… en de wijsheid van Rijswijk
| Hetzelfde water
‘Ons lage land aan zee is een groot lijf Geen netwerk dat je ongestraft verbouwd (Gerrit Komrij, rijksdichter, 2000) … en de wijsheid van Rijswijk Of hoe het polderdistrict zich bekeerde tot nieuwe technieken en de weg van overleg Hoofdstuk 5 Het oude dorp is een straat met hooguit twintig huizen en dijkboerderijen. Tegenover De Wildeman loopt een weg dood in de buitenpolder. Een hek, een huis en ver weg een steenfabriek op een schiereiland tussen kleiputten. In de verte, over de rivier, een silhouet in de zon met een spitse toren, een nooit afgebouwde domtoren en een molen. Huizen lichten wit op. Als de veerpont aanlegt, rijden auto’s in karavaan slalommend langs obstakels in de weg naast de later gebouwde nieuwe wijk, die het aanzien niet waard is. Het scheelde niet veel of Rijswijk was Brakel achterna gegaan. Lege plekken in de dijkbuurt herinneren aan het begin van een koude sanering toen schoonheid nog niet op waarde werd geschat. En heel lang dreigde afbraak of de aanleg van een hoge nieuwe dijk door de uiterwaarden die het dorp zou scheiden van zijn vergezicht. Twee jaar later, eind 1996, had de Rijnbandijk door Rijswijk stalen damwanden gekregen, via hoogfrequentietrillen verticaal in het hart van de dijk gedrukt. De dijk zelf zou dertig centimeter hoger worden, een beetje minder steil en in hoog tempo worden aangelegd. Tegelijkertijd voerde de gemeente éénrichtingverkeer in, kwam er een verbod voor vrachtauto’s en werd bereikt wat nagestreefd was: behoud van natuur, landschap en cultuurhistorie én meer veiligheid. Aan het eind was iedereen – zelfs de weifelende minderheid – gelukkig. Dijkbewoner G.P. Smaling, eigenaar van een huis waarin ooit de hoefsmid zat, zei: ‘Wij hebben geluk gehad. Zonder Brakel was er geen Boertien gekomen en zonder Boertien zou Rijswijk nog maar de helft zijn geweest van wat het nu is.’ Sindsdien werd ook wel gesproken over de ‘wijsheid van Rijswijk’. Het voorbeeld van Rijswijk zou in de jaren daarna overal in de Betuwe worden gevolgd. Maar eerst moest een sprong in de tijd worden gemaakt en laat negentiende-eeuwse opvattingen worden afgezworen. Hans van Leeuwen had een kwart eeuw deel uitgemaakt van het polderbestuur. Eerst als hoofdgeërfde, later als heemraad. Hij was Daan Taps kroonprins. Toen hij in oktober 1993 dijkgraaf werd, verscheen op hetzelfde moment het rapport van de commissie-Boertien I. Van Leeuwen was geen hemelbestormer, maar hij voelde dat er andere tijden kwamen. In de dijkstoel zei hij: ‘Jongens we zijn te introvert. We moeten veel meer naar de burger toe. We moeten met onze tegenstanders aan tafel gaan zitten.’ Het adagium binnen het waterschap luidde toen nog, hard werken, je mond dicht en de hand op de knip. ‘Het grapje ging dat de vader van Daan Tap dat niet voldoende vond. Die zei, de knie op de knip dan heb je beide handen vrij om te werken. Dat was introversie in het kwadraat,’ vond de nieuwe dijkgraaf. Zijn opvolger Van Leeuwen had daarom veel uit te leggen. Rijswijk zou een van de eerste dijkvakken worden dat volgens het bestek van Boertien werd verbeterd. En daarna trok hij, samen met het toenmalige hoofd technische dienst Johan van Meegen en hoofd dijkverbetering Ger de Vrieze, avonden lang door het district om adviesgroepen voor te zitten die moesten oordelen over de ruim honderd kilometer lange dijkverzwaring in de Betuwe. Dijkvak IJzendoorn-Amsterdam-Rijnkanaal 5,6 km; Loenen-Dodewaard 6,3 km; Elden-Driel 6,3 km; Eck en Wiel-Maurik 4,9 km. En zo verder. Hij haalde een functionaris binnen voor de publiciteit. Hij ging thema-avonden beleggen voor het bestuur. Van Leeuwen zei: ‘We keken eerst zorgelijk tegen de milieueffectrapportage aan. Ik zei, laten we het toch maar proberen, het kan ook helpen om draagvlak te ontwikkelen. Ik bewaar er de fijnste herinneringen aan. We kregen respect voor elkaar. We liepen met al die mensen van de adviesgroepen over de dijk. We keken. We vergaderden in de bus. Ik nodigde iedereen uit aan tafel. Voor het waterschap was het wennen maar uiteindelijk hebben ze ons gediend en geholpen. Ik heb wel eens gedacht, wij waren het tegenbeeld van hoe Nijmegen het toen deed met de Waalsprong. Als bestuurder moet je dienstbaar zijn. Als boer zeg ik, eerst je zaaibed bereiden. Als je zo ver bent om te planten en te poten ligt alles gereed.’ Behalve met de erfenis van traditionele voorgangers, zuinigheid en oude ingesleten gewoonten, had de nieuwe dijkgraaf ook te maken met een behoudende adviseur, Heidemij Adviesbureau. Generaties lang huisadviseur van eerst Nederbetuwe en Over-Betuwe en later het polderdistrict Betuwe. In de laatste dertig jaar van de vorige eeuw trad Theus Kamermans op als vaste gesprekspartner. Want hij was veel meer dan projectleider. Hij was zo omschreef hij zichzelf ‘verlengstuk van de technische dienst van de polder’. Vanaf begin jaren zeventig was hij vrijwel dagelijks met dijken bezig – ‘soms lag de boel een paar maanden plat en dat kwam omdat Becht of Boertien bezig waren’. Alle technische klussen deed Heidemij. Plannen opstellen, bestek maken, controleren, directie voeren tot aan aanbesteden toe. Kamermans schreef zelfs een gunningsadvies dat altijd door de dijkstoel werd overgenomen. Of het nou om ruilverkaveling ging, dijkverbetering, gemaal of een duiker – alles passeerde de ingehuurde sluiswachter. Het polderdistrict had een man en een paardenkop in dienst. De technische dienst bestond – de buitendienst uitgezonderd uit een hoofd, een hoofd dijkverbetering en een tekenaar die ook de legger bijhield. Het polderdistrict concentreerde zich op de procedurele en procesmatige afhandeling van de dijkverbeteringsplannen. Het kwam er op neer, zei Kamermans, dat hij bijna alles deed behalve het onderhoud. Jaarlijks haalde Heidemij uit de Betuwe een omzet binnen van een miljoen gulden. In 1996 ging Kamermans met vervroegd pensioen. Want met klantvriendelijkheid en loyaliteit was Heidemij groot geworden. Altijd waren andere de echte boosdoeners. Kamermans zei: ‘Weet je wie de grootste schuldige was? De provincie. Een paar ambtenaren zeiden, de dijk moet honderd procent technisch goed zijn. Er mogen geen damwanden in, want die gaan roesten en over veertig jaar vallen ze uit elkaar. Grond blijft altijd goed dus moet een dijk van grond zijn. Als je dan durfde voor te stellen, laten we er eens een scherm inzetten dan werd je als het ware het provinciehuis uitgeschopt. De provincie hanteerde ook als regel dat je binnen tien meter uit de teen van de dijk niets mocht bouwen. Als ik met een oplossing kwam die dat wel mogelijk maakte, mocht het niet. Je kreeg technici tegen je, je joeg provincieambtenaren tegen je in het harnas. Zij waren absoluut traditioneel. De omslag kwam met Boertien. Toen hebben de waterschappen en de provincie op hun falie gekregen.’ |
|
‘Basalt is het allermooiste dat er is.’ Wim de Koning is steenzetter. Op elke strekdam in de Waal, van Dalem tot Ochten, is hij geweest. Op elke glooiing van de dijk heeft hij gestaan. Hij begon op z’n veertiende en hij is nu ruim vijftig. Een steenzetter laat dagelijks dertig tot veertig ton steen door z’n handen gaan. Wim de Koning moet in z’n leven daarom zo ongeveer een half miljoen ton steen hebben verplaatst. Voor het eerst heeft hij het in z’n rug. Hij zit thuis in Hardinxveld, heeft een twinkeling in de ogen en zegt liefde voor zijn werk te voelen: ‘Ik begon met opperen en als stopjongen. Ik maakte bedjes van breek- en slooppuin. Tegenwoordig wordt gezet op natuursteen, grauacke noemen we dat. Van lieverlee mocht je stenen mee gaan zetten. Op m’n achttiende was ik vol en vol houdt in dat je zelfstandig naar elk werk kan worden gestuurd.’ |
