Een lacune in kennis
Het was maandagmorgen negen uur. Binnen in het rampencoördinatiecentrum van Nijmegen beleefde burgemeester D’Hondt zijn finest hour. Hij genoot van alle belangstelling. Hij dirigeerde zijn collega’s in de regio tot evacuatie. En hij stelde openlijk de competentie van Terlouw ter discussie. In tijden van dreigende rampspoed en gevaar was de burgemeester de baas. Daarna kwam de provincie en dan het rijk. De commissaris had slechts een cordinerende functie. Hij, D’Hondt, had de commissaris niet nodig. Hijzelf was gekroond met macht om de grootste volksbeweging van na de oorlog op gang te zetten. Dat conflict was inzet van de eerste ruzie tussen d’Hondt en Terlouw. Er zouden er nog vele volgen.
De bijeenkomst in Nijmegen diende als voorbereiding voor de vergadering in Arnhem van de centrale rampenstaf die twee uur later zou worden gehouden. D’Hondt wilde dat de regio ondubbelzinnig haar vertrouwen in hem zou uitspreken.
Aan tafel zaten de tien burgemeesters uit de regio, de crisisstaf en de directeur van het polderdistrict Groot Maas en Waal Kok met zijn dijkgraaf De Gaay.
Het werd een repetitie van de avond daarvoor. Kok domineerde, Kok profeteerde en Kok fulmineerde. Van de hoogwaterberichtgeving door het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling in Lelystad(RIZA) deugde niets, zei hij. Kok vertelde dat hij de afgelopen vrijdag samen met collega’s van andere polderdistricten zich had verbaasd dat het RIZA alsmaar uit bleef gaan van een waterstand van 16.20 meter boven NAP. Ze geloofden niets van die voorspellingen en ze hadden een bijeenkomst geëist met de provincie, RIZA en de afdeling Oost van Rijkswaterstaat die nauw met het RIZA samenwerkte. Aanvankelijk wilden de heren uit Lelystad van geen vergissing horen. De provincie Gelderland was daarop de waterschappen bijgevallen. Volgens Kok had het RIZA er ‘buitengewoon de pest in’ dat ze de volgende dag de waterstanden moesten gaan bijstellen. De voorspellingen schoten plotseling omhoog tot 16.55 meter. Achteraf bleek dat het RIZA niet op de hoogte kon zijn van de ontwikkeling dat er na de eerste hoogwatergolf nog een tweede golf op de Rijn kwam aanspoelen, veroorzaakt door zware regenval in Westfalen. In die hectische periode bleek dat het ‘model Lobith’ – het systeem waarmee hoog water voorspeld werd – onvoldoende werkte. Dat model kon vier dagen vooruitkijken maar omdat de voorspellingen voor de derde en vierde dag zo onbetrouwbaar waren, werden alleen voorspellingen voor de eerste twee dagen publiek gemaakt – gaf het instituut in Lelystad na enig slikken toe. Het RIZA kondigde aan op zoek te zullen gaan naar een verbeterde versie van het systeem Lobith om over langere termijn accurater te kunnen voorspellen.
Kok rapporteerde hoe hij tot de ontdekking was gekomen dat het RIZA niet op de hoogte was van de besliswaterstanden in de rampbestrijdingsplannen – het kritieke peil van 16.50 meter. Ja, hij had zelfs de indruk dat het RIZA helemaal niet op de hoogte was van het bestaan van die plannen. Later zou hij zeggen: ‘We hadden een beetje raar geluk. Na het hoge water van kerst 1993 waren we in discussie gegaan over de vraag, hoe moet dat verdomme nou als het water weer hoog komt. Een jaar lang waren we aan het delibereren geweest over bevoegdheden, wie doet wat en welke waterstand wordt het kritieke peil. Toen het water een jaar later weer omhoog kwam werden grote groepen overvallen door de consequenties van het scenario dat gereed lag. Het RIZA ook.’
