Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Als er nu eens bij elk getij één korrel zand wordt meegenomen? De evaluatie (niet nodig geweest), het dure onderhoud en het volgend project: de ophoging van Nederland (6)

RUDIE VAN MEURS – Het kleinst gedraagt in deze dagen de minister zich. Geplaagd door het besef dat in haar periode nooit veel spectaculairders zal gebeuren dan het aanbrengen van nieuwe slijtlagen op de rijkswegen, richt haar rancune zich alsnog op het kabinet-Den-Uyl – toch al weer tien jaar geleden. Dat handelde ‘onwijs, onverstandig en dom’ door te besluiten de stormvloedkering in de Oosterschelde aan te leggen. ‘En dan zeg ik het nog mild,’ laat mevrouw N. Smit-Kroes bij herhaling horen.

Het is al vervelend genoeg dat, nu de pijlerdam gereed is, het steeds overtuigender wordt dat het allemaal veel eenvoudiger had gekund. En het is haast tragisch dat op 4 oktober – als de kering wordt opgeleverd – nieuwe argumenten zullen aantonen dat het deltagebied dezelfde veiligheid had gekregen door eenvoudig de dijken rondom de Oosterschelde te verzwaren. De stormvloedkering was dan niet nodig geweest en er was twee miljard bespaard.
Maar het is niet aan de minister om vanuit een geriefelijke positie in 1986 – tien jaar nadat met de bouw werd begonnen – geringschattend alle schuld bij een vroegere regering te leggen. Dat is te simpel. De minister kent de geschiedenis niet. Het gemok van mevrouw Smit-Kroes is vooral onaardig voor al die mensen die tien jaar lang niét lui zijn geweest, geen geld hebben verbrast en voortdurend op het scherp van de snede hebben gebalanceerd om iets te maken wat aan de grens van het technische kunnen lag. Maar dat is al voldoende keren gezegd.

