Hoofdstuk 40 De grafsteen voor de twee vrienden
De oude Gerrit werd achtentachtig jaar. Hij werd begraven naast het graf van zijn vriend Rutje die negentig is geworden. Dat hadden beiden zo gewild. Dat hadden ze al afgesproken toen ze nog jong en sterk en elke diender te slim af waren.
Met Rutje en Gerrit stierf een generatie. Met hen werd, zoals dat heet, een periode uit de geschiedenis afgesloten. O nee, ik ga helemaal niet sentimenteel doen over hoe goed het toen was. Ik weet nog: het was op een koude winteravond dat ik Gerrit leerde kennen. Er woei vanuit het oosten een fijne jachtsneeuw tegen de dijk. Prachtige witte kragen koekten tegen de helling vast. Ik genoot.
Ineens zag ik Gerrit. Hij was, zoals elke avond, bij Rutje op bezoek geweest. Rutje woonde aan de buitenkant van de dijk. Gerrit aan de binnenkant, honderd meter verder naar de peilschaal. Plotseling zag ik hem zoeken. Hij stopte. Liep vooruit en achteruit en mopperde luid. Door de wal van stuifmeel, zo begreep ik later, was het pad naar zijn huis onvindbaar geworden. Toen hurkte Gerrit neer, zette zich af tegen de kruin van de dijk en liet zich vier meter naar beneden glijden. Ik hoorde een bons en een vloek. Geschrokken sprong ik hem zo goed en zo kwaad als dat ging na. Gerrit was toen al achter in de zeventig. Er was niets ernstigs gebeurd. Hij was tegen een pereboom tot stilstand gekomen.
Hij hielp mij overeind en zei dat ik maar even binnen moest komen. Hij woonde toen nog in een oude schuur met een rieten dak waar ’s zomers de vogels in en uit vlogen. Binnen lag net zoveel sneeuw als buiten. Met een jute zak veegde hij twee stoelen schoon, gooide kolen op het vuur en leerde me dat je bij gladheid en sneeuw altijd het beste op je achterste naar beneden kunt gaan. `Dan breek je het minste.’
Daarna leerde hij me veel meer. Hoe je hoge eisen kunt stellen zonder veeleisend te zijn. Gerrit en Rutje waren vrijbuiters. Ze waren arm, ze leefden sober, ze waren ongebonden en ze accepteerden geen gezag. Daarom waren ze vrij. Gerrit was de beste stroper. Hij strikte honderden hazen tot woede van de boeren in de polder. Toch was Gerrit goudeerlijk. De hazen verdeelde hij onder de mensen aan de dijk. De gezinnen met de grootste armoede kregen de meeste hazen. Rutje was de beste visser. Hij ving bunnen vol paling en hij verdeelde ze zoals toen bij de wonderbaarlijke spijziging. Gerrit en Rutje geloofden niet in hemel of hel. Ze wantrouwden dominees zoals ze politieagenten wantrouwden. Toch hadden ze een fijnzinnig sociaal gedrag ontwikkeld. Ze gaven meer dan ze namen.
Nu liggen ze op de begraafplaats van het dorp aan de rivier. Hun graf is te vinden op het oude gedeelte. Tussen eiken en treurwilgen. Grillige bomen met knoestige takken die meer dan honderdvijftig jaar geleden werden geplant. Het geurt er naar hars en nergens is de natuur zo uitbundig als hier. Wat miezerig is bij voorbeeld het met ijzeren hekken omgrensde familiegraf van een dorpsnotabel een eindje verderop.
De mensen aan de dijk wilden iets terug doen. Ze kwamen bij elkaar en ze besloten samen een steen op te richten waardoor ook anderen zouden weten dat hier twee onvergetelijke mensen begraven liggen. En op de grafsteen lieten ze een tekst graveren, die door de wethouder was gemaakt:
Hier liggen begraven Rutje en Gerrit,
twee onafscheidelijke vrienden
die de vrijheid liefhadden,
strikten en stroopten
en gelukkig waren.