Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Het einde van een geschiedenis

‘God weet: ik heb mijn verzen uitgestort

voor wie ik nimmer zag noch ooit zal zien
Opdracht vol raadselen.Het uur is kort.

Misschien is het een erfgenaam: nadien
Wanneer ik zelf tot stof zal zijn verdord.
Een kind dat in dit land geboren wordt.

(Ida Gerhardt, uit ‘Het Sterreschip’)

Het einde van een geschiedenis

De invloed van boeren verschrompelt. De stad neemt bezit van het land. De macht van de projectontwikkelaars en de strijd om de ruimte. Het nieuwe waterschap worstelt met de vraag hoe het verder moet

Hoofdstuk 10

Zo zullen er van de ongeveer drieduizend waterschappen van na de oorlog zo’n vijfentwintig overblijven. En op een paar heemraden en dijkgraven na had niemand geprotesteerd. In de laatste dagen van de Betuwe arriveerden, behalve die van het polderdistrict Betuwe en het waterschap van de Linge, welgeteld drie individuele beroepen bij de Raad van State tegen de opheffing van het polderdistrict. Ze kwamen van oud-dijkgraaf J.G. van Leeuwen, van de vroegere secretaris-directeur J. Litjens en van diens trouwe oud-secretariemedewerkster A. Coenen-Grootelaar. Maar aan de gewone stervelingen was het verscheiden volstrekt ontgaan. Geen lijsten met handtekeningen, geen demonstraties voor het provinciehuis – al was het maar uit weemoed om het verlies van een bijna zevenhonderd jaar oude traditie. Hoe kon zo’n oud instituut zo falen zich in de hoofden en harten van de ingelanden te vestigen?
‘Wij zijn te lang een naar binnen gekeerde organisatie geweest. Wat we deden was bovendien niet voor iedereen zichtbaar. Zo’n dijk, die ligt voor veel mensen ver weg. Hier in Elst bijvoorbeeld realiseert men zich nauwelijks dat de dijken ook dit dorp voor overstroming behoeden.’ zei Johan van Meegen, voormalig hoofd technische dienst van Betuwe. Mieke Bles-van der Velden zat in de gemeenteraad van Gendt en was hoofdgeërfde bij Betuwe. Ze vergeleek: ‘Als iemand bij me kwam klagen over de verhoging van de onroerend goed belasting in het dorp, kon ik precies uitleggen waarom en waarvoor. Maar als iemand me vroeg waarom hij waterschapsbelasting betaalde en wat daarmee gedaan werd, dan kon ik dat niet.’ Later werd mevrouw Bles bestuurslid van het Waterschap Rivierenland.

In NRC/Handelsblad constateerde een onderzoeker van het Rathenau Instituut, balorig dat waterschappen als overheid uit de tijd zijn. ‘Zij kunnen alleen nog iets voorstellen als ze zich niet langer opknopen aan hun middeleeuwse navelstreng.’ Een oud-medewerker van Rijkswaterstaat had de waterschappen eerder beschuldigd van neerzitten en stilzwijgen toen vanaf de jaren zestig alsmaar meer woonwijken verrezen in de diepste delen van de polders. De veiligheid was erdoor in het geding gekomen. De waterschappen hadden verzaakt. Ze waren te lankmoedig geweest. Ze waren niet opgestaan als ze hadden moeten opstaan. Ze waren niet in verzet gekomen als ze in verzet hadden moeten komen. Vanuit Den Haag werd steeds luider gemopperd over de waterschappen als relikwieën uit een ver verleden, bestuurd door lokale mandarijnen.
Zo gebeurde het dat, als opmaat, de Grondwet werd herzien. Er kwam een Waterschapswet. En zie, alle dingen werden gelijk. De grote verschillen tussen de waterschappen verdwenen. Alle kregen nu tot taak rekening te houden met de belangen van recreatie, natuur en landschap. Er volgde democratisering, althans meer mensen moesten gaan betalen en mochten gaan stemmen. Het rijk vorderde ruimte om in te grijpen en stuurde aan op hoofdlijnen. Rijkswaterstaat ging normen opstellen voor de veiligheid van de dijken. En de provincie kreeg eindelijk de kans om die vermaledijde, rivaliserende waterschappen tot samenwerking te dwingen. In 2005 zullen er nog vijfentwintig over zijn.