| Op het provinciehuis was Kamermans’ gewichtigste contact Coen Volp. Hij maakte lange tijd deel uit van de Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen (TAW) en wist daarom als geen ander wat goed is voor de dijk. Hij zei: ‘Een dijklichaam kan vijfhonderd jaar bestaan zonder dat je er iets aan hoeft te doen. Maar die damwanden hebben in principe een veel kortere levensduur, dertig tot veertig jaar misschien. Je weet nooit wanneer ze gaan rotten. Vroeger dachten ze ook al dat die flats en betonnen palen in het water het eeuwige leven hadden. Maar alles gaat ten onder. De TAW heeft vastgesteld dat zodra vreemde elementen in de dijk worden gebruikt, de veiligheid zienderogen afneemt. Het is een onderwerp van studie.’ Carlo Zimmerman, van het projectbureau Veiligheid Nederland in Kaart bevestigde dat. In Sliedrecht en Hardinxveld, waar al omstreeks de jaren tachtig kistdammen in de dijk waren gestopt, werd op grond van ‘vermoeden’ dat de veiligheid daar lager scoorde een onderzoek begonnen. Volp vertelde hoe in de periode vóór Boertien Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland, de waterschappen en de adviseurs van de waterschappen elkaar tot op de millimeter bestreden: ‘Ze sloegen elkaar de hersens in. Pas nadat overeenstemming werd bereikt over nieuwe methoden bij dijkversterkingen, veranderde veel. Rijkswaterstaat ging om. Iedereen ging anders denken en was bereid compromissen te sluiten.’Dijkgraaf van Leeuwen opereerde in een breukvlak van de tijd. De hiërarchie van weleer was verdwenen. Tradities en conservatisme verloren het van nieuwlichterij. Johan van Meegen herinnerde zich dat, toen hij begon, voorstellen hamerstukken waren. ‘Alles was voorbereid in de geest zoals dijkstoel en gecombineerd college dat wilden. Het ambtelijk apparaat was sterk ondergeschikt aan het bestuur. Pas in de afgelopen tien jaar veranderde dat. Voor het eerst gingen ambtenaren en bestuur met elkaar in discussie. Ontzag en angst verdwenen met behoud van respect. Iedereen durfde met ideeën te komen.’ Ook de agenda van dijkstoel en gecombineerd college veranderde drastisch. Werd tot dusver vergaderd over ontegenzeggelijk belangrijke vraagstukken als de aanschaf van een Atlas-kraan, het verlagen van het peil om aardappels te kunnen rooien, de bestemming van een verlaten dienstwoning, muskusrattenbestrijding en ongrondingsaanvragen – nu dienden zich indringende discussies aan over natuurvriendelijke oevers, stedelijk water, ingrijpende veranderingen in het gebied en over duurzaamheid. Het was ook de tijd dat de rapporten van Boertien verschenen. De algehele plicht tot milieueffectrapportage bij dijkverbetering werd ingevoerd. In het provinciehuis en de ambtshuizen sloeg de stemming om en werden nieuwe technieken als min of meer vanzelfsprekend aanvaard. En er was Europese wetgeving gekomen die het in 1993 aannemers verbood nog langer vooroverleg te voeren bij aanbestedingen. Die veranderingen konden weldadig zijn, omdat het mogelijk werd los te geraken uit dat vastgeroeste kringetje van waterschap-huisadviseur-subsidiënt/toezichthouder-huisaannemer – waaruit nog maar zelden een frisse gedachte omhoogkwam. In het oude systeem was alles nog eenvoudig. Concurrentie bestond niet of nauwelijks. Aan aanbestedingen voor advieswerk werd niet gedaan. Heidemij noemde een prijs waar soms met enig onderhandelen wat van af werd geknabbeld. ‘Vijf ton was vijf ton en het kon zes worden want we werkten op basis van tijd en tarief. We moesten soms hemel en aarde bewegen om elk werk gesubsidieerd te krijgen. Het duurde wel eens meer dan een jaar, maar het geld kwam altijd. Het polderdistrict Betuwe had genoeg geld en financierde het bedrag voor,’ zei Kamermans. Er bestond over en weer groot vertrouwen. En aannemers hanteerden onderlinge codes. De oud-projectleider van Heidemij vertelde hoe het tot 1993 toeging als aannemers bij elkaar kwamen voor de vooraanbesteding: ‘Ze legden een