijker.’
Het is overigens evident dat als Kerckhoffs anders had gehandeld en het landhuisje op een openbare verkoping was verkocht, het instituut voor doven in Groningen ruim anderhalve ton méér tegemoet had kunnen zien uit de nalatenschap van mevrouw Broekema. Kerckhoffs spaarde niet alleen overdrachtsbelasting uit, hij verdiende ook nog aan de overdracht. Want op 19 oktober 1976 — vier dagen na de profijtelijke dag — maakte Kerckhoffs de akte op tussen L. H. Theunissen en R. E. van Eede, een financieel adviseur uit Elsloo. Theunissen verkocht toen weer 460 meter (een tweede bouwperceel) van de grond die hij zo juist van de notaris gekocht had voor de prijs van ƒ 68.000,-. De overdrachtsbelasting was een kleine ƒ 3500,- groot en het honorarium voor Kerckhoffs bedroeg ongeveer ƒ 600,-. Zo kunnen dus notarissen welvarend worden. Het verhaal van Kerckhoffs als bestuurslid van de Bouwvereniging Sint Servatius, van de stichting Combinatiebouw, van de stichting Vijverdal, van de stichting Sint-Annadal; zijn voorzitterschap van het Burgerlijk Armbestuur en de stichting Elisabeth Strou-ven met de daaruit weer voortvloeiende (zakelijke) relaties met Léon Melchior — zijn bouwbedrijf, projectontwikkeling, is nu een dochter van Wilma — laten we dan maar buiten beschouwing. We zullen ook niet verder ingaan op een onduidelijke grondtransactie tussen Kerckhoffs en ene mevrouw Barbou van Roosteren. Het gaat in totaal om vier hectare grond in Nieuwstadt en Born die Kerckhoffs aanvankelijk koopt voor ƒ 39.000,- en een paar jaar later weer verkoopt voor ƒ 52.000.-.
Wat wil mr. P.C.T. Hengeveld van de Broederschap nog meer horen? Over notaris mr. C.G. Smeets uit Maastricht en diens echtgenote, de kandidaat-notaris J.A.M. Druncks? Zij kochten op 16 december 1976 van de Koninklijke Nederlandse Papierfabrieken een voormalig koetshuis, gelegen naast hun landhuis Villa Kanne aan de Nekummerweg. Zij kochten het koetshuis te zamen met 1500 meter bouwland voor de prijs van ƒ 200.000,-. Tien minuten later verkochten zij het koetshuis — zonder de grond, die op een waarde van enkele tientallen duizenden guldens moet worden geschat — voor ƒ 235.000,-aan drs. W.J. Staal.