Het betekende ook de aankondiging van het einde van een geschiedenis. Gedeputeerde Johan de Bondt schetste de toekomst met een tienbaans brede transportas, inclusief de Betuweroute, door het hart van Gelderland. Arnhem en Nijmegen zouden verder naar elkaar toe groeien. Het Multimodaal Transport Centrum (MTC) zou heel groot worden, met werk voor tienduizend mensen. Rijksweg A15 zou worden doorgetrokken in oostelijke richting. En overal kwamen nieuwe woonwijken en zouden industrieterreinen worden vergroot. De gedeputeerde had er gemengde gevoelens over, was er niet trots op. Maar zo lag die ontwikkeling nu eenmaal besloten in de loop der dingen. De stad was bezig allengs bezit te nemen van het land. Andere tijden waren aangebroken.
Het nieuwe millennium was enkele jaren oud. Elke week verdwenen er negentig boeren en tuinders. In het decennium dat voorbij was gegaan hadden zo’n vijfendertigduizend agrariërs opgegeven. Ze gingen failliet of hielden eenvoudig op te bestaan. Ruim negentigduizend bedrijven waren nog over. Vijf procent van de bevolking in het land had nog iets van doen met de agrarische wereld. De gedeputeerde voor water voorspelde dat de boeren enig belang zouden blijven houden bij het waterschap. Maar het zou minder en minder worden. Bedrijven, gemeenten, burgers uit stad en ommeland gingen meer zeggenschap eisen. Met de vorming van het nieuwe Waterschap Rivierenland, ontstaan uit een samengaan van drie polderdistricten, een waterschap en een zuiveringschap, was een heel landschap van vergaderboeren uitgewist. Een paar hadden zich weten te handhaven.

Waterschap Rivierenland telde zesendertig bestuurders, onder wie zes heemraden. Het scheelde maar even of dijkgraaf G.N.Kok had gewoon als voorzitter door het leven moeten gaan. Maar de provincie stemde uiteindelijk in met de titel van dijkgraaf. De benamingen dijkstoel, hoofdgeërfde en gecombineerd college sneuvelden in de hang naar modernisering. Het kantoor van Kok herinnerde eveneens niet meer aan de oude tradities. Een paar oude prenten van overstromingen met mensen die zich vastklemmen op ronddobberende daken. Maar voor de rest strak, steriel en zakelijk. Zonder de ornamenten van het notenhouten bureau en de loodzware, zwarte ebbenhouten stoel – een erfenis van dijkgraaf Jacob Rau van Gameren – die in Elst waren achtergebleven. Rivierenland was bestuurlijk tijdelijk gehuisvest in het gebouw van het vroegere polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden. Rivierenland zou uiteindelijk naar Tiel verhuizen. Kok werkte ooit in Lelystad als directeur van het Praktijkonderzoek van de veehouderij. Hij was er daar in geslaagd een eigen Animal Farm in te richten. Varkens, pluimvee, paarden, schapen – alle proefvoorzieningen voor die dieren had hij er samengebracht. Hij beschikte ontegenzeggelijk over een agrarische achtergrond. Toch verbaasde hij zich telkens weer over de vitaliteit van de boeren. Van de zes heemraden in het dagelijks bestuur van Rivierenland waren er drie boer. Kok zei: ‘Ze hebben het toch weer voor elkaar gekregen. Omdat ze zo goed georganiseerd zijn, blijven boeren grote invloed houden. Maar uiteindelijk gaan de agrariërs het verliezen. Dat is de consequentie van het nieuwe systeem. Bij elke nieuwe verkiezing zal dat duidelijker worden. Met een lage opkomst van de burger en een hoge opkomst van de boeren kunnen ze het nog wel een tijdje volhouden.’

