Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Het debacle van Brakel…

‘De minnaar van de blauwe ereprijs,
de grijze Thijsse, hebt gij naar ’s lands wijs
– hoe argeloos stond hij bij uw zwarte hulde –
met eer gekroond, verwoest zijn paradijs’
**

‘Het schoon van Holland: welhaast doodgesnoeid
de vogel zwijgt, de rank is uitgebloeid.
Een harde zon schijnt op de koolaspaden,
Waarlangs gekneusde dovenetel groeit.’

(uit Kwatrijnen in Opdracht 1948)
Ida Gerhardt

Het debacle van Brakel… (1)

Of hoe een drama in een dijkdorp een omwenteling veroorzaakte in de manier van dijkverbeteren

Hoofdstuk 4

(1) Dit hoofdstuk werd, in een andere versie, eerder opgenomen in het boek Hoog Water

Bij de toegangswegen naar de polders stonden borden met welkom thuis. Politieagenten hadden de opdracht gekregen vrolijk te wuiven. Er waren bloemen van het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden. En kort na de terugkeer van de evacués viel er een brief op de mat, gericht aan de inwoners van het rivierengebied. ‘Ons gebied is op het nippertje bespaard gebleven voor een dijkdoorbraak, met alle rampzalige gevolgen daarvan,’ luidde de aanhef. Er dreigde nieuw gevaar: ‘Uit de media blijkt dat actievoerders, die al jarenlang de zo nodige dijkverbetering blokkeren, zich al weer laten horen en zich blijkbaar niet bewust zijn van het feit dat zij voortdurend bezig zijn uw veiligheid te ondermijnen.’
De brief was afkomstig van de stichting Dijkverbetering Levensbelang en getekend door voorzitter mr. O.W.A. Baron van Verschuer.

Edelman, oud-gedeputeerde en actievoerder-uit-nostalgie

Mr. O.W.A. baron van Verschuer was lang een prominente streekbewoner. Edelman op z’n eigen prachtige Heerlijkheid Mariënwaerdt in Beesd aan de Linge. Dijkgraaf van z’n eigen waterschapje. Herenboer en jager op negenhonderd bunder. Altijd een beetje bars en gereserveerd tegenover de nouveau-riches en nouveau-autorités maar welwillend naar soortgenoten voor wie hij aan het eind van de vorige eeuw country-fairs organiseerde op zijn landgoed. In 1985 werd hij Kamerheer van het Koninklijk Huis, zeg maar Hare Majesteits eigen adviseur voor een gebiedsdeel van het koninkrijk. Bij streekbezoeken van de vorstin stond Van Verschuer dan ook altijd vooraan. Daan Tap die hem regelmatig tegenkwam en met hem vergaderde, herinnerde zich de baron als ‘een echte paus’. Hij was ooit een belangrijk man binnen de Christelijk Historische Unie (CHU), een politieke partij voor hervormde protestanten. Hij werd waarnemend voorzitter van het CDA toen de CHU daarin opging. Hij zou ook voorzitter worden van de Raad van Beheer van de Rabobank. Z’n maatschappelijk succes begon als Gedeputeerde voor dijkverzwaringen en ruilverkavelingen in de provincie Gelderland in het begin van de jaren zeventig. Hij stond toen aan het hoofd van de zogenoemde ‘doorhakkersclub’ een gezelschap van onverbiddelijke bestuurders met als motto ‘verzwaren of verzuipen’.

De brieven die Van Verschuer voor en na het hoge water van februari 1995 aan de inwoners van het rivierengebied schreef, zou burgemeester E.J. van Tellingen van Tiel omschrijven als een ‘treurniswekkend’ dieptepunt: ‘Mensen worden opgejuind met argumenten die niet waar zijn.’
Kort na de brievenactie van de baron kreeg grafisch ontwerper Gerrit Noordzij uit Tuil een klap van een plaatsgenoot omdat hij voorstander was van behoud van het oude landschap. Bij tekenaar/schilder Willem den Ouden uit Varik werd met een luchtbuks op een raam geschoten. Den Ouden was sympathisant van de stichting Red ons Rivierlandschap. Anonieme bellers dreigden Richard Siebers van de Belangenvereniging Behoud Dijkwoningen in Neerijnen, te verzuipen in de rivier. In de Betuwe verliep het optreden tegen de critici overigens aimabeler. Toen een keer in Haalderen een inspraakavond werd gehouden over de dijkverbetering, mengden zich actievoerders van de overkant uit Ooij onder de aanwezigen. Ze werden door de plaatselijke bevolking apart genomen en dringend verzocht zich koest te houden. De avond verliep ongestoord.Een groot tacticus was Van Verschuer nooit geweest. Op 8 juni 1969 zat hij als gedeputeerde van Gelderland op het provinciehuis de eerste vergadering voor van de Coördinatiecommissie voor de dijkverbetering (CCD). Het korte verslag dat over de bijeenkomst verscheen was verbijsterend van eenvoud: ‘Allereerst komt nu Brakel-dorp aan de orde. Het gaat daarbij over de afbraak van 65 woningen. De vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Monumentenzorg vraagt of vier waardevolle panden gehandhaafd kunnen worden. Van Verschuer stelt voor dat dit door het polderdistrict wordt bezien. De vergadering gaat daarmee akkoord en kan zich verenigen met het nieuwe dijktracé. De vergadering gaat voorts akkoord met het afbreken van 26 woningen aan de Waarddijk.’
Op andere plaatsen in het dorp werden nog 49 andere huizen aangewezen om gesloopt te worden. Die zomermiddag zou, als werd een pruimenboom leeggeschud, op een holletje het besluit worden genomen om totaal 140 woningen van het dijkdorp Brakel te slopen. In 1976 reden de bulldozers het dorp binnen.