Intussen hebben diezelfde consciëntieuze ambtenaren van de Deltadienst nu een laatste bewijs geleverd van het Grote Gelijk van de mensen die in het begin van de jaren zeventig voorstanders waren van een open Oosterschelde. Dat wordt duidelijk uit het vijftiende voortgangsrapport – het periodieke verslag over de werkzaamheden dat de Projectgroep Stormvloedkering Oosterschelde naar de regering stuurt – zo begrijp ik uit gesprekken met diverse ingenieurs. De projectgroep heeft een evaluatie gemaakt van de zogenaamde ‘witte nota’ – dat was de beleidsanalyse die in 1976 met behulp van Rand Corporation werd gemaakt over de alternatieven voor de Oosterschelde. Op grond van die analyse besloot de regering tot de bouw van de stormvloedkering met aanverwante werken.
De projectgroep bericht nu, tien jaar later: ‘In de witte nota werden oever – en dijkvallen beschreven als een groot probleem dat sterke pleitte tegen een volledig open Oosterschelde. Omdat de dagelijkse getijdynamiek op het bekken blijft bestaan zullen dijk- en oevervallen ook nu blijven voorkomen.’ Het is ‘waarschijnlijk’ dat ze minder frequent zullen voorkomen, zeker is dat niet. En als ze voorkomen ‘blijven de gevolgen zeer beperkt‘.
Met andere woorden, de stormvloedkering doet aan dat probleem niets af of toe. Goed, een aardige bijeenkomstigheid is nu dat bij extreme dijkval (het plotseling wegzakken van een stuk dijk door ‘onderspoeling’) over een grote afstand de sluizen in de pijlerdam neergelaten kunnen worden om de schade te herstellen. Maar dan wordt de kering wel op een oneigenlijke manier gebruikt en kan groot onheil ontstaan in het milieu van de Oosterschelde dat geen vers water krijgt.
Er waren in het begin van de jaren zeventig twee argumenten die de discussie over het openhouden van de Oosterschelde sterk beïnvloedden en, naar later bleek, vertroebelden. Als belangrijkste bezwaar gold dat dijkverzwaring zo lang zou duren. Er werd – door de provinciale waterstaat in Zeeland – becijferd dat alleen al de voorbereidingen en onteigeningsprocedures vijftien tot twintig jaar zouden vergen. Dat argument is inmiddels achterhaald als onzin. Aan de hand van ervaringen die werden opgedaan met gedeeltelijke dijkversterking (de ‘partiële’ versterking in samenhang met de stormvloedkering) bleek dat het veel sneller kon. Als het kabinet-Den Uyl in 1976 besloten zou hebben de Oosterschelde open te houden en de dijken te verzwaren had dat karwei óók omstreeks 1976 en in elk geval voor 1990 klaar kunnen zijn. Dat is inmiddels door ambtenaren van Rijkswaterstaat bevestigd.
Het tweede bezwaar tegen dijkverhoging kwam in de jaren zeventig van de boeren, de Zeeuwse waterschappen en werd gedeeld door ir. W. van der Kley – de directe adviseur van de minister in Den Haag. Dat ging over het gevaar van oever- en dijkval. En vol retoriek droegen de Tweede-Kamerleden M. Schakel (CDA) en ir. H. van Rossum (SGP) dit argument uit op bijeenkomsten voor een dichte Oosterschelde.
Hoe dramatisch is een dijkval? Ruim tien jaar geleden was de waterstaatkundige ingenieur H. Meijer lid van de actiegroep Samenwerking Oosterschelde (SOS). Hij had jarenlang in Indonesië gewerkt, was bezig geweest met het Brokopondo-project en imponeerde door kennis van zaken. Hij is inmiddels in de tachtig maar heeft nog niets van zijn strijdbaarheid verloren. Hij herinnert zich die emotionele discussies die steeds weer draaiden om het magische verschijning dijkval. Hij zegt: ‘Een aantal voorstanders voor afsluiting van de Oosterschelde was uitsluitend aan het drammen. Zoals Schakel. Als je hem dan vroeg waarom antwoordde hij net als een klein kind daarom. Dijkval bijvoorbeeld heeft nog nooit iemand het leven gekost. Er is zelfs geen koe door omgekomen. Theoretisch komt dijkval alleen voor bij extreem laag water als de grondwaterstroming onder de dijk langsgaat. Dan hoor je blub, en de zaak zakt weg. Bij hoog water komt het nooit voor. Dat betekent dat als het gebeurt, er ruimschoots gelegenheid is voor herstel. En vooral in deze tijd, nu er overal reservevoorraden aan stenen en klei liggen opgeslagen.’

Flauwekul

De vroegere coördinator van SOS, E.C. Boissevain uit Tholen, noemt het argument van dijkval ‘flauwe kul’. Hij heeft enige gebeurtenissen uit het verleden op een rijtje gezet en concludeert: ‘In de Westerschelde treedt dijkval meer op dan in de Oosterschelde, Er zijn in de afgelopen jaren halve dijken compleet met basaltglooiing in Westerschelde verdwenen naar dat heeft nooit echt geleid tot een gevaarlijke situatie. Heel die redeneertrant is misleidend. Altijd geweest.’ Het argument van dijkval werd door de tegenstanders van een open Oosterschelde selectief gebruikt: nóóit voor de Westerschelde maar die rivier is dan ook van belang als open zeeverbinding voor een aantal Havens.
Ook de stedebouwkundige ir. G. Dekker is nooit geïmponeerd geweest door het fenomeen dijkval. In 1970 was hij voorzitter van een Delftse studiegroep genaamd Het Veerse Meer?. Hij werd een aantal malen geraadpleegd door de commissie-Klaassesz en vond later vrijwel al zijn ideeën terug in het advies voor een half open Oosterschelde.
Nu zegt Dekker: ‘Wij moesten destijds een oplossing zoeken binnen de beperkingen die Rijkswaterstaat ons had opgelegd. Rijkswaterstaat zei ons: ‘Er is geen discussie mogelijk en de Deltawet moet worden uitgevoerd. Dat betekende dat de Oosterschelde op een of andere manier moest worden afgesloten. Ik wil u wel zeggen, als die beperkingen niet waren opgelegd dan was onze oplossing dijkverhoging geweest, langs een open Oosterschelde. Meijer en Boissevain hebben gelijk gehad.’
Meijer zegt: ‘Ik kan me alleen maar het verwijt maken dat we destijds niet nog harder gevochten hebben. Als we toen de argumenten hadden kunnen noemen die we later gevonden hebben hadden we waarschijnlijk meer kans gehad.’

