Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 14 Een geestenpiraat en een reuzenbam

De rivier is nu zo hoog dat het wachthokje in de uiterwaard bij het pontveer naar de overkant, helemaal verdwenen is. Het water snelt kolkend voorbij. Het scheepvaartverkeer ligt bijna helemaal stil. Alleen ploegt zo nu een dan een duwboot met kolen tegen de stroom in. Als je een half uur later op de dijk terugkomt is die hoogstens één strekdam verder. Stroomafwaarts is varen verboden omdat door de snelheid schepen uit hun roer zouden kunnen lopen. Op de dijk geldt éénrichtingsverkeer. Dat is maar goed ook. De grauwe ganzen van Peer van de oven zijn uit de uiterwaard verdreven en hurken nu samen op het wegdek. Trots en traag schrijden ze naar de helling als het verkeer ongeduldig wordt. Mensen die voorbijgaan kijken zorgelijk naar beneden. Het water aan de buitenkant staat net zo hoog als de dakgoot van het dijkhuis aan de binnenkant. De dijkbewoners zelf zijn lakoniek. Ze vertellen elkaar verhalen over 1926 toen het water nog vijfentachtig centimeter hoger stond en je zittend op de dijk je handen kon wassen. Maar niet alleen in de river en de uiterwaard staat het water hoog. Door het gewicht en de druk van het water, wordt diep onder de dijk via doorlaatbare grondlagen, water naar de binnenkant geperst. Daar komt het grondwater, dat kwelwater wordt genoemd, omhoog en vormt plassen in de boomgaard en op de schapewei.

Mark loopt naar school omdat hij zo meer kan genieten van het hoge water. De laatste weken bleef hij soms lang op het schoolplein hangen. Want het is knikkertijd. En hij speelt met overgave en een rood hoofd van de spanning. Knikkeren is een beetje gokken. Je hebt goede en slechte spelers. Mark komt meestal met vollere knikkerzakken thuis dan hij vertrekt. Maar de laatste dagen is hij vroeg thuis. Dat komt omdat het hoge water ook enige overlast op het dorp geeft. Soms ontstaat zoveel druk op een afsluiter van de waterleiding of een brandkraan, dat spontaan een fontein van water omhoog komt. De ingebouwde knikkerpotten op het schoolplein zijn gevuld met water.

Knikkeren is dan ook onmogelijk. Dat komt goed uit. Nu kan Mark mij eindelijk eens inwijden in de geheimen van het spel. ‘Ik weet nog,’ vertel ik hem, ‘dat toen ik jouw leeftijd had we knikkers van klei bakten en die schilderden met waterverf. En verder deden we `kassie gooien’, met een gekochte stuiter door een cirkel waarin knikkers lagen.’

Hij kijkt me meewarig aan. Opa vertelt. Hij legt me uit hoe het tegenwoordig gaat. `Wij spelen 400 óp, zonder pieks en met houws’, zegt hij. Ik knik maar hij ziet dat ik het niet helemaal begrijp.

`Je kan natuurlijk ook 400 óp, zonder pieks en zonder houws spelen. Maar ik vind het gemeen dat als je met houws begint en aan het winnen bent de ander ineens roept, zónder houws.’ Nee dat is niet eerlijk, geef ik aarzelend toe.

Hij kijkt me argwanend aan.

`Ik vind ook dat als je afspreekt niet met afleids te spelen je je daar aan moet houden.’

‘Tja,’ mompel ik,

`Maar dan gaan ze toch hard stampen en schreeuwen.

‘Misschien,’ aarzel ik, ‘is het beter om te…’

‘Precies dat probeer ik ook, zonder stamps en zonder schreeuws. Maar dan gaat iemand ineens mét kets beginnen. Dat kan je gewoon niet doen.’

Ik zucht. Hij graait in z’n knikkerzak en haalt een grote stuiter te voorschijn die een beetje exotisch uitziet.

`Zie je deze reuzepiraat? Die is 500 bam waard. Maar Erik zei gisteren dat het een reuzepiraat is zonder glans en daarom rekende hij 50 bam. Ik ben het daar niet mee eens. Het is altijd een reuzepiraat met glans geweest.’

‘Misschien dat de glans er afslijt,’ zeg ik met de blik van een kenner.

Mark klemt z’n lippen op elkaar en schudt het hoofd: `Het is altijd een reuzepiraat mét glans geweest. Als je je daar niet aanhoudt dan wordt straks een geestenbam ineens een snotterbam of een smurfenbam. Zo kan je toch niet knikkeren.’

Ik knik.

`Je begrijpt het niet’, zegt hij.

‘Maar het is ook een ingewikkeld spel,’ antwoord ik.

Hij gaat naast me zitten en zegt geduldig: `Ik zal het je uitleggen.’ Dit is het resultaat.

Een `glaasje’ heeft de laagste waarde. Een Mexicaantje is één bam. Tien Mexicaantjes is één grote Mexicaan. Tien grote Mexicanen is één spetterbam. Twintig glazen bammen is één spetterbam en die is weer gelijk aan een piratenbam. Twee spetterbammen is één geestenbam en die heeft dezelfde waarde als een snotterbam. Een smurfenbam is twintig waard en een racebaantje is vijftig. Die waarde heeft ook een piratenbam zonder glans. Dan zijn er de 100 en 200 bam’s wat een verschil is tussen geen en wél glans. Een parel is 400 bam, een reuzepiraat met glans is 500 bam. Een reuzemexicaan met strepen telt 800 bam. Een kievitsei is net als een doorzichtige reuzepiraat 1000 waard terwijl een reuze snotterbam met een daar doorheen gewerkte smurfenbam voor 2000 telt.

Mark kijkt me na zijn uitleg vragend aan.

`Ik begrijp het’, zeg ik eenvoudig.

Polderpers