Eigenlijk mengden zich maar drie mensen in de discussie. Dat waren naast Van Verschuer, de dijkgraaf van het polderdistrict Bommelerwaard J.E. Stuvers en de voorzitter van de Gemeenschappelijke Regeling Dijkverbetering Gelderland, ir. H. van Rossum. Stuvers was de ongekroonde koning van de Bommelerwaard. Hij was hoofdambtenaar bij de Cultuur Technische Dienst. Hij was de invloedrijkste bestuurder van de ruilverkavelingcommissie die het oude landschap van de Tielerwaard, de Bommelerwaard en Lek en Linge voor een deel zou uitwissen. En hij was, net als Van Verschuer, lid van de Christelijk Historische Unie. Van Rossum was Tweede-Kamerlid voor de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP). In het parlement was hij negentien jaar lang de enige ingenieur met verstand van water geweest. Hij was lid van de staatscommissie voor waterstaatswetgeving, voorzitter van de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat en overtuigd dat bij elk hoog water Gods Toorn en Gods Stem spraken en dat elk moment Zijn Straffende Hand de stervelingen kon treffen. Als Van Rossum sprak zwegen de anderen stil. Dat gebeurde ook in de CCD. P. Nijhoff, toen vertegenwoordiger van Het Geldersch Landschap en later van Natuur en Milieu zat er ook bij. Jaren later, tijdens een bijeenkomst in Brakel toen het dorp was verwoest, zou hij zich schuldbewust herinneren: ‘Daar heb ik ook bijgezeten. Onbegrijpelijk dat we dat allemaal zonder slag of stoot hebben laten passeren.’ In de jaren die volgden zou een van de mooiste dijkdorpen van het rivierengebied voor bijna de helft worden weggevaagd. Dijkhuisjes, boerderijen met overstekende rieten kappen, hooibergen, de school, het oude burgemeestershuis bijgenaamd ‘de villa’, het nieuwe burgemeestershuis, het plaatselijke café, prachtige kleiputten alles werd gesloopt. Toen ook het honderd jaar oude raadhuis ‘Ronduit’ met een mooi, breekbaar torentje op de nok, van de dijk werd verwijderd, was een cultuurhistorisch monument ten onder gegaan.
Om het verzet dat daarna tegen de traditionele manier van dijkverzwaren ontstond te begrijpen, is het nodig de geschiedenis van Brakel te kennen. Want de plompe, onbesuisde manier waarop werd weggewist van de dijk, zou ongekende gevolgen hebben. Overal in het rivierengebied kwamen actiegroepen in opstand tegen de grootheidswaan van de bestuurders. ‘Het zijn de politiek en de waterschappen geweest die het ontstaan van actiegroepen hebben veroorzaakt door eenzelfde ondemocratische en regenteske mentaliteit, als waarvan baron Van Verschuer nog steeds blijkt geeft,’ zou de Brakelse huisarts in rusteA. van de Beek later opschrijven.

