Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Een republiek van boeren

Mijn eerste grote liefde was de dochter van de dijkgraaf. Ze had sproeten, was rossig en zacht en ze reed in een Renault Dauphine. Ik was achttien en de wereld bestond uit het dorp, de polder, de rivier en de grote rivier. Haar vader was de grootste boer uit de omtrek. Met tachtig bunder eigen grond, een polder in de polder. Hij had zo’n machtige positie dat hij vanzelfsprekend dijkgraaf was geworden.
Mijn moeder was kruidenierster. We waren gereformeerd en werden door de anderen dolerenden genoemd.
De dijkgraaf was kerkvoogd in de hervormde kerk en was volgens ons, dolerenden die meenden dat alleen het gereformeerde geloof tot zaligmaking leidde, daarom niets. Alle grote boeren waren niets.
De kleinere boeren en de mensen die geen macht en invloed hadden waren dolerend. De wereld was vol van rangen en standen. Er was sprake van eeuwige rivaliteit, hierarchie en jaloezie.
Omdat onze relatie verboden was, ontmoetten we elkaar in het geheim aan de dijk. Er waren onnoemlijk veel dijken op het dorp. Je had de Molendijk, de Haasdijk, de Drogendijk, de Eerste Stomperdsedijk, de Tweede Stomperdsedijk, de Slandsedijk, de Stationsdijk en de Dwarsdijk. De sterkste en hoogste dijk was de Zeedijk. Sommige stukken waren bekleed met basalt. Heel in de verte, aan de overkant van de grote rivier, lag Goeree-Overflakkee. Toen in 1940 de Duitsers kwamen en op de dijk klommen, dachten ze dat daar Engeland lag.
Wij zagen elkaar vooral aan de Zeedijk. We liepen hand in hand over de gorzen waar uit het stugge harde gras de karekiet omhoog vloog. Bij eb betraden we de slikken en volgden tussen wanden van wier de geulen tot aan de waterlijn. Als het vloed was namen we een boot en roeiden naar een kreek om ons te verbergen tussen een bos van riet en biezen.
Op koude en regenachtige avonden haalde zij uit het klompenhok naar de boerderij de sleutel van het dijkmagazijn. Het was een klein, vierkant gebouw aan de teen van de dijk. Het rook er naar koolteer en door de ramen viel elke negentig seconden een bundel licht van de vuurtoren op de dijk. Aan de muren hingen schoppen en lieslaarzen. We vreeën tussen vloedbalken, kruiwagens en zandzakken. En we bleven er tot we door de vensters zagen dat op de boerderij het gaslicht werd gedoofd.
Nog lang daarna, als bij hoog water aan de dijk waar ik later ging wonen zandzakken werden aangedragen, kon ik in een prettig opgewonden stemming geraken.

Het zal wel met die herinneringen te maken hebben dat ik me lang een indringer heb gevoeld die aan de dijk geduld werd. Altijd kon er een hoofdingeland als een engel met een brandend zwaard verschijnen om je te verbannen. Altijd kon er een heemraad of een opzichter komen die je terechtwees over een struik in de dijk, een stoep die een spade te breed was en een schuur tegen de helling die een ander dak had gekregen. In de eerste plannen die in het begin van de jaren zestig verschenen voor de dijkverzwaring, bleef er nauwelijks een dijkwoning overeind. De polderbesturen gingen uit van kaarsrechte dijken, elk huis en elke boom werden een gevaar genoemd voor de veiligheid. Honderden gezinnen raakten zo geïmponeerd door dat strenge oordeel, dat ze verhuisden naar nieuwbouwwijkjes in het dorp. Nog zie ik die dijkgraaf in de Bommelerwaard voor me die een vies gezicht trok toen hij over de bewoners aan de dijk sprak. Ze hoorden er niet thuis. De polder en de dijk waren voor en van de boeren. De strijd tegen de dijkverzwaring ging nooit alleen over veiligheid maar was ook altijd een stille strijd tussen boeren en dijkbewoners.

