Het debacle van Brakel…
|
‘De minnaar van de blauwe ereprijs,
de grijze Thijsse, hebt gij naar ’s lands wijs – hoe argeloos stond hij bij uw zwarte hulde – met eer gekroond, verwoest zijn paradijs’ ** ‘Het schoon van Holland: welhaast doodgesnoeid (uit Kwatrijnen in Opdracht 1948) Het debacle van Brakel… (1) Of hoe een drama in een dijkdorp een omwenteling veroorzaakte in de manier van dijkverbeteren Hoofdstuk 4 (1) Dit hoofdstuk werd, in een andere versie, eerder opgenomen in het boek Hoog Water Bij de toegangswegen naar de polders stonden borden met welkom thuis. Politieagenten hadden de opdracht gekregen vrolijk te wuiven. Er waren bloemen van het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden. En kort na de terugkeer van de evacués viel er een brief op de mat, gericht aan de inwoners van het rivierengebied. ‘Ons gebied is op het nippertje bespaard gebleven voor een dijkdoorbraak, met alle rampzalige gevolgen daarvan,’ luidde de aanhef. Er dreigde nieuw gevaar: ‘Uit de media blijkt dat actievoerders, die al jarenlang de zo nodige dijkverbetering blokkeren, zich al weer laten horen en zich blijkbaar niet bewust zijn van het feit dat zij voortdurend bezig zijn uw veiligheid te ondermijnen.’ |
|
Edelman, oud-gedeputeerde en actievoerder-uit-nostalgie Mr. O.W.A. baron van Verschuer was lang een prominente streekbewoner. Edelman op z’n eigen prachtige Heerlijkheid Mariënwaerdt in Beesd aan de Linge. Dijkgraaf van z’n eigen waterschapje. Herenboer en jager op negenhonderd bunder. Altijd een beetje bars en gereserveerd tegenover de nouveau-riches en nouveau-autorités maar welwillend naar soortgenoten voor wie hij aan het eind van de vorige eeuw country-fairs organiseerde op zijn landgoed. In 1985 werd hij Kamerheer van het Koninklijk Huis, zeg maar Hare Majesteits eigen adviseur voor een gebiedsdeel van het koninkrijk. Bij streekbezoeken van de vorstin stond Van Verschuer dan ook altijd vooraan. Daan Tap die hem regelmatig tegenkwam en met hem vergaderde, herinnerde zich de baron als ‘een echte paus’. Hij was ooit een belangrijk man binnen de Christelijk Historische Unie (CHU), een politieke partij voor hervormde protestanten. Hij werd waarnemend voorzitter van het CDA toen de CHU daarin opging. Hij zou ook voorzitter worden van de Raad van Beheer van de Rabobank. Z’n maatschappelijk succes begon als Gedeputeerde voor dijkverzwaringen en ruilverkavelingen in de provincie Gelderland in het begin van de jaren zeventig. Hij stond toen aan het hoofd van de zogenoemde ‘doorhakkersclub’ een gezelschap van onverbiddelijke bestuurders met als motto ‘verzwaren of verzuipen’. |
| De brieven die Van Verschuer voor en na het hoge water van februari 1995 aan de inwoners van het rivierengebied schreef, zou burgemeester E.J. van Tellingen van Tiel omschrijven als een ‘treurniswekkend’ dieptepunt: ‘Mensen worden opgejuind met argumenten die niet waar zijn.’ Kort na de brievenactie van de baron kreeg grafisch ontwerper Gerrit Noordzij uit Tuil een klap van een plaatsgenoot omdat hij voorstander was van behoud van het oude landschap. Bij tekenaar/schilder Willem den Ouden uit Varik werd met een luchtbuks op een raam geschoten. Den Ouden was sympathisant van de stichting Red ons Rivierlandschap. Anonieme bellers dreigden Richard Siebers van de Belangenvereniging Behoud Dijkwoningen in Neerijnen, te verzuipen in de rivier. In de Betuwe verliep het optreden tegen de critici overigens aimabeler. Toen een keer in Haalderen een