Het was zestien jaar na de watersnoodramp van 1953. Afgezien van wat regulier onderhoud door dijkwerkers, was decennia lang vrijwel niets aan de rivierdijken gedaan. Als voorbeeld gold de ‘scheur van Ochten’ die al bij de hoogst bekende waterstand in 1926 was gesignaleerd, maar nooit was verholpen. Via de Deltawet uit 1958 was Nederland bezig met de bouw van de Deltawerken om zich te beveiligen tegen stormvloeden vanuit zee. Op aandringen van onder meer de provincies Gelderland en Overijssel nam de Tweede Kamer in 1962 een motie van het SGP-kamerlid Van Rossum aan om eveneens de rivierdijken te gaan verzwaren. Zo zou ook met het water uit het achterland afgerekend kunnen worden. Met die operatie in het vooruitzicht werd helemaal niéts meer aan de dijken gedaan. Leen Goedegebure, hoofd onderhoud bij het polderdistrict Betuwe, zou later zeggen: ‘Toen ik hier een kwart eeuw geleden kwam werd gezegd: ‘Binnenkort worden de dijken verzwaard. Dan komt alles in orde. Laten we niet al te veel tijd en geld in het onderhoud steken. Maar ja, die dijkverbetering werd maar uitgesteld en vertraagd. Ondertussen bleef het onderhoud minimaal.’
Zwakke plekken in de dijk, bekend bij iedere boer en dijkbewoner, werden niet aangepakt. Elke keer bij hoog water kwamen op dezelfde plaatsen wellen en kwelwater te voorschijn. In plaats van slechte stukken dijk onderhanden te nemen, gingen de polderdistricten zich vooral toeleggen op het opkopen van dijkhuizen en boerderijen die in de weg stonden want in die jaren werd nog uitgegaan van één lange strakke dijk zonder bomen en zonder bebouwing. In heel Gelderland moesten tweeduizend woningen gesloopt worden. Terwijl steeds meer dijkbewoners naar nieuwe wijken in de dorpen werden verdreven, vervielen hun achtergelaten huizen tot ruïnes. Pogingen van krakers om lege woningen te bezetten werden gekeerd met draglines die gaten in daken sloegen om de huizen onbewoonbaar te maken. Terwijl het aantal bouwvallen toenam, verkrotte ook de dijk. Er vielen gaten in de basaltwering aan de buitenkant.
Daarop kwam de Coördinatiecommissie in het Huis der Provincie in Arnhem bijeen en kondigde Van Verschuer aan dat in Brakel de dijkverzwaring zou beginnen. De plannen werden uitgevoerd, maar dat ging zo bruut en zo autoritair dat daarna jaren van oponthoud volgden. De echo daarvan dreunde nog jaren door. Ambtenaar J.H. Spapens van de directie oost-Nederland van Rijkswaterstaat en jarenlang de verbindingsman met polderdistrict Betuwe, noemde Brakel ‘het slechtste voorbeeld dat we ooit hebben gehad’. En J. van Dijkhuizen, die tot begin 1995 in Gelderland gedeputeerde was voor water, zou de manier van dijkverzwaren in Brakel een ‘onvergeeflijke fout’ noemen.

Toen stond, onder leiding van huisarts Van de Beek, de stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard op. Een enquête wees uit dat bijna negentig procent van de inwoners tegen afbraak van het dorp Brakel was. De politieke partij die uit de stichting voortkwam haalde in 1974 eenderde van alle stemmen in de gemeenteraad. Het was te laat om het dorp te redden. Maar in Herwijnen, Varik, Opijnen, Neerijnen, IJzendoorn, Oosterhout en overal in het rivierengebied werd het protest overgenomen. Tenslotte werd in de Tweede Kamer een motie van W. Albers (PvdA) aangenomen die de komst betekende van een commissie-Rivierdijken. Die zogenaamde ‘commissie-Becht’ bracht in 1977 een rapport uit waarin stond dat de overschrijdingskans van het Maatgevend Hoog Water, dat is de waterstand waarop de dijk berekend is, kon worden teruggebracht van 1/3000 tot 1/1250 per jaar. De dijken zouden daardoor niet alleen lager kunnen. Er werd ook de idee van uitgekiende ontwerpen geïntroduceerd. Dijken konden, zo had de commissie bedacht, creatiever en doordachter worden aangelegd met minder schade voor de omgeving. Met behulp van nieuwe technieken zoals erosieschermen, damwanden en kistdammen zouden de dijken minder volumineus hoeven te worden. En voor de eerste keer werden de begrippen natuur, cultuur en landschap genoemd.
Overigens bleek korte tijd daarna dat een nieuw berekeningsmodel langs de Waal leidde tot hogere Maatgevende Hoog Waterstanden dan voorheen. In de Betuwe betekende dat een verhoging in de orde van grootte van 0,50 tot 0,75 meter.
De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat drs. Tj. Westerterp (Katholieke Volkspartij) nam het rapport-Becht mokkend in ontvangst. Hij voelde er niets voor. Het kamerlid voor de Anti-Revolutionaire Partij M.W. Schakel zou de waterschappen sussend voorhouden: ‘Het rapport is louter een sterk psychologische zet. De verzwaring gaat gewoon door.’ Later, toen de werkzaamheden toch stagneerden, zou het Zeeuwse Tweede Kamerlid H. Eversdijk (CDA/CHU) in een motie eisen dat de dijkverzwaringen onverkort door zouden gaan Becht of geen Becht. De verbetering van zeshonderd kilometer dijk moest omstreeks de eeuwwisseling zijn voltooid, vond Eversdijk. De Tweede Kamer was het met hem eens maar de waterschappen weigerden de nieuwe methoden te omarmen. Bovendien ging in die tijd alle aandacht en geld naar de Deltawerken en de dure Oosterscheldekering. Rijkswaterstaat stelde geen geld beschikbaar voor uitgekiende ontwerpen. Het was een en al laksheid, iedereen zat met de armen over elkaar.