De ambtenaren van de Gelderse provinciale waterstaat gaven later in een evaluatierapport Kok gelijk: ‘Het vertrouwen in Rijkswaterstaat is, door de volledig mislukte waterstandsvoorspellingen, beschadigd. Moeten we in de toekomst blindelings op Rijkswaterstaat blijven afgaan en niet op de maatschappelijke emoties bij stijgend water?’
Kok was gevoelig voor die emoties. Hij overdreef ook. Volgens Rijkswaterstaat had hij een ‘extreme interpretatie’ gegeven aan de waterstanden door gegevens uit voorgaande jaren te combineren en bij elkaar op te tellen. Hij was uitgegaan van een dramatische was op de Moezel en de andere zijrivieren van de Rijn – terwijl daar sterke verschillen optraden. Zijn voorspellingen, zo zouden geïrriteerde ambtenaren van Rijkswaterstaat later zeggen, waren gekleurd door emoties. Om te voorkomen dat éénmans-acties zoals die van Kok zich in de toekomst zouden herhalen gaf de internationale Rijncommissie in maart 1996 op verzoek van Rijkswaterstaat opdracht aan de Duitse ambtenaren het gedrag van zijrivieren bij hoog water beter in kaart te brengen.
Die emoties van Kok waren enigszins verklaarbaar. Van alle polderdistricten verkeerde Groot Maas en Waal in de neteligste positie. Het gebied was omringd door water en de versteviging van de dijken was het verst achtergebleven. Het polderdistrict De Betuwe had in de achterliggende jaren in redelijke rust dijken verhoogd en ook in de Tieler- en Culemborgerwaarden was de situatie minder problematisch.
Er was een reden waarom de voorspellingen van Kok zoveel opwinding konden veroorzaken. Hij vervulde in het polderdistrict Groot Maas en Waal de rol van secretaris-coördinator, een functie van secretaris op het gemeentehuis. Zijn chef was (waarnemend-) dijkgraaf De Gaay, voorzitter van de dijkstoel – in het burgerlijk gezag dezelfde positie als burgemeester van een grote gemeente. De Gaay was volstrekt niet opgewassen tegen zijn ondergeschikte. Het ontbrak de dijkgraaf aan kennis en gezag, hij was een voorbeeld van de ‘afwezige bestuurder’. Kok was de ongekroonde koning, hij deelde orders uit en oordeelde dat de dijken niet meer veilig waren.
In de andere polderdistricten was dat machtsvacuum niet. Daar bestond nadrukkelijk evenwicht tussen de dijkgraven en de hoofden van technische dienst. Als die verhoudingen in Groot Maas en Waal ook zo waren geweest had Kok nooit met zoveel applomb kunnen spreken.
De tien burgemeesters in het rampencordinatiecentrum van de regio Nijmegen hingen aan Koks lippen. Hij herhaalde dat hij en de dijkgraaf geen garantie meer kon geven voor de veiligheid van de dijken in de Ooypolder, de Bommelerwaard en het land van Maas en Waal. Toen hij uitgesproken was, bleef het even stil. Een moedige burgemeester opperde nog de de vraag wat Rijkswaterstaat ervan vond. Het antwoord ging een beetje verloren in de dreiging van het moment. Kok kon moeilijk opbiechten dat hij Rijkswaterstaat voor een voldongen feit had gesteld. Hij antwoordde daarom zoiets als dat hij externe expertise had gevraagd van de Technische Universiteit in Delft. ‘Als het allemaal zo is als de heer Kok zegt, zullen wij het scenario in gang moeten zetten,’ concludeerde daarop een andere burgemeester.
Dat was het moment voor voorzitter D’Hondt om de tien burgemeester één voor één te vragen zich uit te spreken voor het besluit tot evacuatie. Hij wees op het rampbestrijdingsplan, door hem persoonlijk vastgesteld op 8 december.