inspraakavond werd gehouden over de dijkverbetering, mengden zich actievoerders van de overkant uit Ooij onder de aanwezigen. Ze werden door de plaatselijke bevolking apart genomen en dringend verzocht zich koest te houden. De avond verliep ongestoord.Een groot tacticus was Van Verschuer nooit geweest. Op 8 juni 1969 zat hij als gedeputeerde van Gelderland op het provinciehuis de eerste vergadering voor van de Coördinatiecommissie voor de dijkverbetering (CCD). Het korte verslag dat over de bijeenkomst verscheen was verbijsterend van eenvoud: ‘Allereerst komt nu Brakel-dorp aan de orde. Het gaat daarbij over de afbraak van 65 woningen. De vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor Monumentenzorg vraagt of vier waardevolle panden gehandhaafd kunnen worden. Van Verschuer stelt voor dat dit door het polderdistrict wordt bezien. De vergadering gaat daarmee akkoord en kan zich verenigen met het nieuwe dijktracé. De vergadering gaat voorts akkoord met het afbreken van 26 woningen aan de Waarddijk.’ Op andere plaatsen in het dorp werden nog 49 andere huizen aangewezen om gesloopt te worden. Die zomermiddag zou, als werd een pruimenboom leeggeschud, op een holletje het besluit worden genomen om totaal 140 woningen van het dijkdorp Brakel te slopen. In 1976 reden de bulldozers het dorp binnen. Eigenlijk mengden zich maar drie mensen in de discussie. Dat waren naast Van Verschuer, de dijkgraaf van het polderdistrict Bommelerwaard J.E. Stuvers en de voorzitter van de Gemeenschappelijke Regeling Dijkverbetering Gelderland, ir. H. van Rossum. Stuvers was de ongekroonde koning van de Bommelerwaard. Hij was hoofdambtenaar bij de Cultuur Technische Dienst. Hij was de invloedrijkste bestuurder van de ruilverkavelingcommissie die het oude landschap van de Tielerwaard, de Bommelerwaard en Lek en Linge voor een deel zou uitwissen. En hij was, net als Van Verschuer, lid van de Christelijk Historische Unie. Van Rossum was Tweede-Kamerlid voor de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP). In het parlement was hij negentien jaar lang de enige ingenieur met verstand van water geweest. Hij was lid van de staatscommissie voor waterstaatswetgeving, voorzitter van de vaste kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat en overtuigd dat bij elk hoog water Gods Toorn en Gods Stem spraken en dat elk moment Zijn Straffende Hand de stervelingen kon treffen. Als Van Rossum sprak zwegen de anderen stil. Dat gebeurde ook in de CCD. P. Nijhoff, toen vertegenwoordiger van Het Geldersch Landschap en later van Natuur en Milieu zat er ook bij. Jaren later, tijdens een bijeenkomst in Brakel toen het dorp was verwoest, zou hij zich schuldbewust herinneren: ‘Daar heb ik ook bijgezeten. Onbegrijpelijk dat we dat allemaal zonder slag of stoot hebben laten passeren.’ In de jaren die volgden zou een van de mooiste dijkdorpen van het rivierengebied voor bijna de helft worden weggevaagd. Dijkhuisjes, boerderijen met overstekende rieten kappen, hooibergen, de school, het oude burgemeestershuis bijgenaamd ‘de villa’, het nieuwe burgemeestershuis, het plaatselijke café, prachtige kleiputten alles werd gesloopt. Toen ook het honderd jaar oude raadhuis ‘Ronduit’ met een mooi, breekbaar torentje op de nok, van de dijk werd verwijderd, was een cultuurhistorisch monument ten onder gegaan. Het was zestien jaar na de watersnoodramp van 1953. Afgezien van wat regulier onderhoud door dijkwerkers, was decennia lang vrijwel niets aan de