‘De ondergang van een veevoederbedrijf’
Toen duizend boeren in Engeland eind vorig jaar de dupe werden van giftig veevoer uit Nederland, dacht de Britse minister van landbouw direct aan een ‘grote criminele samenzwering’. Die argwaan lag voor de hand. Want nergens zijn op dit ogenblik de verhoudingen zo ziek, is de stemming zo bitter en de concurrentie zo moordend als binnen de bedrijfstak van het veevoer. Fusies, faillissementen, voer dat niet te vreten is en dode koeien in Friesland zijn het gevolg. De overheid ziet intussen belangstellend toe hoe bedrijven – op de rand van het fatsoen en met als inzet de volksgezondheid – elkaar naar het leven staan.
Het jongste slachtoffer in de strijd om de macht over het veevoer, is het Rotterdamse bedrijf Granaria. Twee jaar geleden al vrijwel failliet maar toen nog even op de been gehouden door een argeloze beslissing van de minister van verkeer en waterstaat N. Smit-Kroes, die Granaria het recht gaf buiten de beurs om lading te vervoeren. Dat moment van toegeeflijkheid kostte de staat tenslotte tien miljoen en sommige kleine particuliere schippers een paar jaar van hun leven. Het bestaan van Granaria werd door de affaire nog twee jaar gerekt. Inmiddels heeft het Rotterdamse veevoedergrondstoffenbedrijf zichzelf aangeboden aan concurrent Schouten in Giessen – dat nu een monopoliepositie heeft in Nederland. Schouten is overigens al lang niet meer wat het was – eigendom van de zeer christelijk gereformeerde familie Schouten die ooit gebood dat alle graanschepen uit Giessen waar ook ter zee of op de rede op zondag zouden stilleggen. De familie ging tenslotte financieel ten onder aan speculatie op de termijnmarkt. Nu is het graanbedrijf al weer jaren eigendom van een reeks beleggers met Shell en de Rabobank als grootste aandeelhouders.
Maar een monopolie in Nederland is erg betrekkelijk. Schouten is volstrekt afhankelijk van het allergrootste bedrijf Cargill in Noored-Amerika en vier andere die de internationale graanhandel domineren: Bunge & Born, André Carnac, Continental Grain en Louis Dreyfus.
De veevoederhandelaren in Nederland zijn op hun beurt weer voor een deel gebonden aan Schouten. Niet om het graan, dat in Nederland al lang niet meer als veevoer gebruikt wordt. Maar om de graanvervangers zoals soja, tapioca, maisgluten en kopraschroot die veel goedkoper zijn. En er kunnen ook afvalprodukten als bietenpulp en bostel (een restant van de bierfabricage) in veevoer worden gestopt. Of beendermeel, het bloed, de veren en zelfs het vlees van kadavers. Er kan eigenlijk van alles voor worden gebruikt – alle dieren zijn omnivoor geworden. Additieven, groeibevorderende stoffen en antibiotica om het maagdarmkanaal van het beest dat door alle vreemde stoffen in opstand komt, weer wat in gerede te brengen. En papierafval dat de brokken voor de koeien en de varkens zo smeuiig maakt. Het voer wordt alsmaar geavanceerder. Een dikbil krijgt een smal-spectrum antibiotica door het voer waardoor het dier steviger poten krijgt om de vracht van het lichaam te kunnen torsen. Een fokvarken dat een bepaalde hoeveelheid sperma per week moet produceren, krijgt stimulerende middelen om vaker te kunnen springen. Het ideale krachtvoer voor een melkkoe bestaat vooral uit melasse, destuctievet en grondnotenschroot. ‘Er wordt gegoocheld en gerommeld. Er wordt zorgvuldig gewaakt dat fabrieksgeheimen voor anderen onbekend blijven. Onafhankelijke controle bestaat niet, ‘ zegt A. F. B. van de Poel van de vakgroep veevoeding van de Landbouwuniversiteit in Wageningen.
Al die ‘vervangers’ – er wordt op dit ogenblik geexperimenterd om gescheiden afval uit kazernes in het diervoer te stoppen – komt uiteindelijk terecht in de melk, eieren en het vlees die naar de consument gaan. Het is een beetje het verhaal van de namaaktomaat. Terwijl er zoveel graan is dat de Europese Gemeenschap straks jaarlijks zestig miljoen ton graan tegen miljarden guldens uit de markt moet nemen, voedt de ‘agro-industrie’ haar beesten met schroot en pulp.
De boeren in de Verenigde Staten kregen ooit te horen ‘get bigger or get out’. Binnen de veevoerindustrie wordt nu de variant toegepast ‘get cheaper or get lost’. Sinds de komst van de superheffing, verminderde het aantal koeien met tien procent. Er kwamen aanvankelijk wat meer varkens en kippen voor in de plaats, maar inmiddels dwingt het mestoverschot hier eveneens tot sanering. De strijd om het bestaan onder de veevoerbedrijven is inmiddels bikkelhard geworden. Eén gulden verschil op honderd kilogram voer bepaalt de toekomst van een onderneming. Unilever zag geen droog brood meer in de markt en verkocht het veevoerbedrijf UTD. Het voedselconcern Wessanen deed het mengvoerbedrijf Victoria van de hand. Een reeks kleine bedrijven, vooral in het noorden van het land, gaven de strijd op.