D’Hondt was een jurist met geldingsdrang. Hij had ook z’n minder precieze momenten. Hij had als voorzitter van het college van burgemeester en wethouders in Nijmegen gehannest met de milieuwetten. Onder zijn verantwoordelijkheid waren ‘schone-grondverklaringen’ afgegeven die nooit afgegeven hadden mogen worden. Hij had met olie verontreinigde grond laten dumpen in stadswijken. Hij had toegestaan dat jarenlang illegaal vet was geloosd in het riool waardoor grote schade was ontstaan aan het milieu. Hij had ‘om van het gezeur af te zijn’ een bedrag van ruim een ton betaald om van een strafrechtelijke procedure af te komen.
Maar nu stond hij in het volle licht van de publiciteit. Nu ging het om standvastigheid en verantwoordelijkheid. En de tien burgemeesters gaven hem hun woord.
Daarop sloot voorzitter D’Hondt de vergadering en spoedde zich naar een belendend vertrek om voor de camera van een RTL-4 televisieploeg de beslissing wereldkundig te maken. Emotieloos adviseerde de Nijmeegse burgemeester de 15.000 inwoners van de Ooijpolder, de andermaal 15.000 burgers van het Land van Maas en Waal en de 40.000 ingezetenen van de Bommelerwaard te vertrekken. De dag daarna zou een verplichting tot evacuatie ingaan.
Een paar kilometer verderop, in het provinciehuis van Gelderland, zagen verbijsterde provinciale bestuurders en vertegenwoordigers van Rijkswaterstaat hoe op de televisie burgemeester D’Hondt namens de regio Nijmegen eenzijdig de vlucht voor het water aankondigde. ‘Ik had de provincie niet meer nodig. Terlouw wilde dat wij die ochtend nog langskwamen. Prima. Maar ons besluit stond vast. Het was onze competentie. Als men er in het provinciaal overleg tegen was geweest, hadden we de evacuatie gewoon doorgezet,’ zei D’Hondt later tegen NRC/Handelsblad.
In de brochure Een zee van rivieren van Rijkswaterstaat, werd later, na de goede afloop, de vraag gesteld: hoe zat het eigenlijk met de internationale faam van waterstaatkundig Nederland?
Die liep in die bange dagen een flinke deuk op.
De ingenieurs die in de Oosterschelde met een beweegbare stormvloedkering een achtste wereldwonder schiepen, die meesters waren in het bouwen van bruggen, die over heel de wereld bekend raakten als baggerspecialisten – diezelfde ingenieurs wisten niets van het gedrag van dijken bij hoog water.
In het rapport Veiliger de winter in dat in december 1995 werd gepubliceerd door medewerkers van Grondmechanica Delft en van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde van Rijkswaterstaat, werd korte metten gemaakt met de mythes: ‘De vraag hoeveel kans er is dat een dijk bij hoog water doorbreekt kan niet nauwkeurig worden beantwoord. De belangrijkste oorzaken daarvoor zijn de onvoldoende bekendheid van de grondopbouw, de grondparameters, de variabiliteit in de grond en de belastingen. Daarom is het niet mogelijk in korte tijd na te gaan welke noodmaatregelen er voor alle rivierdijken getroffen moeten worden. Evenmin kunnen vooraf waarden van de waterstand worden opgegeven waarbij moet worden geevacueerd.’
De evacuatie die het duo Kok-D’Hondt proclameerden, was vooral ingegeven door onzekerheid over de stabiliteit van de dijken. Een ingenieur van Rijkswaterstaat schetste de situatie zo: als je een lepel in droge modder zet blijft die staan. Als die modder slap en breiachtig wordt, valt de lepel om. De grote vraag was, wat zou er kunnen gebeuren als het grondwater de dijk pappig maakt. Zou die dan misschien gemakkelijker kunnen wegschuiven?