De aanbevelingen waarmee de commissie-Becht niettemin kwam, waren vooral te danken aan ambtenaar ir. W. van der Klei die als secretaris optrad en een compromis formuleerde. Een minderheid in de commissie was tegen. Het onverzoenlijkst gedroeg het SGP-kamerlid Van Rossum zich, ook lid van de commissie-rivierdijken. Toen ik Van Rossum later in zijn huis in Zeist ontmoette zei hij: ‘Natuurlijk was ik erop tegen en ik heb ook nooit iets ondernomen om het rapport in praktijk te brengen. Ik was een minderheid. Ik wilde het niet.’ Van Rossum zou nog jaren voorzitter blijven van de Gemeenschappelijke Regeling Dijkverbetering Gelderland. Hij zou nooit een poging doen nieuwe inzichten tot stand te brengen en het gezag met het verzet te verzoenen. Vanuit de kantoren van de (Gelderse) polderdistricten bleven plannen komen waarin nauwelijks rekening werd gehouden met landschap en cultuur. Zo kregen in het begin van de jaren tachtig tientallen gezinnen aan de Waaldijk in Neerijnen nog een simpel briefje annex tekening van het polderdistrict toegezonden. Met een rood kruis was aangegeven dat de woning van de geadresseerde zou worden afgebroken. Jarenlang had het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden gedelibereerd en gestudeerd over de verzwaring van een van de mooiste dijkvakken aan de Waal, dat tussen Opijnen en Waardenburg. Maar altijd moest of de strang, een oude rivierarm aan de buitenkant, of een deel van een oud parkbos aan de binnenkant van de dijk bij Neerijnen verdwijnen. Het ontbrak het polderdistrict aan kennis en fantasie om de inwoners van het dorp tevreden te stellen. En weer rees het verzet.
Toch waren er toen al voorbeelden dat het beter kon. In de provincie Zuid-Holland had een actiegroep onder leiding van dr. F. Muller, onderzoeker aan de Erasmus-Universiteit, bereikt dat in Sliedrecht ‘uitgekiende ontwerpen’ bij de dijkverzwaring werden toegepast. In plaats van enkele honderden woningen die aanvankelijk weg moesten, werden er twintig afgebroken. Bij die operatie werd het waterschap onder curatele geplaatst en voerde de Bouwdienst van Rijkswaterstaat (een ingenieursbureau waarin technici die onder andere gewerkt hadden aan de Oosterscheldekering waren ondergebracht) het project uit. Het bleek dat damwanden en kistdammen goede alternatieven waren voor klei, stenen en zand. Ooit vroeg ik directeur-generaal van Rijkswaterstaat ir. G. Blom, geboren en getogen in Neerijnen, waarom Gelderland toch zo traditioneel en conservatief was voortgegaan op de oude weg. Hij antwoordde diplomatiek: ‘De technische grondslagen voor de verhoging van de dijken komen van ons, daar kunnen we op beoordeeld worden. Maar een polderdistrict is verantwoordelijk voor hoe wordt verhoogd. De provincie heeft toezicht en pas dan komt de minister. Het is bestuurlijk gezien juist dat wij ons bij de uitvoering terughoudend hebben opgesteld. In elke organisatie heb je instanties die het beter en slechter doen. Ik heb er wel een mening over, maar die vertel ik niet.’

Nadat het plan voor Neerijnen voor de zoveelste maal tegenstand had ontmoet en het het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden niet gelukt was met goede oplossingen te komen, boden jonge ingenieurs van de Bouwdienst hulp aan. Op een koude avond van de 13e november 1992 riep ir. W. Korf, toen hoofd van de afdeling Waterbouw van de Bouwdienst, alle belangengroepen bijeen in het buurthuis van Opijnen. De Unie van Waterschappen was er ook en liet zich bijstaan door ingehuurde communicatie-deskundigen. Ze bleken zo slecht op de hoogte dat ze werden weggehoond. De belangengroepen waren niet eensgezind. De stichting Red ons Rivierenlandschap uit Amsterdam, met prominente leden als Willem den Ouden en Willem van Toorn, bleef wantrouwend en trok zich terug op de Dam. De Gelderse bewoners- en milieugroepen wilden met Korf het avontuur aangaan. Zo ontstond het proefprojekt Waaldijk-Neerijnen. Wat het polderdistrict eerder nooit vermocht, gelukte nu: de zogenaamde ‘poort van Neerijnen’ met dijkwoningen en het café, het parkbos rondom het kasteel, de strang, het populierenbos, de molen met de molenaarswoning en een dijkmagazijn bleven gespaard.
Het proefproject zou een voorbeeldfuncties worden voor het hele rivierengebied.

