Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Hoofdstuk 27 Bliksem in februari

Misschien dat ik de afgelopen maanden twee keer rijp in de griend achter het huis heb gezien. De laatste keer was de staart van de pauwehaan – die voor het eerst sinds maanden weer waardig rondom het huis schrijdt nadat alle gevolgen van de laatste rui zijn verdwenen – er wit door gekleurd. Voor de rest ging de winter voorbij zonder winter te worden. Bijna elke dag dansten de muggen tussen de twee oude, scheefgegroeide knotwilgen onder aan de dijk. Ze vormen een natuurlijke poort naar de boomgaard en de schapeschuur. Elke keer als ik er doorheen ging, moest ik me diep bukken om de muggen te ontwijken. Want anders dan in de zomer bewegen ze zich nu in vertraagd ritme en reageren ze niet met uiteen te wijken als ik er door wil.

Op het bouwland in de polder is al vanaf oktober vorig jaar geen tractor en geen giertank meer geweest. De grond is zo zompig en nat dat je laarzen worden vastgezogen. Karresporen staan vol plassen. In de sloten reikt het water tot aan het land. Aan de buitenkant van de dijk is het water hoog op de uiterwaarden gekomen. Op een nacht toen de grond onderliep, stak een leger mollen, veldmuizen, muskusratten en hazen de dijk over om zich aan de andere kant in veiligheid te stellen. Sindsdien is de boomgaard, de griend, het weiland en de berm van de dijk één grote molshoop. Soms trilt de aarde door al het gewroet. Er moet zich daar onder de grond een ware slachtpartij voltrekken. Want mollen verdragen niet dat de nieuw aangekomen mollen zich tegoed doen aan hun voorraden wormen. Tussen de maisstoppels op het bouwland hurken drie, vier hazen bijeen. Verwonderd over zoveel drukte. Elke keer als ik door de griend ga vluchten fazanten met veel rumoer en beledigd hoog stemgeluid weg. Want bij elke evacuatie hoort ontreddering en chaos.

Onder de oude pere- en pruimebomen heeft zich in de loop der jaren opschot gevormd. Dunne,armetierige boompjes die nooit vrucht zullen dragen maar die altijd snel merkwaardig lichtgroen blad krijgen. Dit jaar zijn ze wel heel vroeg. Het blad van de kamperfoelie is veel donkerder gekleurd, bruingroen bijna. Het is twee maanden eerder dan vorig jaar. De vlier is vanzelfsprekend heel ver en het `bloeiend hout’, de forsythia,toont gele bloempjes aan weerbarstige takken. Er zijn zwartkijkers die somber voorspellen dat als daar één flinke nachtvorst over gaat, alles kapot vriest. Ik weet inmiddels beter. Na twee, drie weken zal alles wat nu te zien is zich immers herhalen in een oneindige regelmaat. Want de natuur vergist zich hoogstzelden. En er zijn zorgelijke voorbijgangers die een zomer vol muggen, wespen en ander `ongedierte’ – ik heb het altijd een beetje moeilijk met die aanduiding – profeteren na het uitblijven van de winter. Zelf verheug ik me liever op het vette jaar dat aanbreekt voor de spinnen, de padden, de egels en de zangvogels.

Maar toch is dit een beetje een mistroostig seizoen. Want seizoenen moet je voelen, ruiken, beleven. En de winter hoort ontbering te geven, sneeuw, kou en ijs. Als het ene seizoen zich niet onderscheidt van het andere wordt alles vlak en eentonig. Ik heb voorzichtig voorgesteld naar Noorwegen te emigreren, daar zijn nog echte winters. Maar Mark wil z’n museum meenemen en Sander is verknocht aan z’n school. Op een nacht in februari stormde het en vielen dode takken uit de es ratelend op de dakpannen. De regen zwiepte tegen het huis, alles trilde en schudde en het was een leven als een oordeel. Toen werd plotseling de nacht verlicht door de bliksem, onmiddellijk gevolgd door een harde donderslag. Ineens was alles stil. De wind zweeg. De regen hield op. De takken van de bomen zwiepten niet langer. Er werd zelfs niet gefluisterd. Nooit eerder heb ik in een seizoen zoveel stilte gehoord als in die nacht van februari toen de bliksem lichtte.

Polderpers