Dijkgraaf Kok vertelde over het nieuwe belastingsysteem, de methode-Delfland die de methode-Oldambt had vervangen. Bij de Delfland-methode worden meer kosten doorberekend aan burgers en bedrijven. De categorie ongebouwd, de boeren, betaalt minder belasting. Maar dat nieuwe systeem betekent ook dat het aantal zetels voor de boeren minder wordt. Lobbyen bij de groep ingezetenen kan helpen. Anders dreigde voor de boeren ooit hart, ziel en ruggengraat van de waterschappen voorgoed de rol van backbencher of volstrekte afwezige.
In de ledenvergadering van 2001 van de Unie van Waterschappen voorzag voorzitter ir. J.J. de Graeff ook de naderende rampspoed. Voor een overwegend met grijze en kale mannen afgeladen zaal in de Stadsschouwburg van Leeuwarden hield hij een pleidooi voor de bijzondere rol van de boeren. Hij wilde de zeggenschap van de agrariërs in het waterschap verzekeren door hen op voorhand een nader te bepalen aantal zetels in het bestuur toe te kennen. En hij riep een professor aan die het waterschap als belangendemocratie had gekarakteriseerd. De Graeff had de boeren hard nodig. Hij geloofde daarom in het Orwelliaanse gedachtegoed dat iedereen gelijk is maar sommigen meer dan anderen. Maar hield de oplossing van de Unie van Waterschappen niet uitstel in van executie? Altijd waren rampen of dreiging van ontwrichting van de samenleving de aanleiding geweest voor een nieuwe ordening van de maatschappij. De overstromingen in de Middeleeuwen hadden ooit de oprichting van de waterschappen tot gevolg. De droogmakingen van Beemster, Schermer en Haarlemmermeer werden ingegeven door de behoeften vanuit de stad. De oprichting van Rijkswaterstaat was onder meer het antwoord op het onderlopen van wat nu het Groene Hart heet. Besmettelijke ziekten waren de aanleiding geweest voor de komst van waterleidingbedrijven. Toen de stank van menselijke uitwerpselen doordrong tot in de grachtenpanden en de gegoede burgerij zelf bedreigd werd door de misère van het grauw, was dat het sein voor een sanitaire revolutie in de steden. De aanleg van bijvoorbeeld riolering was het gevolg.

En in de eenentwintigste eeuw steeg het water, zakte het land, liep de temperatuur op en viel de regen in puntbuien – onvoorspelbare, ongekende en intensieve buien die als ze, zoals ooit, veertig dagen en veertig nachten aanhouden een zondvloed veroorzaken. Hogere dijken vormden geen oplossing meer. Het water moest meer ruimte krijgen. Het land verloor terrein. En tegelijkertijd was de stad bezig bezit te nemen van het platteland omdat de stad ruimte nodig had. Het was tijd voor omverwerping van oude verbonden. Het was tijd voor nieuw elan, voor een nieuwe ordening. De oud-gedeputeerde van Zuid-Holland en oud-dijkgraaf in Noord-Holland, Hans van der Vlist, voorzag het einde van het waterschap. Hij toonde zich een hartelijk voorstander van het waterketenbedrijf, de symbiose van drinkwater, riolering en waterzuivering, van samenwerking tussen gemeenten en waterschappen en van meer macht voor de provincie. En de medewerker van het Rathenau-instituut Peter van Rooy viel hem bij: ‘De hang van het waterschap naar behoud van de positie van medeoverheid, met eigen verkiezingen en rechtstreekse inkomsten vormt een obstructie voor het realiseren van het waterbeleid.’

De Unie van Waterschappen ontkende elke grond voor die aanslagen op haar bestaan. Zo meende voorzitter De Graeff dat het waterschap met de waterkansenkaart in de hand behoort aan te geven waar wel en waar niet gebouwd mag worden. Maar wat staat het waterschap te doen als niemand luistert? Als de algemene democratie volhardt wijken te bouwen terwijl het waterschap dat ten sterkste ontraadt? En wie helpt de hydroloog , telkens als hij met zijn wensen voor meer opslag van water stukloopt tegen de muur van onwil die gemeenten en projectontwikkelaars optrekken? En wat is het antwoord op bevinding van de commissie water van het Interprovinciaal Overleg dat vandaag de dag de ‘bestemming van gronden niet meer wordt bepaald door provincie en gemeenten maar veeleer door projectontwikkelaars’?
De voorzitter van de Unie vond ook dat waterschappen betrokken dienen te worden bij de besluitvorming over plaats, vorm en omvang van de noodoverloopgebieden. Maar wat gebeurt vervolgens als burgemeesters en provinciebestuurders te hoop lopen tegen die keuzes omdat die hun bouwplannen dwarsbomen? En hoe ver strekt het verweer van de Unie nu op de Nieuwe Kaart van Nederland waar zo’n zestig woningbouwplannen zijn ingetekend in gebieden die waterschappen eigenlijk willen bestemmen voor waterberging?
En in hoeverre moet een waterschap richting geven aan de discussie over de privatisering van (drink)water? Het polderdistrict Betuwe was daar in zijn bestaan duidelijk over: ‘Niet in waterschapsverband omdat de risico’s van de handel in water niet mogen worden afgewenteld op de belastingbetaler.’ Betuwe vond dat de taak van afvalwaterzuivering een eigenstandige positie verdiende binnen het waterschapsbestel. ‘Het zuiveren van afvalwater is een bedrijfsmatig, technologisch proces.’
In het begin van het nieuwe millennium werd overigens steeds duidelijker dat het voor een beetje groot bedrijf steeds eenvoudiger en goedkoper werd om zèlf het water te zuiveren. Steeds meer ondernemingen gingen daartoe over. Dat betekende concurrentie voor het waterschap. Daardoor zou in de toekomst onderbezetting van persleidingen en zuiveringsinstallatie kunnen ontstaan. De tekorten die als gevolg daarvan kunnen optreden, moeten door de resterende gebruikers worden opgebracht. En dat zou dus hogere tarieven voor de burger betekenen.
Het standpunt van de Unie van Waterschappen was dat ‘marktwerking en privatisering tot een doelmatiger beheer zouden kunnen leiden’. Ze sloot deelname van het waterschap aan een commercieel opererend waterbedrijf niet uit.