Zevenhonderd jaar waren de boeren de baas van de dijk en de polder. Zij heetten ingelanden omdat hun landbouwgrond was ‘in-geland’. Een ingeland met meer grond dan de ander kon opklimmen tot hoofdingeland of heemraad. De nog grotere boeren werden hoogheemraad en wezen de dijkgraaf aan, die voor de vorm benoemd werd door de Kroon. De polderbestuurders die ik leerde kennen waren eenkennige en wantrouwende mensen.
De dijken vormden de grens naar de boerenrepublieken. Kleine nederzettingen in de polders – door sloten, riviertjes en wateringen begrensde gebieden waarin de waterstand kon worden beheerst. Het waren autonome agrarische eilanden waar de dijkgraaf net zoveel macht had als de burgemeester op het dorp. De dijkgraaf vormde er samen met de hoogheemraden de dijkstoel, het dagelijks bestuur van het waterschap. De heemraad was een belangrijk man. Periodiek trok hij de polder door, in een bootje, per karos en later in een auto om te ‘schouwen’. Hij controleerde dan of de ingelanden de watergangen hadden gebaggerd en of kaden en sluizen goed onderhouden waren. Wee de boer die niet tot de lokale kliek behoorde en zijn taak verzuimd had. Die kon een hoge boete verwachten. De schouw was ook een vorm van sociale controle.
Zo was het eeuwenlang.

Het begon aan het eind van de dertiende eeuw. Graaf Floris V van Holland had een vooruitziende blik toen hij bij de bestrijding van de wateroverlast lokale gezagsdragers ging inschakelen. Hij breidde er z’n machtsgebied mee uit en kreeg tegelijkertijd greep op de benoeming van dijkgraven en heemraden. Het was het begin van de centrale dijkzorg. In de 17de en 18de eeuw vulden de colleges zich meer en meer aan door coöptatie. Alleen zij die welgesteld waren en een vastgesteld aantal bunders grond bezaten konden dijkgraaf worden. Hoe meer grond, des te groter het aantal stemmen dat mocht worden uitgebracht bij de verkiezing van het dagelijks bestuur. Het werden regenteske, ondoordringbare bolwerken.
Volgens een onuitroeibaar gerucht zouden de waterschappen en de grotere hoogheemraadschappen de oudste democratische bestuursvorm zijn. Daar is niets van waar(1). Generaties lang verdeelden de boeren in onderling overleg de bestuurszetels in de lokale waterschappen. Je moest ervoor gevraagd worden en je steeg erdoor in aanzien. De dijkgraaf en de hoogheemraden werden uit en door de lokale elite benoemd. Functies gingen over van vader op zoon. Kennis telde niet, bezit wel. Het was je reinste oligarchie, met census-kiesrecht, tegenstellingen tussen klein en groot en boeren die elkaar begunstigden om stemmen te werven.
Later werd in de waterschappen een soort gemeenteraad ingesteld die de ‘verenigde vergadering’ ging heten. Dat was een gezelschap van weer minder machtige boeren, aangewezen door alle ingelanden tezamen. Zij moesten het beleid van het dagelijks bestuur van het waterschap goedkeuren.
De waterschappen vormden zo een getrouwe copie van de organisatie van het bestuur in de steden en dorpen. Ook daar regeerde de aristocratie.
Omdat het op het dorp waar ik geboren werd krioelde van de dijken, was het burgerlijk gezag vooral in handen van de grote boeren. Omdat de kleine gereformeerde boeren in de minderheid waren, werd nooit een van hen in het polderbestuur gekozen. Het was een voortdurende strijd tussen rijk en minder rijk, tussen hervormd en gereformeerd. Met vrijwel altijd conservatieve agrariërs als winnaars die sterke verbindingen hadden met de confessionele partijen. In de provincie ontmoetten zij begrip bij gelijkgezinde gedeputeerden. En in Den Haag werden generaties lang de departementen van Verkeer en Waterstaat en van Landbouw en Visserij gedomineerd door confessionele ministers.