Met die situatie had het kabinet-Den Uyl in 1976 te maken toen het besluit genomen werd een doorlaatbare kering te bouwen. Er waren ambtenaren die misleidende informatie gaven. Er waren de waterschappen in Zeeland die vanuit een benepen standpunt rebelleerden tegen een open Oosterschelde. Zij vreesden op te draaien voor tien procent van de kosten van dijkverhoging (te betalen door de boeren en die zijn de bestuurders van de waterschappen) en ze voelden niets voor het toekomstige onderhoud van de dijken. ‘Ons Zeeuwen bin’ zunig hé’.
De regering had in de jaren zeventig te maken met de lamlendige houding van de provinciale waterstaat in Zeeland die bewust verkeerde informatie gaf. En ten slotte worstelde het kabinet-Den uyl met de vooringenomenheid en de openlijke tegenwerking van ambtenaren van Rijkswaterstaat. Dat vergeet mevrouw Smit-Kroes als zij smalend praat over het besluit van toen. Dat vergeet ook het kamerlid van het CDA drs. H. Eversdijk – destijds statenlid in Zeeland, fel tegenstander van een open Oosterschelde en daarom in die tijd ook wel aangeduid als mister Ever-dike – als hij nu zegt dat het kabinet in 1976 echt moedig was geweest. ‘Als het óf de dijken had verhoogd óf het ding dicht had gedaan.‘ Maar ook zo eenvoudig lag het niet.

Het werd een stormvloedkering. Al het andere is praten achteraf – maar ook dat moet zuiver gebeuren. Tijdens de bouw vielen vier doden. Eén keer viel een bovenbalk uit de takels. Een andere keer schoot, door een verkeerd commando, een mat voor onder de pijler los uit de ophanging van een schip en ging een miljoen verloren. Het staal van een deel van de schuiven tussen de pijlers bleek van ondoelmatige kwaliteit. En ook met de staalplaten onder de pijlers was iets mis.
Toch zegt A. Hoogendoorn, secretaris van de Projectgroep Stormvloedkering Oosterschelde: ‘We hebben veel geluk gehad.’
Dát was nodig. De Projectgroep laat weten: ‘Het ontwerp en bouw van de stormvloedkering hebben plaatsgevonden in een groot spanningsveld van tijdsdruk, kwaliteitseisen en financiële middelen. Daarbij is meermalen gewerkt aan de rand van het kunnen. Niet alles is even rimpelloos verlopen. Enkele malen dienden ‘last minute’-oplossingen voor de vele problemen te worden getroffen. Gezien de tijdsdruk waarover het totaal tot stand is gekomen is het niet uitgesloten dat bepaalde onderdelen te zijner tijd enige aanpassingen behoeven.’
En daarnaast komt het onderhoud. ‘Dat blijft nodig,’ schrijft de Projectgroep in haar eindverslag ten overvloede. Dat kan in de toekomst nog menig politiek probleem geven, want de onderhoudspost voor de kering is zo ongeveer het onzekerst van alles. De ingenieurs schatten dat per jaar 22 miljoen (op basis van het prijspeil in 1975, dus zeg maar tussen de 25 en 30 miljoen nu) nodig zal zijn. Maar dat is dan wel becijferd voor de komende jaren als de schuiven nog roestvrij en de pijlers blinkend wit zijn.
Het bedrag van 30 miljoen kan – als de kering ouder wordt, misschien wel betonrot gaat vertonen, met wegzakkende pijlers en vastzittende schuiven – nog veel hoger worden. De kering mag dan tweehonderd jaar gegarandeerd zijn, dat geld vanzelfsprekend niet voor de computers van het bedieningssysteem en de schuiven en andere bewegende delen die over een jaar of tien aan vervanging toe kunnen zijn.
Ir. H. Meijer, ook door projectingenieurs van de Deltadienst gewaardeerd om zijn zinnige kritiek, zegt: ‘Onder de pijlers liggen matten. De ruimte tussen de matten is weer bedekt met een grindwiepenmat – een noodvoorziening maar die betekent dat je nergens meer bij kan. Er zijn stenen op gelegd in de hoop dat de constructie intact blijft. Maar als je nu eens bij elk getij één korrel zand door het water wordt meegenomen? Dan kan dat grote problemen veroorzaken, zo zelfs dat de pijlers scheefzakken.’
De projectingenieurs zijn zelf ook niet zonder zorg. Ze laten weten: ‘De stormvloedkering omvat onderdelen als drempel, een overgangsconstructie van de drempel naar de bodembescherming. In het ontwerpproces is rekening gehouden met een bepaalde hoeveelheid beweging van de individuele stenen. In de jaren na het gereedkomen van de kering zal het noodzakelijk zijn de mate van beweging te controleren. Afhankelijk van de na langere of kortere termijn geconstateerde veranderingen zal aanstorting dienen plaats te vinden ter compensatie.’