Zo werd in 1992, vijftien jaar na de commissie-Becht weer een nieuwe commissie geformeerd om het verzet tegen de dijkverzwaringen te doorbreken. Een breed front van bewoners- en milieugroepen had zich verzameld in de stichting Red ons Rivierlandschap. De verslaggevers Huib Goudriaan in Trouw enMarc Chavannes in NRC Handelsblad volgden het protest alert en inspireerden kamerleden. De minister van verkeer en waterstaat mevrouw J.R.H. Maij-Weggen (CDA) werd er wrevelig van: ‘De discussie gaat maar door,’ constateerde ze bits. Ze wilde aanvankelijk niets. Geen milieueffectrapportage (m.e.r.), geen kwelschermen, kistdammen of damwanden en ze wilde vooral niet ‘de geschiedenis ingaan als de minister die verantwoordelijk kon worden gesteld voor een dijkdoorbraak met doden en gewonden.’ Maar tenslotte moest ze wel instemmen met de roep van D66, Groen Links en de PvdA voor een ‘breder maatschappelijk draagvlak’. Er kwam een commissie Toetsing uitgangspunten rivierdijkversterkingen, alias de commissie-Boertien 1. Die presenteerde begin 1993 een voor een deel vergelijkbare remedie als de commissie-Becht:

  • door aanpassing van de statistische rekenmethodiek werden de Maatgevende Hoogwaterstanden lager bij een gelijkblijvende overschrijdingskans van 1/1250 per jaar;
  • dijken moesten creatiever worden ontworpen, bijvoorbeeld door vaker gebruik te maken van bijzondere constructies, zodat landschap, natuur en cultuur (de zogenaamde LNC-waarden) zouden worden gespaard;
  • voor alle dijkverbeteringen moest de milieueffectrapportage verplicht worden;
  • burgers, belangenorganisaties en gemeenten moesten meer worden betrokken bij het opstellen van de plannen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat vond het ineens allemaal prachtig. Ze was ‘onder de indruk’ over wat technisch mogelijk was. Ze had er zelfs een paar honderd miljoen extra voor over en vond dat de motie-Eversdijk, waarin de Tweede Kamer had geëist dat de dijkverzwaringen rondom 2000 zouden zijn afgerond, kon wachten. Ook op het provinciehuis in Arnhem gloorde licht. Gedeputeerde Van Dijkhuizen lanceerde het Gelders Rivierdijkenplan (GRIP) waarin de voorwaarden werden omschreven voor de dijkverzwaringen. In de Dijkenkrant zei hij: ‘Het wordt nu echt allemaal anders. De politiek is wakker geworden. Wij, het provinciaal bestuur, de waterschappen en ieder die bezig is met de dijken worden gedwongen het anders te doen. Er is sprake van een grote cultuuromslag.’ Er trad kortom geruisloze verandering in. Het rapport van de commissie-Boertien I dat later verscheen was daar hoogstens een bevestiging van. Tegenstanders van dijkversterkingen bestonden niet, wel tegenstanders van onfatsoenlijke versterkingen.