Er werd omstreeks de eeuwwisseling een indringende discussie gehouden over de taak, positie en bestuurssamenstelling van de waterschappen. Zo kwam de Raad voor het Openbaar Bestuur met de idee om de waterschappen een vergelijkbare positie te geven als brandweer en politie. Ook werd de suggestie gedaan om waterschappen direct, als uitvoerende organen, te koppelen aan provincies.Organisaties die gewoon beleid uitvoeren. Dan zouden ook lastige discussies vermeden kunnen worden over economische ontwikkelingen en vrije markt die de inrichting van het land bepalen. Dan hoefde niet te worden nagedacht over projectontwikkelaars en marktpartijen die bepalen dat natuur en landbouw verdwijnen en het landschap op de schop gaat. Dan hoefden ook niet allerlei bekrompen discussies te worden gevoerd over sluimerende ambities van de provincies om waterschapstaken over te nemen. Of moeilijke monologen te worden gehouden waar nou precies de grenzen liggen van een waterschap. Tussen twee provincies of zoals het water stroomt?
De VVD-gedeputeerde voor Gelderland, Johan de Bondt, reageerde balorig. Hij vond het een non-discussie: ‘Dat interesseert me helemaal niets. Ik wil een grote organisatie die autonoom beleid kan voeren en een vuist kan maken. Het doet me niets of die nou wel of niet onder toezicht van de provincie staat. En het nieuwe waterschap mag van mij worden uitgebreid over de grenzen van de provincie heen tot in Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard. En terwijl hij dat zei liet het Hoogheemraadschap van Alm en Biesbosch weten voor een fusie te zijn met Waterschap Rivierenland. Alles was in beweging en het ging snel, snel. Bij uitbreiding met Alblasserwaard en Vijfheerenlanden zou een waterschap ontstaan verantwoordelijk voor het gehele rivierengebied van midden-Nederland. Zo zou de door het polderdistrict Betuwe verdedigde gedachte van het stroomgebied, toch nog werkelijkheid worden.
En De Bondt profeteerde: ‘De komende jaren zal alles anders worden. Er moet ruimte worden gemaakt voor achttien miljoen Nederlanders. Dat gaat ten koste van de natuur en ten koste van de landbouw. Er gaat steeds meer verdwijnen. Wie weet is Nederland over honderd jaar één grote stad. Ik zou het een rampzalige ontwikkeling vinden. Maar het zal geleidelijk gaan en misschien zullen de mensen van de toekomst naar ons kijken zoals wij naar de middeleeuwen keken.’ <br? oude=”” tijden=”” waren=”” voorbijgegaan.=”” er=”” nog=”” enkele=”” tientallen=”” waterschappen=”” over=”” en=”” een=”” nieuwe=”” vraag=”” diende=”” zich=”” aan:=”” wat=”” doen=”” we=”” mee?=”” <br=””>Daan N.P. Tap had in zijn periode van dijkgraaf zijn collega-bestuurders verweten dat ze, door mee te doen aan de fusie, bezig waren de waterschappen de nek om te draaien: ‘De paar die straks over zijn worden zo groot dat ze vrijwel niet meer te besturen zijn,’ had hij voorspeld.
Zijn opvolger, Hans van Leeuwen, mopperde over het geringe draagvlak bij de bevolking van de nieuwe organisatie: ‘De mensen die er zitten weten van niets. Ze tonen geen betrokkenheid en hun kennis is nul.’
Gedeputeerde De Bondt wist ook niet zo goed hoe het verder moest: ‘Wat mij betreft gaat Rijkswaterstaat straks toezicht uitoefenen op de waterschappen die overblijven.’ Maar voormalig dijkgraaf Hans van Leeuwen waarschuwde haastig voor Rijkswaterstaat als gevaarlijke slokop: ‘Weet wel dat de democratische controle op die organisatie minimaal is.’ Annette Augustijn-van Buuren, hoofd van de afdeling Water en Waterkering van de provincie Gelderland, formuleerde de toekomst bijna contrair aan De Bondt. Ze sprak over het waterschap als uitvoeringsorganisatie van de provincie. Ze zei: ‘Het waterschap kan gewoon blijven doen wat het doet maar dan zonder een eigen gekozen bestuur.’ En Gerrit Kok, dijkgraaf van het Rivierenland reageerde: ‘Bij de toekomstige inrichting van het waterschapsbestel blijft de betrokkenheid met het gebied essentieel. Door mensen via directe verkiezingen bij het bestuur van het waterschap te betrekken, schep je de voorwaarde deze overheid dicht bij die mensen en hun belangen te houden. Onze kerntaken blijven zorg voor veiligheid en zorg voor droge voeten. Daarnaast richten we ons op de kwaliteit van het oppervlakte water en de zuivering van het afvalwater. En we doen dat in de stad en op het land.’