Of zal ik over de transactie van notaris mr. A.N.J.M. Janssens uit Heerlen schrijven, die in 1973 voor ƒ24.000,- twee hectare weiland en grond kocht in de gemeente Wijlre om die enkele jaren later weer te verkopen voor ƒ 62.500,-. Het zijn allemaal transacties die — blijkens de roemruchte missive van het hoofdbestuur van de Broederschap — ‘de eer en waardigheid van het ambt’ aantasten. Het vertrouwen in het notariaat wordt óók afbreuk gedaan — zo schreef de broederschap toen — door ‘een commissariaat van een vennootschap waarvoor de notaris ook als notaris optreedt, als niet voldoende waarborgen bestaan voor de onafhankelijkheid van de notaris.’ Dat voert het verhaal naar een andere materie — wat overigens niet inhoudt dat de voorbeelden over de handel in onroerend goed zijn uitgeput. Die houdt de broederschap nog te goed.
Notaris prof. mr. E. A. A. Luijten is voorzitter van de ring van notarissen in Maastricht. Hij moet dus beter weten. Luijten is commissaris van het Instituut voor Ziekenhuisfinanciering — ooit opgericht door de voormalige projectontwikkelaar en thans paardenhandelaar Léon Melchior. Later ging het instituut, dat zich inspant op het terrein van de ziekenhuisbouw in zijn wijdste vorm, naar de Steenkolen-Handelsvereeni-ging en nog later naar Geeris holding. Luijten bleef commissaris, samen met onder meer dr. G.M.J. Veldkamp die we tegenwoordig met professor dienen aan te spreken. Een commissariaat van het instituut — dat weet ik van Veldkamp — leverde in 1976 een honorering op van twintig mille.
Toen in 1973 — Luijten is vanaf 1971 commissaris — het Instituut voor Ziekenhuisfinanciering de statuten wijzigde nam notaris Luijten de honneurs waar. Hij deed meer. Hij verleed de oprichtingsakte van de Stichting Verpleegtehuizen Heerlen en ging zelf in die stichting zitten als bestuurder. Die stichting — dat is begin dit jaar in Vrij Nederland aangetoond — was niet meer dan een ‘voertuig’ om Léon Melchior en zijn projectontwikkelingsmaatschappij de mogelijkheid te bieden in Heerlen een verpleegtehuis voor langdurig zieken te bouwen, een verpleegtehuis voor psychisch gestoorde bejaarden, het psychiatrisch centrum Welterhof — kortom een compleet medisch centrum. Het Instituut voor Ziekenhuisfinanciering trad op bij het geven van langlopende kredieten In de raad van toezicht van het instituut zat dr. H.O. Goldschmidt, de tweede man uit het Nollen-syndicaat. Die speelde een belangrijke rol in de oprichting van het Financierings Instituut voor de Gezondheidszorg (FIG). Prof. Luijten verleed als notaris de akte van het FIG. Het Instituut voor Ziekenhuisfinanciering (van Melchior) ging participeren in het FIG (van Nollen) en zo ontstond het beruchte dwangcontract waarbij Melchior de langlopende financiering van het Nollen-syndicaat op zich nam. Melchior verbond als voorwaarde aan het contract dat hij de bouw van minstens tien instituten zou verzorgen voor Sami-voz. Is het niet een onmogelijke opgave om in zo’n kluwen van belangen van notaris Luijten ‘onafhankelijkheid’ te mogen verwachten? Toch is de regel die de Broederschap aan haar leden geeft duidelijk. Hengeveld zegt: ‘Een notaris mag niet betrokken zijn bij zaken waarbij hij zelf adviseert. We hebben de regel dat ook personeelsleden geen nevenfuncties mogen hebben. Het personeel moet net zo onafhankelijk zijn als de notaris.’
Ooit werd notaris mr. dr. J.E.D.M. Thielen uit Den Haag terechtgewezen door de Broederschap-, toen deze optrad, als commissaris van de Cenirumbank die handelde in lege nv’s, fiscaal kompensabele verliezen en verantwoordelijk was voor de ondergang van het Gerzon-concern. Thielen was zeer dik met de voormalige Haagse, in Zwitserland wonende, advocaat mr. D.A.I. van den Oever die de Centrumbank begon. Thielen trad terug. Niet ten onrechte. De relatie met Van den Oever, die met regelmaat opereert op de onroerend-goedmarkt, bleef. Zo was Thielen in het begin van de jaren zeventig als notaris aanwezig bij het speculatieschandaal rondom het Haagse hotel Wittebrug. Door de bemoeienissen van Van den Oever, in minuut verleden door Thielen, moest de Rijksgebouwendienst circa vier miljoen gulden meer betalen voor het pand. Een obscure notaris. Een woordvoerder van het handelsregister van de Kamer van Koophandel in Den Haag die vanzelfsprekend een fenomenaal inzicht heeft in de notariële activiteiten: ‘Wij -weten al bij voorbaat dat veel van wat van het kantoor Thielen vandaan komt of van het kantoor Peter Busch (een andere Haagse notaris — rvm) fout zit. Die zijn betrokken bij maatschappijtjes die failliet gaan of waar iets mee is. De Fiod is hier regelmatig om de praktijken van deze notarissen na te pluizen.’ Het gaat — het is vervelend om er steeds weer op terug te komen maar de Broederschap is er zelf over begonnen — het gaat niet om vier gevallen. Of zijn het er inmiddels al tien? Het notariaat rammelt en de echo zal — in VN — nog doorklinken. Want het is helaas niet meer als in 1930, toen Jan Greshoff schreef (in zijn Liefdesverklaring}: ‘Zo onmiskenbaar ziet men aan hun kleren dat zij rechtvaardig zijn, terwijl de plicht die eedle lijnen groefde in hun gezicht: de dominee, de dokter, de notaris drievuldig beeld van al wat wijs en waar is — maar ’t kan verkeren.’

Vrij Nederland Jaargang 40 — 24 november 1979

Polderpers