Toen kwam het hoge water van Kerstmis 1993, gevolgd door een nog hogere afvoergolf in januari/februari 1995 en sloegen even angst en onverdraagzaamheid weer toe. Kamerleden verloren hun hoofd. Premier W. Kok riep om een Deltaplan voor de grote rivieren. De stichting Dijkverzwaring Levensbelang van baron Van Verschuer stuurde desinformatie rond en kastijdde met dreigende taal degenen die bezwaarschriften en beroepen durfden te schrijven tegen de dijkverzwaringen. In die sfeer kwam in de kortst mogelijke tijde de Deltawet Grote Rivieren tot stand, bedoeld voor versterking van de onveiligste dijkvakken in het stroomgebied van de Rijn en kadeaanleg aan de Maas in Limburg. Met deze speciale noodwet zou verbetering van de dijken op de meest kwetsbare plekken drastisch kunnen worden versneld. Zo’n honderd kilometer van de bijna zevenhonderd kilometer nog te versterken dijken, zouden een spoedbehandeling krijgen. Allerlei procedures, zoals milieueffectrapportage (m.e.r.) waartegen waterschappen voor Boertien I altijd te hoop waren gelopen omdat die zoveel tijd vergden, werden buiten werking gesteld. Het hoge water, de evacuatie die volgde en het begrip van de argeloze massa voor het gevaar, hadden veroorzaakt wat de dijkgraven en hun medestanders altijd hadden gewild. Het wonderlijke was dat eigenlijk niemand misbruik van de situatie maakte. Overal werden dijkbewoners en belangengroepen gevraagd een oordeel te geven over de plannen. Jan Coopmans van de Groene Long in Oosterhout, kritisch tot in het bot, vertelde: ‘Als je ziet hoe het polderdistrict Betuwe hier die dijkverzwaring heeft aangepakt, niets is doorgedrukt. Voor elk dijkvak hebben ze de direct belanghebbenden bij elkaar geroepen. Die boom kan blijven, maar dat huis moet echt weg. Of weten jullie een betere oplossing, werd dan gevraagd. Hier is geen woord van ongenoegen gevallen. Bezwaarschriften? Nul. Procedures? Nul. We mochten wensen, zeg ik wel eens, dat heel Nederland door zo’n waterschap bestuurd werd.’ Jacqueline van Rijn uit IJzendoorn: ‘Het polderdistrict heeft het heel goed gedaan. Je werd keurig op de hoogte gehouden via publicaties. In één van de gesprekken vond ik het vervelend dat een oude waardevolle sloot verdween. Toen hebben ze het tracé van de dijk opgeschoven om de sloot te sparen. Er mislukte ook wel eens wat, maar daar werd dan uitvoerig een verklaring voor gegeven. Een wandelpad werd wel aangelegd. Er werd naar je geluisterd en je werd serieus genomen. Je merkte ook dat er allerlei nieuwe mensen bij het polderdistrict waren gekomen die gevoel hadden voor de natuur.’
Een dissonant vormde de feestelijke oplevering van de verbeterde dijk bij Ochten – precies een jaar na de vlucht voor het water. Tot de gasten die genodigd waren behoorde ook Ria Beckers, oud- fractievoorzitter van Groen Links en voorzitter van Natuur en Milieu. Zodra bekend raakte dat zij zou komen, werd een aantal boeren en burgers aangestoken door een Groot Ongenoegen. Zij herinnerden zich de hoge eisen die ondermeer Natuur en Milieu steeds aan de kwaliteit van de dijkverbeteringen had gesteld waardoor de eigenlijke verzwaringen voortdurend moest worden uitgesteld. Zij dachten terug aan de verhitte bijeenkomsten na het hoge water en de evacuatie over de hoogte van de schadevergoedingen -toen niemand hen had gesteund. En zij oordeelden dat de milieumensen zoals Ria Beckers hen voor de voeten hadden gelopen, ja hun zaak hadden verpest – zo vatte later een heemraad de onvrede samen. Daarop deed het gerucht de ronde dat opgewonden lieden van zins waren Ria Beckers te kidnappen, zodra zij zich in Ochten zou vertonen. Dijkgraaf van Leeuwen en heemraad Teunissen overlegden met Zomerdijk in Ochten en oordeelden dat de dreiging realistisch was. Tenslotte belde de dijkgraaf met mevrouw Beckers dat het beter was dat zij niet kwam.

Hoe de provincie een kleine drie miljoen gulden in beslag nam van de polder

Op het moment dat de adviezen van Boertien I werden overgenomen en in praktijk gebracht, kwam ook verandering in de manier van financieren van de dijkverbetering. Besloten werd de provincie te belasten met het uitvoeren van de subsidieregeling. Om die functie van kassier mogelijk te maken, hevelde het rijk zijn depot aan subsidiegelden over naar de provincie. De waterschappen bleven overigens verplicht een deel van de kosten van dijkverbetering via de eigen belastingheffing te betalen.
Toen na het hoge water van 1995 verordonneerd werd dat de dijken binnen vijf in plaats van binnen vijftien jaar verbeterd moesten worden, betekende dat voor de waterschappen een extra financiële belasting. Ze moesten nu immers hun eigen aandeel in de kosten versneld op tafel moesten leggen. Daar werd tegen geageerd. En daar werd door het kabinet in februari 1995 op gereageerd door aan de Unie van Waterschappen een bedrag van honderdenvierenveertig miljoen gulden toe te zeggen om zo tegemoet te komen aan de extra (rente)kosten. Het aandeel van Betuwe in dat bedrag bedroeg 9,34 miljoen gulden.
Maar toen ineens, een jaar later, eiste de provincie Gelderland een deel van het geld op. Een beetje cryptisch redeneerde de provincie dat zij uit de eigen begroting voorzag in subsidiëring van de door het Rijk niet gedekte kosten van dijkverbetering. Daarom zou het nadeel voor de waterschappen minder zijn dat ze bij de minister-president hadden betoogd. De overige waterschappen in Gelderland legden zich al vrij snel bij die claim neer. Het polderdistrict Betuwe protesteerde en procedeerde wel, doch zonder resultaat. En dus pikte de provincie van het polderdistrict ruim tweeeneenhalf miljoen gulden af door de provinciale bijdrage in de dijkverbeteringswerken te verlagen.