Sander van Harten was veearts in Ottoland en genoot het vertrouwen van de boeren in de Alblasserwaard. Hij klom op van hoofdingeland tot heemraad en werd tenslotte dijkgraaf van het hoogheemraadschap Alblasserwaard. Hij schreef een boek over de geschiedenis van de Alblasserwaard en Vijheerenlanden(2). Hij ontdekte hoe niet alleen de boeren maar ook waterschappen elkaar onderling bestreden: ‘Elk polderbestuur probeerde z’n dijken zo goed mogelijk te maken. De boeren in de Alblasserwaard hadden natuurlijk liever dat de buren in de Krimpenerwaard ondergingen dan zijzelf. Zij probeerden dus net iets hogere dijken te maken. Er was altijd het probleem van de overbedijking. Een rijk waterschap had betere en hogere dijken dan een armer waterschap. Die laatste leed dan ook het meest onder dijkdoorbraken en wateroverlast. Er bestond in het middeleeuws dijkrecht wel een verbod tot overbedijking maar je kon vanzelfspreken niet met een meetlat nagaan of iedereen zich daaraan hield. Het kwam ook voor dat in het verleden de polderdistricten de dijken van een ander waterschap doorstaken om zelf droog te blijven. Aan de Diefdijk in midden-Nederland hadden de heren Van Arkel en zijn neef Ter Leede een vete met elkaar. Op een nacht ging Ter Leede met twee knechts in een bootje de dijken van de Van Arkel doorsteken om zelf van overlast verschoond te blijven. Zulke dingen kwamen regelmatig voor.’
In 1953 nog. Toen bleef een groot deel van het eiland Tholen gespaard voor de ramp omdat aan de overkant bij Halsteren de dijken een halve meter lager waren.
Dijkdoorbraken hadden vaak te maken met de zuinigheid van de ingelanden en ruzies tussen waterschappen onderling. De Elisabethsvloed in 1421 en de Allerheiligenvloed in 1570 waren het gevolg van slecht onderhoud, veroorzaakt door gierigheid. Wie in de polders het geld had, bezat de macht.
Aan het eind van de vijftiende eeuw groeide Dordrecht uit tot een havenplaats met een machtige economische positie. De stad had het zuidelijk gedeelte van Holland aan zich onderworpen via het stapelrecht. Alle produkten die over water langs Dordrecht werden gevoerd, moesten in deze stad verhandeld worden. Met het geld dat verdiend werd kocht het stadsbestuur grote stukken grond op in de Alblasserwaard. Daardoor verwierf de stad invloed in de waterstaatszorg. Vanaf 1483 moest de dijkgraaf in de Alblasserwaard poorter zijn van Dordrecht. Tenminste drie hoogheemraden van het waterschap werden door het stadsbestuur van Dordrecht gekozen.

De waterschappen verzetten zich door de eeuwen heen met hand en tand tegen invloed van de centrale overheid en beperking van hun autonomie. Er waren rampen nodig om ze in het gareel te dwingen. In januari 1809 viel plotseling de dooi in. De dijken langs de grote rivieren bezweken, de Betuwe en de Alblasserwaard liepen vol water. Lodewijk Napoleon besloot tot het invoeren van een Dijkwet die de waterschappen tot een betere organisatie verplichtte. De provinciale staten kregen het recht besluiten van waterschappen te schorsen of te vernietigen.
De dijkbesturen demonstreerden tegenzin, verzetten zich en slaagden erin het proces van centralisering en schaalvergroting tergend traag te laten verlopen. Tussen 1900 en 1950 nam het aantal waterschappen zelfs nog van tweeduizend tot vijfentwintighonderd toe. Ze waren soms niet groter dan enkele tientallen hectaren met polderbesturen die nauwelijks kennis van zaken hadden.
Pas na de ramp van 1953 toen bijna tweeduizend mensen verdronken, konden de boerenrepublieken worden aangepakt. Hun aantal verminderde tot achthonderd in het begin van de jaren zeventig. Twintig jaar later waren er nog zo’n honderd over. Eén daarvan was het negenhonderd hectare grootte landgoed Mariënwaard van mr.O.W.A. baron van Verschuer in Beesd. Zijn eigendom was een zogenaamd ‘wegschap’, een waterschap met een bijzonder reglement. Na een jarenlange procedure werd hij in 1993 door de Raad van State gedwongen de wegen op het landgoed in beheer over te dragen aan de gemeente Geldermalsen. Ze zijn nu ‘verkeersluw’ gemaakt. Ook de zorg voor het water moest worden overgedragen aan het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden. Maar nog altijd beschikt de baron over een eigen inlaat om in droge perioden vanuit de Linge de waterstand op Mariënwaard te regelen.

Na de ramp van 1953 werd volgens oud-dijkgraaf Van Harten duidelijk dat de oude idee van het beschermen van gronden als produktiefactor achterhaald was. Terwijl alles veranderde, waren de waterschappen kleine, in zichzelf gekeerde conservatieve bolwerkjes gebleven. Er was nog een ander en misschien wel dringender probleem dan het gebrek aan democratie. Door de eeuwen heen waren alle kosten van ontwatering en bedijking opgebracht door de grondbezitters, de ingelanden. Aan die situatie hadden ze het motto verbonden ‘wie betaalt, bepaalt’.
Na de ramp moest er zoveel gebeuren dat de boeren de waterschapszorg zelf niet langer meer alleen konden opbrengen. In 1955 werden ook de huizenbezitters in de polderdistricten verplicht mee te gaan betalen aan de ‘omslag’ voor het onderhoud van dijken, sluizen, wegen en kaden. Vanaf dat moment werd de categorie ‘bebouwd’ naast die van ‘ongebouwd’ – de agrariers – geïntroduceerd. De democratische verhoudingen werden er nauwelijks beter door. Via een getrapt systeem werden hier en daar buitenstaanders door gemeentebesturen in de besturen van de hoogheemraadschappen aangewezen. Maar in bijvoorbeeld de talrijke kleine waterschappen in het rivierengebied bleef alles bij het oude.