Omstreeks de eeuwwisseling had het Polderdistrict Betuwe een opstandige folder naar de ingelanden gestuurd met het verzoek om bijval tegen de reorganisatie van de waterschappen: ‘Vanaf het begin is het de bedoeling van de provincie geweest één superwaterschap op te richten zonder dat de meerwaardedaarvan is aangetoond.’
De bijval die Betuwe wilde kwam trouwens mondjesmaat – niet direct het bewijs dat een klein polderdistrict dichter bij de burgers zou staan dan een veel groter waterschap.
Het nieuwe Waterschap Rivierenland beloofde bij het begin bundeling van deskundigheid. En de belofte van de provincie Gelderland luidde dat fusie een garantie inhield voor vergroting van doelmatigheid, democratie en bestuurskracht.
Dat zal de tijd leren.
De ene zekerheid is dat het water zal blijven stromen.
En de andere is dat het ook straks zal worden geordend en beheerd om te voorkomen dat het dit laagland zal overstromen.

‘Betuwe, een andere cultuur en een andere mentaliteit’Daan N.P. Tap over het opgeheven polderdistrict Betuwe: ‘Frappant is dat Betuwe en alle andere polderdistricten in het Rivierengebied voortkwamen uit de wens de agrarische wereld goed te laten functioneren. Wij hadden daarom een heel andere achtergrond dan de waterschappen op de Veluwe en in de Achterhoek. Die zijn ook veel later ontstaan. In mijn polderdistrict hadden we gemengde bedrijven, akkerbouw, veeteelt, fruit en paarden van het Gelderse paardenstamboek. Betuwe had daarom een heel andere cultuur en mentaliteit. Die is de laatste tijd vanzelfsprekend sterk verwaterd. Van de oorspronkelijke bewoners is nog maar een fractie over. Er zit nu zoveel import.’
Hans van Leeuwen: ‘Het rivierengebied is een heel apart gebied, dat is door de rest van mijn collega’s bij de waterschappen nauwelijks begrepen. Wij waren strijdbaar. In de wereld van de waterschappen bestond altijd erg sterk het poldermodel, de consensus om de consensus. Daar hebben wij van Betuwe een streep doorgehaald. Ik vond het bijna ziekelijk dat de Gelderse Waterschapsbond altijd weer achter het provinciaal bestuur ging staan. Daar hebben wij mee gebroken.’

‘Het late jaar, de eendere waterwegen
het stampend licht in vlagen mist en regen
Een aanklacht roept de brulboei van het rak
De nood van Holland zelf heeft stem gekregen.’
(Ida Gerhardt, uit Kwatrijnen in opdracht 1948)

Polderpers