Voor de polderdistricten werd het spitsuur. Iedere civiel ingenieur, elk adviesbureau in Nederland werd benaderd om kennis en mankracht te leveren. ‘Als je nu nog mensen wilt inzetten zijn die eigenlijk niet meer te vinden,’ zei Kok van Groot Maas en Waal eind 1995. Aannemers beleefden gouden jaren. In de periode van schaarste die aanbrak konden ze vragen wat ze wilden. Volgens Kok lagen de bedragen van inschrijving tien tot twintig procent boven de aanvankelijke ramingen: ‘Er is zoveel werk dat concurrentie niet meer bestaat. Om mensen in dienst te krijgen moeten we toeslagen betalen en zelfs dan lukt het soms niet om goed personeel te krijgen.’
Het polderdistrict Betuwe had wat aanbesteding van werk betreft mildere ervaringen. Alleen het dijkvak Haalderen-Lent kostte duidelijk meer dan begroot.Soms leidde de bezorgdheid tot overdreven maatregelen. De ministers geconfronteerd met opstandige burgers uit het stroomgebied van de Maas, gaven opdracht tot de oprichting van een Commissie Watersnood Maas, ook wel aangeduid als commissie-Boertien II. Het resultaat was de aanleg van zestig kilometer kleine kades. Ze werden door hulpbisschoppen en pastores ingezegend. Maar het was een maatregel die de gevaren eerder groter maakten dan verminderden, wist ir. A.W.van der Hoek, hoofd van de afdeling waterkeringen van Rijkswaterstaat. ‘De kans op wateroverlast is kleiner geworden maar als het water over de kades komt of de kades breken, bestaat het gevaar dat omwonenden niet op tijd kunnen wegkomen. Mensen zullen bij een hoge waterstand nog steeds moeten worden geëvacueerd. Zij denken ten onrechte veilig te zijn. Daardoor kunnen de persoonlijke gevolgen veel ernstiger worden dan in de oude situatie,’ zei hij begin 1996.
Terwijl de zee rijst, klinkt achter de duinen het land in. Dr. ir. G. Blom, ooit de hoogste man van Rijkswaterstaat, zei me eens: ‘Technisch kunnen we het in Nederland heel lang volhouden. Wat me bijblijft is het verhaal dat ik eens op een congres hoorde. Hoe zal een samenleving zich gedragen die zich achter een muur van water bevindt? Er zouden dan wel eens zoveel problemen van sociaal-psychologische aard kunnen ontstaan dat uitsluitend technische oplossingen niet meer helpen.’

De commissie-Tielrooij vond dat ook. ‘Op lange termijn zijn technische oplossingen geen verstandige keuze.’ Hogere dijken betekenen grotere gevaren en bovendien het tarten van bezwaren ‘omdat de maatschappelijke weerstand tegen een nieuwe ronde dijkverhogingen aanzienlijk zal zijn.’
En de slogan ‘ruimte voor de rivier’ won aan kracht – een echo van de hoge waterstanden in 1993 en 1995 en een overwinning van het gezond verstand. Honderd hectare landbouwgrond in de Gentse en Bemmelse waarden zou weldra worden toegevoegd aan de natuur. Delen van polders zouden veranderen in meren. Het Rijnstrangengebied en stukken van de Ooijpolder werden aangeduid als calamiteitenpolders, later noodoverloopgebieden genoemd. Het eerste experiment met ‘achterwaartse dijkverlegging’ werd uitgevoerd. Lent zou volgen. Die oplossingen waren niet het ultieme alternatief voor dijkversterkingen – ze zouden wel voor tenminste vijfentwintig jaar respijt geven. In de verte dienden zich nog andere mogelijkheden aan: verlagen van kribben in de rivier, afgraven van uiterwaarden, verleggen van veerdammen, perforeren van toeritten in bruggen – elk obstakel in en bij de rivier zou kritisch worden beschouwd.
Bij die oprispingen van vindingrijkheid pasten oude structuren niet meer.
Waterschappen moesten groter en groter worden om de nieuwe ontwikkelingen zelfstandig ter hand te kunnen nemen.
Gelderland ging samen met Nordrhein-Westfalen het tij keren.
Gezamenlijk deden ze ook mee aan de Íntegrale Verkenning Maas (IVM) – in de wetenschap dat ergens bij Dordrecht en de Biesbosch alles samenvloeide.
Een nieuw begrip dook op: stroomgebiedbenadering. Het kwam uit Europa en het hield in dat grond-, kust- en oppervlaktewater in samenhang moesten worden beschouwd. Dat was vastgelegd in de Europese kaderrichtlijn water. Egoïsme – als wij het water maar kwijt zijn, verderop lossen ze het zelf maar op – was uit den boze. Want in Europa waren alle mensen broeders geworden.

