Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 17 Peer wil naar Alaska

‘Wanneer ga je nou Peer?’

Peer lacht jongensachtig. Hij schuift z’n alpino achter op zijn volle grijze haar, steekt z’n handen door de sleuven van z’n ketelpak in de broekzakken en zegt: Voorlopig komt er niks van.’

‘Maar je wilt er toch zo graag een keer heen?’

We staan op het weggetje achter de griend. Peer is even van z’n tractor gekomen. Een lange, magere man met opmerkelijk blauwe ogen die gewend zijn in de verte te kijken. Hij is eigenlijk nog een beetje nijdig op me. Een paar maanden geleden heeft een dragline de sloot achter de griend uitgehaald. Peer verwijt me dat ik toen een meter te ver ben gegaan. Maar zelf ploegt hij elk seizoen een nieuwe voor van het weggetje af. Bovendien heeft hij vorige herfst ongevraagd een paar zware overhangende takken van mijn zwarte elzen gekapt. Want net als iedere boer is Peer gek op grond en licht. Toch mogen we elkaar. Hij beweegt zich traag met de rust van het land. Hij denkt na over m’n vraag en zegt ernstig: ‘Nou, ik zou het best interessant vinden.’

‘Maar waarom doe je het dan niet?’

Peer schuifelt ongemakkelijk heen en weer. Hij schopt met z’n voet een bonk grond in de kant van de sloot. Tegen de gebarsten stam van een hoge peppel in de griend roffelt een bonte specht. Peer kijkt me een beetje misprijzend aan: ‘Zo gemakkelijk is het niet. Ik kan de boel toch niet zomaar in de steek laten.’

‘Maar van de winter had je toch kunnen gaan?’

Peer kijkt me nu hoofdschuddend aan alsof ik hem een belachelijke oplossing aan de hand doe: ‘Maar dan is het er nacht, dan heb ik er toch niks aan.’

‘Dan ga je toch nu, nu het er dag wordt?’

Peer raakt echt ongeduldig over zoveel onbegrip: ‘Maar wie moet er dan ploegen. Wie moet er dan de zomertarwe zaaien. Ja, zeg es.’

‘Dat laat je toch voor een keer door de loonwerker doen?’

Hoeveel seizoenen hebben we dit gesprek nu al niet herhaald? Dertig jaar geleden vertrok Peer’s beste vriend naar Alaska en sindsdien neemt Peer zich voor hem op te zoeken. Maar als er geploegd is moet er gezaaid worden, stekels getrokken, vuil gespoten, aardappelen gepoot, bieten gedund, de zomertwarwe er af, het mais gehakseld worden, gaan de bieten eruit en moeten de aardappelen worden gerooid. Ik ken Peer een kleine twintig jaar en al die tijd maakt hij me deelgenoot van zijn verlangen naar de verte. Eén keer op vakantie naar zijn vriend.

Peer woont buiten de dijk, op een boerderij die als een fort ligt aan de oever van de rivier. Een kronkelend grindpad door de uiterwaarden loopt dood tegen het erf van de boerderij. Bij hoog water staan de schuren en het huis op een terp in een zee van water.

Peer heeft tachtig bunder land. Kees, zijn broer, heeft tachtig melkkoeien. Peer levert Kees mais als voer voor het vee en Kees gooit de gier van zijn koeien over het land van Peer. Zo is het werk perfect verdeeld. Peer heeft nog een oude moeder die voor beide jongens zorgt en uitkijkt naar twee goede vrouwen. Maar daar hebben de zoons geen tijd voor. Toen Peer een paar jaar geleden een maaidorser kocht, zei ik dat hij nu tijd vrij kon maken om te gaan. Maar net dat jaar moest zijn moeder naar het ziekenhuis. Het jaar daarop werd de kust van Alaska overspoeld met olie uit de Exxon Valdez. ‘Olie kan ik hier ook zien’, zei Peer cynisch. Daarop kwam er oorlog in de Golf en dan ga je toch niet op reis.

Het voorjaar kwam deze keer overrompelend snel. Plotseling stond het blad van het fluitekruid twintig centimeter boven de grond, het leken wel jonge varens. De andere dag had het speenkruid een fris, glanzend tapijt gelegd in de griend. Onder de meidoorn die popelde om open te barsten, boorden de paars-rode bloemen van het groot hoefblad zich elke minuut verder omhoog.

Peer is nog nooit zo vroeg geweest met het ploegen. Vanaf een afstand kijken we naar de pauwehaan. Sterk en fier staat het dier te pronken met een waterval van kleuren. Zijn staart is nu op z’n mooist. Zelfverzekerder dan ooit schalt zijn roep door de polder. Het baltsseizoen is begonnen – dat is net zo iets als op je mooist naar een dansfeestje gaan om versierd te worden.

Peer draait zich om. Hij zucht hartgrondig en zegt: ‘Eigenlijk is het nergens zo mooi als hier.’

Polderpers