rivierdijken gedaan. Als voorbeeld gold de ‘scheur van Ochten’ die al bij de hoogst bekende waterstand in 1926 was gesignaleerd, maar nooit was verholpen. Via de Deltawet uit 1958 was Nederland bezig met de bouw van de Deltawerken om zich te beveiligen tegen stormvloeden vanuit zee. Op aandringen van onder meer de provincies Gelderland en Overijssel nam de Tweede Kamer in 1962 een motie van het SGP-kamerlid Van Rossum aan om eveneens de rivierdijken te gaan verzwaren. Zo zou ook met het water uit het achterland afgerekend kunnen worden. Met die operatie in het vooruitzicht werd helemaal niéts meer aan de dijken gedaan. Leen Goedegebure, hoofd onderhoud bij het polderdistrict Betuwe, zou later zeggen: ‘Toen ik hier een kwart eeuw geleden kwam werd gezegd: ‘Binnenkort worden de dijken verzwaard. Dan komt alles in orde. Laten we niet al te veel tijd en geld in het onderhoud steken. Maar ja, die dijkverbetering werd maar uitgesteld en vertraagd. Ondertussen bleef het onderhoud minimaal.’ Toen stond, onder leiding van huisarts Van de Beek, de stichting Dorp en Landschap Bommelerwaard op. Een enquête wees uit dat bijna negentig procent van de inwoners tegen afbraak van het dorp Brakel was. De politieke partij die uit de stichting voortkwam haalde in 1974 eenderde van alle stemmen in de gemeenteraad. Het was te laat om het dorp te redden. Maar in Herwijnen, Varik, Opijnen, Neerijnen, IJzendoorn, Oosterhout en overal in het rivierengebied werd het protest overgenomen. Tenslotte werd in de Tweede Kamer een motie van W. Albers (PvdA) aangenomen die de komst betekende van een commissie-Rivierdijken. Die zogenaamde ‘commissie-Becht’ bracht in 1977 een rapport uit waarin stond dat de overschrijdingskans van het Maatgevend Hoog Water, dat is de waterstand waarop de dijk berekend is, kon worden teruggebracht van 1/3000 tot 1/1250 per jaar. De dijken zouden daardoor niet alleen lager kunnen. Er werd ook de idee van uitgekiende ontwerpen geïntroduceerd. Dijken konden, zo had de commissie bedacht, creatiever en doordachter worden aangelegd met minder schade voor de omgeving. Met behulp van nieuwe technieken zoals erosieschermen, damwanden en kistdammen zouden de dijken minder volumineus hoeven te worden. En voor de eerste keer werden de begrippen natuur, cultuur en landschap genoemd. De aanbevelingen waarmee de commissie-Becht niettemin kwam, waren vooral te danken aan ambtenaar ir. W. van der Klei die als secretaris optrad en een compromis formuleerde. Een minderheid in de commissie was tegen. Het onverzoenlijkst gedroeg het SGP-kamerlid Van Rossum zich, ook lid van de commissie-rivierdijken. Toen ik Van Rossum later in zijn huis in Zeist ontmoette zei hij: ‘Natuurlijk was ik erop tegen en ik heb ook nooit iets ondernomen om het rapport in praktijk te brengen. Ik was een minderheid. Ik wilde het niet.’ Van Rossum zou nog jaren voorzitter blijven van de Gemeenschappelijke Regeling Dijkverbetering Gelderland. Hij zou nooit een poging doen nieuwe inzichten tot stand te brengen en het gezag met het verzet te verzoenen. Vanuit de kantoren van de (Gelderse) polderdistricten bleven plannen komen waarin nauwelijks rekening werd gehouden met landschap en cultuur. Zo kregen in het begin van de jaren tachtig tientallen gezinnen aan de Waaldijk in Neerijnen nog een simpel briefje annex tekening van het polderdistrict toegezonden. Met een rood kruis was aangegeven dat de woning van de geadresseerde zou worden afgebroken. Jarenlang had