Het had allemaal veel te maken met de verlichting die aan het eind van de twintigste eeuw binnen waterstaat was aangebroken. Ingenieurs werden aangezet met frisse en onorthodoxe ideeën te komen om het verzet tegen de plompe manier van dijkverzwaring te breken. Dijkgraven en heemraden leerden verder te zien dan hun eigen polder.
En overal in het rivierengebied was geleerd uit de lessen van het debacle van Brakel.

Een dijk tegen het Russische gevaar

Dwars door de Over-Betuwe, van Elden tot aan Lent aan de Waal, zijn de overblijfselen zichtbaar van een kade die de defensiedijk heet. De dijk is in het diepste geheim ontworpen en in het begin van de jaren vijftig in ijltempo opgeworpen. Volgens oud-dijkgraaf Daan Tap heeft aannemer Van Broekhoven er destijds goud aan verdiend. De defensiedijk was bedoeld als barrière tegen een mogelijke inval van de Russen. De dijk moest het mogelijk maken een groot deel van het gebied in de boven Betuwe onder water te zetten. De Russische legioenen zouden vervolgens, zo hadden strategen bedacht, tot stilstand komen bij de waterplas.
Daan Tap herinnerde zich de voorbereidingen nog goed: ‘Het project was zo geheim dat de besprekingen niet plaatshadden op de Ambtshuis in Elst. Die gebeurden bij ons op de boerderij. Mijn vader ontmoette daar regelmatig een delegatie van de generale staf uit Den Haag. Er zaten generaals bij en iemand van de provincie. Hij ontving het gezelschap in de eetkamer. Ons, huisgenoten, werd ernstig bezworen met niemand over het bezoek te praten. Er deden natuurlijk meteen allerlei geruchten de ronde en toen ze met de aanleg begonnen wist iedereen het.’ Het zand voor het dijklichaam kwam voor een groot gedeelte uit de Eisenhowerplas bij het industrieterrein van Elst.
Het ging niet alleen maar om het opwerpen van een dijk, zei Tap: ‘Alle waterlopen moesten worden aangepast en daarvan heeft het polderdistrict Over-Betuwe heel erg geprofiteerd. Die waterlopen werden meteen zo aangelegd dat ze pasten in het toekomstige plan voor de waterbeheersing. Het ministerie van defensie betaalde alles. Later is er nog een hele strijd geweest omdat defensie het geld terugeiste. Maar mijn vader zei, ik heb er niet om gevraagd. Wij hebben jullie juist geholpen door dat allemaal toe te staan. Het ging om miljoenen, weet ik. Het polderdistrict heeft geen cent betaald en heeft daardoor voor niks een deel van de detailontwatering kunnen realiseren. Alles is door defensie betaald, zelfs het herstel van de wegen. Het was zo mooi geregeld dat we, ook in mijn periode als dijkgraaf, daarvoor nooit één cent aan belasting hebben hoeven te innen. We hadden als gevolg van schadevergoeding zoveel reserves opgebouwd dat we met de rente de wegen konden onderhouden. Daar profiteerde iedereen van’.
De defensiedijk paste in het naïeve naoorlogse stratego dat met een waterlinie de vijand kon worden gestuit. De defensiedijk was onderdeel van de IJsellinie – een eigentijds antwoord tegen het Russische gevaar. Tap lachte er al in de jaren vijftig om: ‘Daar zouden die Russen toch gewoon omheen zijn gegaan of overheen zijn gevlogen.’ Achter de Oeral beschikten ze ook al over vliegtuigen.
De defensiedijk is dan ook nooit gebruikt. Bij Bemmel en het pannenkoekenhuis tegenover Meinerswijk lagen heel lang pontons gereed om, als het rode gevaar zou toeslaan, de rivier af te sluiten en de boven-Betuwe te inunderen.
In de Bemmelse Waarden is op de zomerkade, een onderdeel van de defensiewerken inmiddels een mooi, stil fietspad aangelegd. Het sluit aan op de Waaldijk van Bemmel naar Lent. Een van de zeldzame dijkvakken in het land die afgesloten zijn voor motorrijders die in de weekeinden als sprinkhanenplagen door het rivierengebied gaan.

Polderpers