Er kwam een zogenaamde ‘diepdelverscommissie’. Die moest een betere en eigentijdse oplossing voor de agarische bastions bedenken. Want intussen was er ook nog het probleem van de watervervuiling bijgekomen. Na vijf jaar kwam antwoord. De waterschappen mochten blijven. Ze zouden ook voor recreatie, natuurbeheer en landschap moeten gaan zorgen. Het aantal waterschappen moest nóg drastischer worden teruggebracht. Er zou eindelijk ernst dienen te worden gemaakt met beschaafde democratische verhoudingen. Want hoewel op dat moment al tweederde van alle lasten voor de waterschapszorg door de huizenbezitters werd opgebracht, waren de belangrijkste zetels nog altijd in handen van de boeren.
Er kwam ook een nieuwe waterschapswet. Hierin werd, weer onder de belofte van ‘meer democratie’, een meesterlijke oplossing bedacht om de waterschappen te moderniseren. Er moesten nóg meer ingelanden komen. In 1995 werden ook huurders, pachters, bedrijven – kortom alle ingezetenen van een waterschap – verplicht mee te gaan betalen aan de kosten van de strijd tegen het water. Als tegenprestatie mochten ze gaan kiezen en gekozen worden. Zou hiermee niet de ultieme vorm van democratie bereikt worden?
Daar is voorlopig nog altijd geen sprake van.
Bij de laatste verkiezingen varieerde de opkomst van vijf tot vijftien procent. In het verstedelijkte waterschap IJsselmonde werd zo’n grote nederlaag voor de boeren verwacht dat ijlings een voorziening werd getroffen om hun aantal enigszins op het oude peil te handhaven. Dat lukte. In de Alblasserwaard gingen de boeren zo luidruchtig de verkiezingen in, dat ze erin slaagden ook de zetels van de huizenbezitters en pachters in het polderbestuur in te nemen. Ook elders wonnen de boeren gemakkelijk de strijd op basis van hun historische organisatie en invloed.
Zo overleefden in grote delen van het land de relicten uit de oude tijd.
Het polderdistrict Tielerwaard werd tot de fusie met de Culemborgerwaard bestuurd door de grootste boer in de omtrek. Hij woonde op een terp in het veld. Hij was zo grof en zo bruut dat hij alle dijkbewoners tegen zich in het harnas joeg. Hij liet de oudste en mooiste boom van ’t Rot aan de Waal rooien. Hij wist zo weinig en was zo onbekwaam dat hij in vergaderingen elk antwoord ingefluisterd kreeg door het hoofd van de technische dienst. Pas in de jaren negentig werd de dijkgraaf vervangen door een échte bestuurder.
Het polderdistrict Betuwe heeft nog steeds een landbouwer als dijkgraaf. Het polderdistrict Groot Maas en Waal werd tot 1996 bestuurd door veeboer De Gaaij.
Heemraad dr.ir.H.J.Dane werd in het begin van de jaren negentig in het dagelijks bestuur van het waterschap De Groote Waard in Klaaswaal gekozen. Zijn eerste vergadering van de dijkstoel bleef in zijn herinnering gegrifd: ‘Het was een fascinerende cultuurshock. Het was alsof ik door een telescoop in de tijd terugkeek. Ik zag deftige heren boven de vijftig die serieus en grondig vergaderden. Om twaalf uur kwam de port op tafel. En ik dacht, dat is dus al zevenhonderd jaar zo.’

(1) zie ‘Waterschappen in Nederland’, J.C.N.Raadschelders en Th.A.J.Toonen, Hilversum 1993.
(2) zie ‘Vergaard bewaard beheerd’, het cultuurbezit van het hoogheemraadschap van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden, drs. S.van Harten e.a., Gorinchem 1995

Lees ook:    De woede van een dijkbewoner

Polderpers