Het late licht
Dertig jaar geleden ging ik aan de dijk wonen langs de Waal. Het huis dat de sloopkogels van het polderdistrict had overleefd steunde tegen de helling van de dijk. Het had een rieten dak en een half-steense muur. De buren waren oude vrijgezelle mannen die naar pluisjes en haren in het gras speurden om het spoor van een haas te vinden. Achter het huis was een griend waar soms de roerdomp brulde. En aan de overkant van de dijk rolden ‘s avonds binnenschepen hun ankerkettingen af. Er was stilte en er heerste vrede. En ik herinner me dat ik het leven lief had.
Achteraf weet ik niet wanneer het keerpunt is gekomen of wat er mis is gegaan. Maar plotseling raast en tiert hemelsbreed twee kilometer in noordelijke richting de rijksweg – een grommend monster dat steeds kwaadaardiger wordt. Ernaast rijzen overal nieuwe viadukten op, worden bruut hopen zand opgeworpen en trekt de Betuweroute een vernielend spoor door het landschap. Vanuit het westen nadert een langgerekte lijn van bedrijventerreinen en kantoorparken. Spoedig zullen hier, over een afstand van tien kilometer, drie McDonalds staan als onderdeel van een wereldomspannend complot tegen goede smaak en goede zeden. Als de regering echt waarden en normen wil verheffen moet ze junkfood verbieden.
Tussen de rijksweg en de griend ligt een lokale weg die door zware combinaties wordt gebruikt als sluiproute. In dorpen rondom gedijen overal ordeloos aangelegde truckdepots en industrieterreinen. Boven de rivier wordt de hemel gekleurd door hellevuur – licht uit kassen van een paar particuliere bloemenkwekers uit de Bommelerwaard die zo de duisternis overwonnen hebben. En midden in de gemeente staat de kluif, waar kadavers gestript worden en beenderen verbrand. Nog nooit was de lijkengeur zo penetrant en nimmer was de reactie zo lakoniek. Want op een paar aardige punkers na voert niemand meer actie en graait en grist ieder nog uit eigenbelang.
‘Een aanklacht roept de brulboei van het rak
De nood van Holland zelf heeft stem gekregen,’dichtte Ida Gerhardt
Nu lees ik in een zogenaamde discussienotitie dat ook de provincie Gelderland het licht heeft gezien. ‘Het lawaai, de versnippering, het nachtelijk licht en de verontreiniging door verkeer en andere menselijke activiteiten tasten het ecologisch evenwicht aan,’ is ontdekt. Want er wordt een nieuw streekplan voorbereid. Ooit voltrok zo’n poging tot maakbaarheid van de ruimte zich autoritair. Daarop werd het fenomeen inspraak geintroduceerd. Toen alles misging en niemand meer interesse toonde, ontstond het begrip interactief – ambtenaren bedelend op zoek naar belangstelling bij burgers. Ze kwamen ook bij mij met de vraag hen te helpen het komende debat te verlevendigen.
Ik weet niet of ik dat wel kan.
Of dat ik enig vertrouwen heb.
Ik herinner me hoe vier jaar geleden, net na de verkiezingen, een statenlid in gezelschap van een schrijver mijn woning bezocht om te vernemen hoe het verder moest met de provincie. Ik had voor broodjes gezorgd en het werd een aangenaam gesprek. Het statenlid deed haar ronde in het kader van het programma Staten Interactief en samen met collega’s hoorde ze vijfhonderd mensen. Er verscheen een omvangrijk rapport onder de originele naam Bloemlezing en er werd een conferentie aan gewijd. Vervolgens werd nooit meer iets vernomen.
Ik denk aan een ontmoeting met de Gelderse gedeputeerde Johan de Bondt – die kortelings wegvluchtte naar een waterschap. We spraken over de gedrochtelijke ontwikkelingen in de uiterwaarden bij Haaften waar distributiecentra en een containerhaven worden gebouwd terwijl die plaats vanzelfsprekend voorbestemd was ruimte aan de rivier te geven. Schuldig daaraan is een incompetent gemeentebestuur. Maar vervolgens weigerde de provincie op zoek te gaan naar andere lokaties en naar ‘een lullige tien miljoen om planschade bij de eigenaar af te kopen.’(De Bondt). En nu gaan de rivier en het silhouet van Zaltbommel verborgen achter een muur van afzichtelijke loodsen. In de notities voor het streekplan lees ik bovendien verontrustende kanttekeningen over de economische dimensie. Met welbehagen wordt geconstateerd dat dikke goederenstromen Gelderland passeren, dat de provincie door de centrale ligging zo geschikt is als uitvalsbasis, dat het fantastisch gaat met allerlei snelle bedrijfsontwikkelingen en dat Gelderland haar economische positie optimaal moet benutten. Ook voor de leisure – pretparken, skiheuvels, kartingbanen en al die zenuwslopende ongein – zal Gelderland haar kwaliteiten maximaal moeten inzetten. En dat allemaal onder de slogan ‘koersen op kwaliteit’.
Ik geloof niet dat het wat wordt.
Als Gelderland denkt alle ballen tegelijk in de lucht te kunnen houden, zal het verschrikkelijk mis blijven gaan.
Rudie van Meurs / Herwijnen, 2002