Hoofdstuk 37 De lapjeskatten
Een paar dagen geleden heeft de lapjeskat voor de tweede keer van dit seizoen een nest met jongen geworpen. Het zijn er drie. Eén die sprekend op haar moeder lijkt en twee die alles van hun vader hebben. Dat is een gehavende, zwervende kater die ’s zomers in het maïsveld op muizen jaagt en ’s winters zich verborgen houdt in de rietput bij het populierenbosje. Een paar dagen van het jaar verliest hij zijn schuwheid en nadert het huis tot op enkele meters, om zich over de krolse katten te ontfermen.
Er zijn twee lapjespoezen. De een is de dochter van de ander. Ze schelen drie jaar en de moeder oefent nog altijd het gezag uit. Ze zijn beide op hetzelfde moment krols en worden beide door dezelfde kater gedekt. Steeds werpt de moeder als eerste haar jongen. Dan kruipt de hoogzwangere dochter bij haar in het nest. Of het nu komt door het zuigen van de pasgeboren poesjes aan haar tepels waardoor de weeën eerder worden opgewekt, of gewoon omdat het haar tijd is, maar elke keer gebeurt weer het mirakel. Drie dagen na de moeder jongt steevast de dochter. In hetzelfde nest. Ze werpt altijd precies hetzelfde aantal jongen als de moeder. Zelfs de kleur vertoont overeenkomsten. Vijf, zes dagen blijven de twee moederpoezen in het nest. Voor de jongen moet het dan een eldorado zijn. Overal waar ze voelen, voelen ze tepels. Ze groeien zo hard, dat nog voor de ogen open zijn, ze al op hun buik tussen de bereklauwen schuifelen. Dan houdt de oudste lapjeskat het voor gezien en laat ze het zogen aan de dochter over. In de griend vangt ze mollen, veldmuizen, ratten, een enkele keer een jong haasje die ze bij het nest brengt waar de jongen zich blazend te goed doen aan de buit. Niks geen Felix brokken of kattegrit, ze groeien op tussen de brandnetels en het groot hoefblad, spelen met kikkers en besluipen veldmuizen, die eerst door de moederpoezen gevangen zijn en in half verdoofde toestand naar het nest zijn gebracht. En ze vermaken zich met grote kruisspinnen die in het najaar webben weven tussen de bomen. Soms zijn er ineens een paar poesjes verdwenen. Die hebben zich misschien gevoegd bij de grote zwarte kater tussen het maïs of zijn ten ondergegaan aan een nies- of andere kattenziekte. De jongen die overblijven worden net als hun moeder: taai, sterk, gespierd. Rovers in het veld. Vorige herfst vocht er nog een met een wezel die zich ophield in de buurt van het kippenhok. De strijd bleef onbeslecht maar de wezel heeft zich sindsdien niet meer laten zien.
Geen wonder dat als mensen uit de stad passeren ze verrukt raken van de jonge katten. Ze willen ze hebben. Dat is prettig want zo blijft het kattenbestand in de griend op peil. En zo blijven ook de jonge haasjes en wezels in leven. Maar ik waarschuw de mensen uit de stad wel, want de katten bij ons op het dorp zijn geen stadskatten. Ze willen ze tóch. Zo zijn in de loop der jaren al dozijnen jonge katten weggegaan.
Maar dat is nu voor het laatst geweest. Bijna dagelijks ontmoet ik mensen die zich beklagen over mijn katten. Ze zijn niet zindelijk. Ze verwarren het hoogpolig tapijt op de etagewoning met de groentetuin in de griend. Ze zijn aangestoken door vreemde ziektes van ongure stadskatten die hier op het dorp niet bestaan. Ze zijn agressief, ze eten geen brokken maar werpen zich op het vlees in de vriesla. En onlangs werd me op een bijeenkomst, ten overstaan van veel aanwezigen, toegeslingerd dat ik een louche beestenhandelaar ben.
Zo is het genoeg. Ik ga de kater vangen om hem te castreren of ik zorg dat de poezen onvruchtbaar worden. Katten weggeven doe ik niet meer.