Het einde van een geschiedenis
| ‘God weet: ik heb mijn verzen uitgestort
voor wie ik nimmer zag noch ooit zal zien Misschien is het een erfgenaam: nadien (Ida Gerhardt, uit ‘Het Sterreschip’) Het einde van een geschiedenis De invloed van boeren verschrompelt. De stad neemt bezit van het land. De macht van de projectontwikkelaars en de strijd om de ruimte. Het nieuwe waterschap worstelt met de vraag hoe het verder moet Hoofdstuk 10 Zo zullen er van de ongeveer drieduizend waterschappen van na de oorlog zo’n vijfentwintig overblijven. En op een paar heemraden en dijkgraven na had niemand geprotesteerd. In de laatste dagen van de Betuwe arriveerden, behalve die van het polderdistrict Betuwe en het waterschap van de Linge, welgeteld drie individuele beroepen bij de Raad van State tegen de opheffing van het polderdistrict. Ze kwamen van oud-dijkgraaf J.G. van Leeuwen, van de vroegere secretaris-directeur J. Litjens en van diens trouwe oud-secretariemedewerkster A. Coenen-Grootelaar. Maar aan de gewone stervelingen was het verscheiden volstrekt ontgaan. Geen lijsten met handtekeningen, geen demonstraties voor het provinciehuis – al was het maar uit weemoed om het verlies van een bijna zevenhonderd jaar oude traditie. Hoe kon zo’n oud instituut zo falen zich in de hoofden en harten van de ingelanden te vestigen? In NRC/Handelsblad constateerde een onderzoeker van het Rathenau Instituut, balorig dat waterschappen als overheid uit de tijd zijn. ‘Zij kunnen alleen nog iets voorstellen als ze zich niet langer opknopen aan hun middeleeuwse navelstreng.’ Een oud-medewerker van Rijkswaterstaat had de waterschappen eerder beschuldigd van neerzitten en stilzwijgen toen vanaf de jaren zestig alsmaar meer woonwijken verrezen in de diepste delen van de polders. De veiligheid was erdoor in het geding gekomen. De waterschappen hadden verzaakt. Ze waren te lankmoedig geweest. Ze waren niet opgestaan als ze hadden moeten opstaan. Ze waren niet in verzet gekomen als ze in verzet hadden moeten komen. Vanuit Den Haag werd steeds luider gemopperd over de waterschappen als relikwieën uit een ver verleden, bestuurd door lokale mandarijnen. Het betekende ook de aankondiging van het einde van een geschiedenis. Gedeputeerde Johan de Bondt schetste de toekomst met een tienbaans brede transportas, inclusief de Betuweroute, door het hart van Gelderland. Arnhem en Nijmegen zouden verder naar elkaar toe groeien. Het Multimodaal Transport Centrum (MTC) zou heel groot worden, met werk voor tienduizend mensen. Rijksweg A15 zou worden doorgetrokken in oostelijke richting. En overal kwamen nieuwe woonwijken en zouden industrieterreinen worden vergroot. De gedeputeerde had er gemengde gevoelens over, was er niet trots op. Maar zo lag die ontwikkeling nu eenmaal besloten in de loop der dingen. De stad was bezig allengs bezit te nemen van het land. Andere tijden waren aangebroken. Waterschap Rivierenland telde zesendertig bestuurders, onder wie zes heemraden. Het scheelde maar even of dijkgraaf G.N.Kok had gewoon als voorzitter door het leven moeten gaan. Maar de provincie stemde uiteindelijk in met de titel van dijkgraaf. De benamingen dijkstoel, hoofdgeërfde en gecombineerd college sneuvelden in de hang naar modernisering. Het kantoor van Kok herinnerde eveneens niet meer aan de oude tradities. Een paar oude prenten van overstromingen met mensen die zich vastklemmen op ronddobberende daken. Maar voor de rest strak, steriel en zakelijk. Zonder de ornamenten van het notenhouten bureau en de loodzware, zwarte ebbenhouten stoel – een erfenis van dijkgraaf Jacob Rau van Gameren – die in Elst waren achtergebleven. Rivierenland was bestuurlijk tijdelijk gehuisvest in het gebouw van het vroegere polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden. Rivierenland zou uiteindelijk naar Tiel verhuizen. Kok werkte ooit in Lelystad als directeur van het Praktijkonderzoek van de veehouderij. Hij was er daar in geslaagd een eigen Animal Farm in te richten. Varkens, pluimvee, paarden, schapen – alle proefvoorzieningen voor die dieren had hij er samengebracht. Hij beschikte ontegenzeggelijk over een agrarische achtergrond. Toch verbaasde hij zich telkens weer over de vitaliteit van de boeren. Van de zes heemraden in het dagelijks bestuur van Rivierenland waren er drie boer. Kok zei: ‘Ze hebben het toch weer voor elkaar gekregen. Omdat ze zo goed georganiseerd zijn, blijven boeren grote invloed houden. Maar uiteindelijk gaan de agrariërs het verliezen. Dat is de consequentie van het nieuwe systeem. Bij elke nieuwe verkiezing zal dat duidelijker worden. Met een lage opkomst van de burger en een hoge opkomst van de boeren kunnen ze het nog wel een tijdje volhouden.’ Dijkgraaf Kok vertelde over het nieuwe belastingsysteem, de methode-Delfland die de methode-Oldambt had vervangen. Bij de Delfland-methode worden meer kosten doorberekend aan burgers en bedrijven. De categorie ongebouwd, de boeren, betaalt minder belasting. Maar dat nieuwe systeem betekent ook dat het aantal zetels voor de boeren minder wordt. Lobbyen bij de groep ingezetenen kan helpen. Anders dreigde voor de boeren ooit hart, ziel en ruggengraat van de waterschappen voorgoed de rol van backbencher of volstrekte afwezige. En in de eenentwintigste eeuw steeg het water, zakte het land, liep de temperatuur op en viel de regen in puntbuien – onvoorspelbare, ongekende en intensieve buien die als ze, zoals ooit, veertig dagen en veertig nachten aanhouden een zondvloed veroorzaken. Hogere dijken vormden geen oplossing meer. Het water moest meer ruimte krijgen. Het land verloor terrein. En tegelijkertijd was de stad bezig bezit te nemen van het platteland omdat de stad ruimte nodig had. Het was tijd voor omverwerping van oude verbonden. Het was tijd voor nieuw elan, voor een nieuwe ordening. De oud-gedeputeerde van Zuid-Holland en oud-dijkgraaf in Noord-Holland, Hans van der Vlist, voorzag het einde van het waterschap. Hij toonde zich een hartelijk voorstander van het waterketenbedrijf, de symbiose van drinkwater, riolering en waterzuivering, van samenwerking tussen gemeenten en waterschappen en van meer macht voor de provincie. En de medewerker van het Rathenau-instituut Peter van Rooy viel hem bij: ‘De hang van het waterschap naar behoud van de positie van medeoverheid, met eigen verkiezingen en rechtstreekse inkomsten vormt een obstructie voor het realiseren van het waterbeleid.’ De Unie van Waterschappen ontkende elke grond voor die aanslagen op haar bestaan. Zo meende voorzitter De Graeff dat het waterschap met de waterkansenkaart in de hand behoort aan te geven waar wel en waar niet gebouwd mag worden. Maar wat staat het waterschap te doen als niemand luistert? Als de algemene democratie volhardt wijken te bouwen terwijl het waterschap dat ten sterkste ontraadt? En wie helpt de hydroloog , telkens als hij met zijn wensen voor meer opslag van water stukloopt tegen de muur van onwil die gemeenten en projectontwikkelaars optrekken? En wat is het antwoord op bevinding van de commissie water van het Interprovinciaal Overleg dat vandaag de dag de ‘bestemming van gronden niet meer wordt bepaald door provincie en gemeenten maar veeleer door projectontwikkelaars’? Er werd omstreeks de eeuwwisseling een indringende discussie gehouden over de taak, positie en bestuurssamenstelling van de waterschappen. Zo kwam de Raad voor het Openbaar Bestuur met de idee om de waterschappen een vergelijkbare positie te geven als brandweer en politie. Ook werd de suggestie gedaan om waterschappen direct, als uitvoerende organen, te koppelen aan provincies.Organisaties die gewoon beleid uitvoeren. Dan zouden ook lastige discussies vermeden kunnen worden over economische ontwikkelingen en vrije markt die de inrichting van het land bepalen. Dan hoefde niet te worden nagedacht over projectontwikkelaars en marktpartijen die bepalen dat natuur en landbouw verdwijnen en het landschap op de schop gaat. Dan hoefden ook niet allerlei bekrompen discussies te worden gevoerd over sluimerende ambities van de provincies om waterschapstaken over te nemen. Of moeilijke monologen te worden gehouden waar nou precies de grenzen liggen van een waterschap. Tussen twee provincies of zoals het water stroomt? Omstreeks de eeuwwisseling had het Polderdistrict Betuwe een opstandige folder naar de ingelanden gestuurd met het verzoek om bijval tegen de reorganisatie van de waterschappen: ‘Vanaf het begin is het de bedoeling van de provincie geweest één superwaterschap op te richten zonder dat de meerwaardedaarvan is aangetoond.’ |
|
‘Betuwe, een andere cultuur en een andere mentaliteit’Daan N.P. Tap over het opgeheven polderdistrict Betuwe: ‘Frappant is dat Betuwe en alle andere polderdistricten in het Rivierengebied voortkwamen uit de wens de agrarische wereld goed te laten functioneren. Wij hadden daarom een heel andere achtergrond dan de waterschappen op de Veluwe en in de Achterhoek. Die zijn ook veel later ontstaan. In mijn polderdistrict hadden we gemengde bedrijven, akkerbouw, veeteelt, fruit en paarden van het Gelderse paardenstamboek. Betuwe had daarom een heel andere cultuur en mentaliteit. Die is de laatste tijd vanzelfsprekend sterk verwaterd. Van de oorspronkelijke bewoners is nog maar een fractie over. Er zit nu zoveel import.’
Hans van Leeuwen: ‘Het rivierengebied is een heel apart gebied, dat is door de rest van mijn collega’s bij de waterschappen nauwelijks begrepen. Wij waren strijdbaar. In de wereld van de waterschappen bestond altijd erg sterk het poldermodel, de consensus om de consensus. Daar hebben wij van Betuwe een streep doorgehaald. Ik vond het bijna ziekelijk dat de Gelderse Waterschapsbond altijd weer achter het provinciaal bestuur ging staan. Daar hebben wij mee gebroken.’ |
| ‘Het late jaar, de eendere waterwegen het stampend licht in vlagen mist en regen Een aanklacht roept de brulboei van het rak De nood van Holland zelf heeft stem gekregen.’(Ida Gerhardt, uit Kwatrijnen in opdracht 1948) |