Meijer heeft de grootste waardering voor wat de Deltadienst heeft gepresteerd maar is pessimistisch over de toekomst: ‘Wat gaat er gebeuren als over een aantal jaren blijkt dat de schuiven vernieuwd moeten worden of dat de pijlers aan restauratie toe zijn? Dan zal zich weer de vraag voordoen: moet de Oosterschelde open blijven of doen we hem dicht? Helemaal afsluiten is dan een kleinigheid: je doet de schuiven dicht, gooit er zand en stenen tegen en klaar ben je. Ik weet al bij voorbaat wat dan de nieuwe argumenten zullen zijn. Een zoet Zeeuws meer is zo goed voor de landbouw. Ik weet het niet, maar ik ben er niet gerust op.’

De projectleider van de stormvloedkering, ir. Tj. Visser, haalt vol twijfels zijn schouders op. Hij zegt: ‘Dit land is door mensenhanden beïnvloed. Als je niks doet heb je ook geen verantwoordelijkheid. Deze kering is bedoeld om de Oosterschelde te laten zoals die is. Maar het kan dat er morgen nieuwe no nonsense-bestuurders komen die beslissen: schuiven dicht en stenen er tegen aan. Dat kan ja. Ik zou dan zeggen: het is hartstikke stom. Dan hadden we al dat geld niet uit hoeven te geven.
Voor de veiligheid hoeft de Oosterschelde niet dicht, het zou alleen voor het geld zijn. Wie weet neemt mevrouw Smit-Kroes nog eens wraak op het kabinet-Den Uyl door te besluiten de post onderhoud voor de stormvloedkering te schrappen. Intussen wordt over het beheer van de stormvloedkering – hoeveel keren de schuiven naar benenden gelaten zullen worden – nog nagedacht. In het voorstel dat nu de verschillende partijen passeert zal de kering zelden gesloten worden.
Als besloten wordt de kering te sluiten als buiten het water 2,75 meter boven NAP staat, dan gaan de schuiven gemiddeld 1.7 keer per jaar dicht. Als de grens ruimer uitvalt en de sluiswachters pas in actie komen bij 3,25 meter boven NAP, dan hoeft de kering zelfs maar één keer per vijf jaar dicht. Maar de uitzonderingen kunnen de regel gaan bevestigen. Sluiting kan ook zinvol zijn bij dijkval, bij bestrijding van olieverontreiniging en ter voorkoming van schade door drijfijs. Er is al besloten de kering langdurig te sluiten om compartimenteringsdammen in het oostelijk deel van de Oosterschelde met zand te kunnen opspuiten. Het compromis is er al. Hoe ‘terughoudend’ blijven de sluiswachters?