het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden gedelibereerd en gestudeerd over de verzwaring van een van de mooiste dijkvakken aan de Waal, dat tussen Opijnen en Waardenburg. Maar altijd moest of de strang, een oude rivierarm aan de buitenkant, of een deel van een oud parkbos aan de binnenkant van de dijk bij Neerijnen verdwijnen. Het ontbrak het polderdistrict aan kennis en fantasie om de inwoners van het dorp tevreden te stellen. En weer rees het verzet. Nadat het plan voor Neerijnen voor de zoveelste maal tegenstand had ontmoet en het het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden niet gelukt was met goede oplossingen te komen, boden jonge ingenieurs van de Bouwdienst hulp aan. Op een koude avond van de 13e november 1992 riep ir. W. Korf, toen hoofd van de afdeling Waterbouw van de Bouwdienst, alle belangengroepen bijeen in het buurthuis van Opijnen. De Unie van Waterschappen was er ook en liet zich bijstaan door ingehuurde communicatie-deskundigen. Ze bleken zo slecht op de hoogte dat ze werden weggehoond. De belangengroepen waren niet eensgezind. De stichting Red ons Rivierenlandschap uit Amsterdam, met prominente leden als Willem den Ouden en Willem van Toorn, bleef wantrouwend en trok zich terug op de Dam. De Gelderse bewoners- en milieugroepen wilden met Korf het avontuur aangaan. Zo ontstond het proefprojekt Waaldijk-Neerijnen. Wat het polderdistrict eerder nooit vermocht, gelukte nu: de zogenaamde ‘poort van Neerijnen’ met dijkwoningen en het café, het parkbos rondom het kasteel, de strang, het populierenbos, de molen met de molenaarswoning en een dijkmagazijn bleven gespaard. Zo werd in 1992, vijftien jaar na de commissie-Becht weer een nieuwe commissie geformeerd om het verzet tegen de dijkverzwaringen te doorbreken. Een breed front van bewoners- en milieugroepen had zich verzameld in de stichting Red ons Rivierlandschap. De verslaggevers Huib Goudriaan in Trouw enMarc Chavannes in NRC Handelsblad volgden het protest alert en inspireerden kamerleden. De minister van verkeer en waterstaat mevrouw J.R.H. Maij-Weggen (CDA) werd er wrevelig van: ‘De discussie gaat maar door,’ constateerde ze bits. Ze wilde aanvankelijk niets. Geen milieueffectrapportage (m.e.r.), geen kwelschermen, kistdammen of damwanden en ze wilde vooral niet ‘de geschiedenis ingaan als de minister die verantwoordelijk kon worden gesteld voor een dijkdoorbraak met doden en gewonden.’ Maar tenslotte moest ze wel instemmen met de roep van D66, Groen Links en de PvdA voor een ‘breder maatschappelijk draagvlak’. Er kwam een commissie Toetsing uitgangspunten rivierdijkversterkingen, alias de commissie-Boertien 1. Die presenteerde begin 1993 een voor een deel vergelijkbare remedie als de commissie-Becht:
De Minister van Verkeer en Waterstaat vond het ineens allemaal prachtig. Ze was ‘onder de indruk’ over wat technisch mogelijk was. Ze had er zelfs een paar honderd miljoen extra voor over en vond dat de motie-Eversdijk, waarin de Tweede Kamer had geëist dat de dijkverzwaringen rondom 2000 zouden zijn afgerond, kon wachten. Ook op het provinciehuis in Arnhem gloorde licht. Gedeputeerde Van Dijkhuizen lanceerde het Gelders Rivierdijkenplan (GRIP) waarin de voorwaarden werden omschreven voor de dijkverzwaringen. In de Dijkenkrant zei hij: ‘Het wordt nu echt allemaal anders. De politiek is wakker geworden. Wij, het provinciaal bestuur, de waterschappen en ieder die bezig is met de dijken worden gedwongen het anders te doen. Er is sprake van een grote cultuuromslag.’ Er trad kortom geruisloze verandering in. Het rapport van de commissie-Boertien I dat later verscheen was daar hoogstens een bevestiging van. Tegenstanders van dijkversterkingen bestonden niet, wel tegenstanders van onfatsoenlijke versterkingen. Toen kwam het hoge water van Kerstmis 1993, gevolgd door een nog hogere afvoergolf in januari/februari 1995 en sloegen even angst en onverdraagzaamheid weer toe. Kamerleden verloren hun hoofd. Premier W. Kok riep om een Deltaplan voor de grote rivieren. De stichting Dijkverzwaring Levensbelang van baron Van Verschuer stuurde desinformatie rond en kastijdde met dreigende taal degenen die bezwaarschriften en beroepen durfden te schrijven tegen de dijkverzwaringen. In die sfeer kwam in de kortst mogelijke tijde de Deltawet Grote Rivieren tot stand, bedoeld voor versterking van de onveiligste dijkvakken in het stroomgebied van de Rijn en kadeaanleg aan de Maas in Limburg. Met deze speciale noodwet zou verbetering van de dijken op de meest kwetsbare plekken drastisch kunnen worden versneld. Zo’n honderd kilometer van de bijna zevenhonderd kilometer nog te versterken dijken, zouden een spoedbehandeling krijgen. Allerlei procedures, zoals milieueffectrapportage (m.e.r.) waartegen waterschappen voor Boertien I altijd te hoop waren gelopen omdat die zoveel tijd vergden, werden buiten werking gesteld. Het hoge water, de evacuatie die volgde en het begrip van de argeloze massa voor het gevaar, hadden veroorzaakt wat de dijkgraven en hun medestanders altijd hadden gewild. Het wonderlijke was dat eigenlijk niemand misbruik van de situatie maakte. Overal werden dijkbewoners en belangengroepen gevraagd een oordeel te geven over de plannen. Jan Coopmans van de Groene Long in Oosterhout, kritisch tot in het bot, vertelde: ‘Als je ziet hoe het polderdistrict Betuwe hier die dijkverzwaring heeft aangepakt, niets is doorgedrukt. Voor elk dijkvak hebben ze de direct belanghebbenden bij elkaar geroepen. Die boom kan blijven, maar dat huis moet echt weg. Of weten jullie een betere oplossing, werd dan gevraagd. Hier is geen woord van ongenoegen gevallen. Bezwaarschriften? Nul. Procedures? Nul. We mochten wensen, zeg ik wel eens, dat heel Nederland door zo’n waterschap bestuurd werd.’ Jacqueline van Rijn uit IJzendoorn: ‘Het polderdistrict heeft het heel goed gedaan. Je werd keurig op de hoogte gehouden via publicaties. In één van de gesprekken vond ik het vervelend dat een oude waardevolle sloot verdween. Toen hebben ze het tracé van de dijk opgeschoven om de sloot te sparen. Er mislukte ook wel eens wat, maar daar werd dan uitvoerig een verklaring voor gegeven. Een wandelpad werd wel aangelegd. Er werd naar je geluisterd en je werd serieus genomen. Je merkte ook dat er allerlei nieuwe mensen bij het polderdistrict waren gekomen die gevoel hadden voor de natuur.’ |
|
Hoe de provincie een kleine drie miljoen gulden in beslag nam van de polder Op het moment dat de adviezen van Boertien I werden overgenomen en in praktijk gebracht, kwam ook verandering in de manier van financieren van de dijkverbetering. Besloten werd de provincie te belasten met het uitvoeren van de subsidieregeling. Om die functie van kassier mogelijk te maken, hevelde het rijk zijn depot aan subsidiegelden over naar de provincie. De waterschappen bleven overigens verplicht een deel van de kosten van dijkverbetering via de eigen belastingheffing te betalen. |