prijs op tafel en de aannemer met het laagste bedrag kreeg het werk. Iedereen die serieus had meegedaan kreeg vervolgens een rekenvergoeding. Dat betekende dat de aannemer die het werk werd gegund tien tot twintig keer, afhankelijk van het aantal inschrijvers, een rekenvergoeding betaalde aan z’n collega’s. Soms een paar duizend, soms enkele tientallen duizenden guldens. Dat systeem werd door ieder erkend, een secretaris van de aannemersbond zat er bij en lette op dat alleen geregistreerde leden meededen. Ik heb het meegemaakt dat een van mijn directeuren mee naar binnen wilde om te zien hoe het er aan toe ging. Hij mocht er niet in, want de mensen binnen dachten dat hij een vreemde aannemer was. Ze stonden te posten bij de deur, er gebeurden gekke dingen. Er zaten loonwerkers bij die zich langzaam aan het opwerken waren tot aannemer. Die wilden wel eens diep onder de prijs doorgaan. De mannen die aan de deur stonden te posten probeerden hen tegen te houden. Als wij je nou dit bedrag geven, ga je dan weg? Soms kwamen er onderkruipers, die werden ook ter plekke uitgekocht. Als wij openbaar aanbesteedden en een werk echt aan de vrije concurrentie overlieten, dan hadden die aannemers ook contact met elkaar. Als ze het niet eens konden worden, dan brandden ze elkaar af. Dat is altijd zo geweest. De kentering kwam met de Europese wet. De rekenvergoeding verdween, het werd een economisch delict waarvoor je in de gevangenis kon belanden. Aan de praktijken kwam vanzelfsprekend niet zomaar een eind.’ Kamermans vertelde zijn verhaal in de herfst van 2001. We hadden een afspraak gemaakt juist in de week toen de Nederlandse politiek hevig in beroering was gebracht door alle publiciteit rondom de schaduwboekhouding van een voormalig directeur van Koop Tjuchem, over frauduleus gedrag van bouwondernemingen bij aanbestedingen. Het polderdistrict heeft naar aanleiding van de ‘bouwfraudezaak’ eind 2001 onderzocht of bij de aanbesteding van werken wellicht ook sprake zou kunnen zijn geweest van onrechtmatigheden. Die werden niet gevonden. Het polderdistrict Betuwe werkte met meerdere aannemers maar de Groep Midden Betuwe van de gebroeders Van de Pol uit Opheusden was, volgens Kamermans, de huisaannemer. Met de komst van de Europese wetgeving moesten alle projecten boven de elf miljoen gulden Europees worden aanbesteed. Advieswerk dat meer dan viereneenhalve ton kostte, ontkwam daar ook niet aan. Vanzelfsprekendheden verdwenen. Nieuwe aannemers, ook van buiten Nederland, gingen in het rivierengebied opereren. Voor het polderdistrict Betuwe veranderde overigens weinig, zei Johan van Meegen die in die periode hoofd technische dienst was. Betuwe was altijd al gewend openbaar aan te besteden. De hausse van werk die na het hoge water van 1995 in de dijkverbetering ontstond, had wel de komst van veel nieuwe, soms ook Belgische, aannemingsbedrijven tot gevolg. In het begin van de nieuwe eeuw was de dijkverbetering rondom de Betuwe vrijwel voltooid. Echt klaar kwamen de dijken vanzelfsprekend nooit. Op het ogenblik dat bij Opheusden aan de Neder Rijn de laatste bulldozers klei tegen de oude dijk reden, kondigde het kabinet alweer nieuwe grenzen af. Demaatgevende afvoer – dat is de hoeveelheid water bij Lobith die als uitgangspunt wordt genomen voor dijkontwerpen – lag voor de Rijn op 15.000 kubieke meter per seconde en werd verhoogd tot 16.000. De dijken zouden dus duizend kubieke meter water per seconde meer moeten kunnen keren. Een nieuwe ronde dijkverzwaringen lag zo snel niet in de rede. Daarom was besloten dat er Ruimte voor de Rivier moest komen: het extra water moest worden opgevangen door terugleggen van stukken dijk, verlagen van uiterwaarden en verwijderen van knelpunten waar het water te hoop liep. Johan van Meegen waarschuwde wel dat dijkverhogingen ‘niet uitgesloten’ waren, maar ze zouden hoogstens het ‘sluitstuk’ zijn. |