Gifbelten

De projectingenieurs van de Deltadienst zijn overigens bezorgd over de kwaliteit van het water in het toekomstige Zoommeer – dat ontstaat na aanleg van de compartimenteringsdammen. Er wordt ernstige verontreiniging van het water voorspeld: ‘De bodem van het Krammer/Volkerak/Zoommeer zal geleidelijk worden opgeladen met nutriënten en microverontreiniging als zware metalen en PCB’s. Het schoonmaken van het door de grote rivieren zoals de Rijn naar het Zoommeer aangevoerde water is van groot belang.’
En dat wordt misschien het volgende project. Het Haringvliet, delen van het IJsselmeer en straks het Zoommeer voor Bergen op Zoom zijn er worden gifbelten onder water. Er is al eens eerder becijferd dat in de toekomst miljarden guldens nodig zijn om dat chemische afval weg te halen.
Er zit een zekere wetmatigheid in dat, zodra het ene grote project (stormvloedkering) gereed is, vanuit allerlei hoeken discussies beginnen over het volgende project. De Markerwaard zal het niet zijn. Uit Delft is onlangs plotseling alarmgeroep gekomen over het omhoogkomen van de zeespiegel. Over een paar generaties soppen mensen in grote delen van Nederland rond in het water. Er is niets nieuws onder de zon. Ir. H. Meijer, zoals gezegd in de tachtig, heeft alles al een paar keer meegemaakt. Hij herinnert zich een discussie in het begin van de jaren vijftig bij de verschijning van het boek Dredge, Drain, Reclaim van dr. Joh. Van Veen – dezelfde die al in 1929 de eerste lijnen voor het Deltaplan tekende en die de aanzet gaf tot dijkverhogingen.
In het boek wordt beschreven hoe de zeespiegel ‘vibreert’, opkomt en nedergaat. De laatst 7200 jaar is de zeespiegel achttien meter gestegen. Berekend is toen dat Nederland wellicht na enkele eeuwen opgehoogd moet worden door oppompen van zand en klei.
Om Nederland 25 meter omhoog te brengen is 600.000 miljoen kubieke meter zand nodig. Meijer meent dat sindsdien, na het verschijnen van het boek – de situatie er niet gunstiger op geworden is. Er wordt de laatste jaren meer grondwater gebruikt, de grondwaterstand is hier en daar verlaagd – daardoor zakken we misschien nog meer. Het weghalen van aardgas uit de bodem speelt een rol. En er bestaat de mogelijkheid dat door het oplopen van de temperatuur op aarde het poolijs gaat smelten. Maar dat kan ook niét zo zijn. In elk geval kwam de vanuit Delft geïnspireerde discussie er op een strategisch moment.
Meijer zegt: ‘Ik kan me voorstellen dat Visser en zijn collega’s die nu met de stormvloedkering klaar zijn, met briljante ideeën komen voor wat er in de nabije toekomst gebeuren moet.’
Visser, daarover gevraagd, zegt: ‘Je kan nooit zeggen, zo’n project als dit herhaalt zich niet in de komende tientallen jaren. Dat dachten we in 1975 ook maar toen ineens werd tot de aanleg van de stormvloedkering besloten. Ik weet het niet. Maar als morgen besloten zou worden om zeg maar elektrische energie op te gaan slaan in de vorm van waterbekkens, dan heb je het volgende megaproject. Dat kan en het is zinnig. Er is een ploegje mensen met een studie daarover bezig. Het gaat om een deel van de studie die ir. Lievense heeft gemaakt. Je kan via een waterbel boven de grond of een gat onder de grond elektriciteit opslaan. Dat zou een volgend Deltaplan kunnen zijn.’
En Visser denkt aan een ‘integraal afvalproject’ – bijvoorbeeld in combinatie met een vuileiland voor de kust. ‘En verder schiet het menselijke voorstellingsvermogen tekort wat er zoal kan gebeuren.’ Hij zegt: ‘Ik denk wel eens dat als je de infrastructuur in de wereld aanpakt, je dan bezig bent de nood van de wereld op te lossen. Infrastructuur betekent vaak het begin van een zekere welvaart. Het groenmaken van woestijnen, dat is heel goed mogelijk. Er is een indrukwekkende lijst van dingen die te doen zijn. Het is toch veel beter daar je energie in te steken dan in het maken van raketten?’

(Vrij Nederland – 20 september 1986)

Polderpers