| Voor de polderdistricten werd het spitsuur. Iedere civiel ingenieur, elk adviesbureau in Nederland werd benaderd om kennis en mankracht te leveren. ‘Als je nu nog mensen wilt inzetten zijn die eigenlijk niet meer te vinden,’ zei Kok van Groot Maas en Waal eind 1995. Aannemers beleefden gouden jaren. In de periode van schaarste die aanbrak konden ze vragen wat ze wilden. Volgens Kok lagen de bedragen van inschrijving tien tot twintig procent boven de aanvankelijke ramingen: ‘Er is zoveel werk dat concurrentie niet meer bestaat. Om mensen in dienst te krijgen moeten we toeslagen betalen en zelfs dan lukt het soms niet om goed personeel te krijgen.’ Het polderdistrict Betuwe had wat aanbesteding van werk betreft mildere ervaringen. Alleen het dijkvak Haalderen-Lent kostte duidelijk meer dan begroot.Soms leidde de bezorgdheid tot overdreven maatregelen. De ministers geconfronteerd met opstandige burgers uit het stroomgebied van de Maas, gaven opdracht tot de oprichting van een Commissie Watersnood Maas, ook wel aangeduid als commissie-Boertien II. Het resultaat was de aanleg van zestig kilometer kleine kades. Ze werden door hulpbisschoppen en pastores ingezegend. Maar het was een maatregel die de gevaren eerder groter maakten dan verminderden, wist ir. A.W.van der Hoek, hoofd van de afdeling waterkeringen van Rijkswaterstaat. ‘De kans op wateroverlast is kleiner geworden maar als het water over de kades komt of de kades breken, bestaat het gevaar dat omwonenden niet op tijd kunnen wegkomen. Mensen zullen bij een hoge waterstand nog steeds moeten worden geëvacueerd. Zij denken ten onrechte veilig te zijn. Daardoor kunnen de persoonlijke gevolgen veel ernstiger worden dan in de oude situatie,’ zei hij begin 1996. Terwijl de zee rijst, klinkt achter de duinen het land in. Dr. ir. G. Blom, ooit de hoogste man van Rijkswaterstaat, zei me eens: ‘Technisch kunnen we het in Nederland heel lang volhouden. Wat me bijblijft is het verhaal dat ik eens op een congres hoorde. Hoe zal een samenleving zich gedragen die zich achter een muur van water bevindt? Er zouden dan wel eens zoveel problemen van sociaal-psychologische aard kunnen ontstaan dat uitsluitend technische oplossingen niet meer helpen.’ De commissie-Tielrooij vond dat ook. ‘Op lange termijn zijn technische oplossingen geen verstandige keuze.’ Hogere dijken betekenen grotere gevaren en bovendien het tarten van bezwaren ‘omdat de maatschappelijke weerstand tegen een nieuwe ronde dijkverhogingen aanzienlijk zal zijn.’ Het had allemaal veel te maken met de verlichting die aan het eind van de twintigste eeuw binnen waterstaat was aangebroken. Ingenieurs werden aangezet met frisse en onorthodoxe ideeën te komen om het verzet tegen de plompe manier van dijkverzwaring te breken. Dijkgraven en heemraden leerden verder te zien dan hun eigen polder. |
|
Een dijk tegen het Russische gevaar Dwars door de Over-Betuwe, van Elden tot aan Lent aan de Waal, zijn de overblijfselen zichtbaar van een kade die de defensiedijk heet. De dijk is in het diepste geheim ontworpen en in het begin van de jaren vijftig in ijltempo opgeworpen. Volgens oud-dijkgraaf Daan Tap heeft aannemer Van Broekhoven er destijds goud aan verdiend. De defensiedijk was bedoeld als barrière tegen een mogelijke inval van de Russen. De dijk moest het mogelijk maken een groot deel van het gebied in de boven Betuwe onder water te zetten. De Russische legioenen zouden vervolgens, zo hadden strategen bedacht, tot stilstand komen bij de waterplas. |