Onderzoeker R.E. Jorissen van de Dienst Weg- en Waterbouwkunde zei later: ‘Eigenlijk zouden we de dijk over honderden kilometers meter voor meter moeten onderzoeken om de sterkte vast te stellen. Over dijkvakken ontbreekt het ons nu volstrekt aan kennis. Wat zit erin? Klei? Zand? Stenen? Koeienhuiden? Afval? We weten het niet. De dijken vormen een duizendjarige geschiedenis die we niet kennen. Om de dijken te doorgronden zouden we die moeten gaan doorlichten met röntgenapparatuur. We zouden overal moeten gaan prikken en inkijkoperaties houden. Wij weten absoluut niets over wat water en grondwater doen. Raakt een dijk na twee weken doorweekt? Gaat die na een maand onderuit? Blijft die staan? Onze modellen zijn goed, we kunnen alles beschrijven maar we weten niets over de grondsterkte. Ik kan theoretisch uitrekenen wanneer een bepaalde dijk bij een bepaalde waterstand instabiel wordt. Als dan bij hoog water blijkt dat die dijk geen krimp geeft, dan heeft mijn som niet gedeugd.’
Volgens Jorissen bestond er eind januari 1995 voor de dijkbeheerders maar één zekerheid: een dijk die in het verleden hoog water keerde, had daarmee zijn kracht aangetoond en zou het water weer tegenhouden.
Die eenvoudige volkswijsheid was precies de reden waarom zoveel oudere dijkbewoners het bevel tot evacuatie zouden trotseren. Zij vertrouwden meer op eigen ervaring en eigen kennis over het gedrag van de dijk, dan op de raadgevingen van bestuurders die waren gebaseerd op onzekerheid.
Buiten bewoog zich inmiddels een stroom vluchtelingen naar de hoger gelegen delen van het land. Lange rijen auto’s met angstige mensen voor wie de beelden op de televisie van ondergelopen uiterwaarden en overstroomde kaden te veel waren geworden. Zij hadden het sein tot evacuatie dat D’Hondt op de televisie had gegeven niet afgewacht. Hoe verder de mensen weg woonden van de rivier en de dijk, hoe heviger ze overmand raakten door paniek.
Precies om elf uur voegden Kok en D’Hondt zich bij de crisisstaf in het provinciehuis te Arnhem. Het enige wat nu nog te doen stond was de rampbestrijders te redden van verdeeldheid.
Het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden had de kant van Groot Maas en Waal gekozen. Het polderdistrict Betuwe vond nog steeds dat er geen reden was voor evacuatie.
Op verzoek van Kok was uit Delft de hoogleraar civiele techniek A.Verruijt aangeschoven voor een zogenaamde contra expertise. Kok: ‘Ik had hem gevraagd om als wetenschapper over mijn bevindingen te oordelen. Nou, hij bevestigde die ruimhartig. Terlouw vroeg hem of hij zou evacueren. Verruijt antwoordde toen letterlijk: dat is mijn verantwoordelijkheid niet maar op grond van de techniek zou ik niet achter de dijk willen wonen.’
Verruijt gaf een enigszins andere lezing. Hij zei: ‘Ik was maandagmorgen verzocht op stel en sprong naar Arnhem te komen
voor een externe expertise. Ik ben er samen met Hans Dekker van Grondmechanica heen gegaan. Iemand van de provinciale waterstaat ving ons op en legde uit waarom het niet meer verantwoord was te blijven. We kregen niet de gedetailleerde gegevens te zien. We kenden alleen de analyse van het hoge water van kerst 1993 en wisten daarom dat het water niet nog een halve meter hoger moest komen. We kregen te horen dat de voorspellingen uitgingen van veertig centimeter meer water
Toen heb ik gezegd, dan hoef ik verder niets te zien. Voor de goede orde hebben we de gegevens toen nog doorgenomen. We hebben niet meer gekeken naar eventuele rekenfouten. Dat had geen zin meer want de politiek had toen al het sein tot evacuatie gegeven.’
Op 1 februari 1995 steeg het water bij Lobith tot 16.68 meter boven NAP, 29 centimeter hoger dan kerst 1993. In Tiel en Zaltbommel bleef de waterstand vrijwel op hetzelfde peil als met kerst 1993.
Een aantal maanden later zouden medewerkers van de dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland in een evaluatierapport laten vastleggen: ‘Het inschakelen van externe deskundigen om de beslissing over wel of niet evacueren verantwoord te kunnen nemen is – ook publicitair – uitstekend voor de geloofwaardigheid van het besluitvormingsproces en als rugdekking naar de toekomst bij een evaluatie.’