Cooperaties, die de markt van het veevoer voor 55 procent in handen hebben, zijn driftig aan het reorganiseren. Soms dwingt de concurrentie individuele veevoerbedrijven grote risico’s te nemen. Schadepartijen. Nóg goedkoper voer. Dan kan het mis gaan. Het veevoederbedrijf van A. H. Slump torent hoog uit boven het kleine Friese dorp Stroobosch. Ideaal gelegen aan het Prinses Margrietkanaal dat de Friese meren met Delfzijl verbindt. Eind vorig jaar kwam er aan de tachtigjarige geschiedenis van het bedrijf een abrupt eind – alleen een gunstige uitspraak van de rechter, half februari, kan Slump nog redden. Enkele honderden boeren – klanten van Slump – bleken met lood en zink vergiftigd veevoer in hun silo’s te hebben. Koeien gingen dood. Twee miljoen liter melk raakte besmet – waarvan overigens een deel werd verwerkt tot boter die in de winkel te koop is terwijl over de rest waarvan melkpoeder is gemaakt nog gediscuteerd wordt. Een kleine vierhonderd boeren raakten gedupereerd. Het produktschap voor veevoeder schrok op uit haar gezapig bestaan en reageerde weer eens met noodmaatregelen. En alle voorgaande berichten over dioxine in de melk en hormonen in het vlees werden, zoals steeds, overschaduwd door een nieuw schandaal.
Het kantoor op het bedrijfsterrein van Slump is een sober, kaal gebouw dat demonstreert hoe zuinig de marges in deze branche zijn. Directeur A. H. Slump heeft tumultueuze dagen achter de rug. Hij maakte een boetegang langs tientallen boeren. Vertegenwoordigers namen ontslag. Andere personeelsleden waren aanvankelijk zo woedend over de fouten die de directeur had gemaakt, dat zij hem in het kanaal dreigden te gooien. Ze aanvaardden tenslotte zijn excuses. Hij is timide, nerveus en schuldbewust: ‘Ik had dat spul nooit moeten kopen. Ik had dat niet moeten doen. Wat gebeurt er? Je bent voortdurend uit op koopjes. Je moet je grondstoffen zo scherp mogelijk inkopen om je bedrijf gezond te houden. We moeten overleven. Op een bepaald moment wordt er gedumpd, goedkoop spul. Iedereen wil z’n omzet op peil houden. Vanuit het westen komen de leveranciers hier om hun grondstoffen aan te bieden. Je weet dat je risico’s aangaat. Je weet dat het om schadepartijen gaat. Maar op een gegeven moment ga je schipperen. Je gaat zaken met de duivel doen om je bedrijf draaiend te houden. Dan gebeurt er dit. ‘
Slump zegt dat hij als veevoerhandelaar in de tang zit van de grote graanbedrijven. Hij koopt zijn grondstoffen uit het hele land, soms zitten ze in zeeschepen die onderweg zijn. Hij doet zaken met importeurs als Schouten-Granaria, die weer kopen bij Cargill of Bunge. Slump: ‘Die importeurs stellen via het koopcontract hun eisen, ze hebben vooral rechten maar heel weinig plichten. Als je bijvoorbeeld een schip op aflading koopt moet er in een tijdsbestek van twee maanden geleverd worden. Maar boten kunnen altijd om verklaarbare of onverklaarbare reden te laat vertrekken of langer onderweg zijn. Ik reken op een vracht voor bijvoorbeeld half oktober. Maar het kan evengoed nog twee maanden duren. De importeurs hebben een monopolie. Wat doe je dan als veevoederfabrikant? Voorraden vormen kan niet omdat daar te veel geld in gaat zitten. Je gaat je inkoop spreiden. Als de boot niet op tijd komt dan ben ik aangewezen op Granaria in Meppel voor een vracht grondstoffen. Dan kom ik terecht bij Roveghra in Marknesse Of nog erger, ik ben aangewezen op de Bruijn bv in Waspik. Op dat moment neem je bepaalde risico’s omdat zulke bedrijven schadepartijen verwerken. Vooral De Bruijn is een hyena, die ruikt een lijk op een kilometer afstand. Het is mijn fout, ik ben te ver gegaan. ‘
Toen Slump in 1980 het familiebedrijf overnam kende hij de gevaren die hij zou kunnen tegenkomen. De concurrentie was toen al fel. Later kwam de superheffing en verhevigde de strijd in de bedrijfstak. Slump: ‘De boeren schreeuwden eerst moord en brand maar uiteindelijk werkte de maatregel heilzaam. Ze moesten hun veestapel uitdunnen. De slechte koeien gingen eruit. Omdat er minder melk werd aangeboden, ging de prijs omhoog. Nu verdienen de veeboeren meer. Maar de omzet in rundveevoer daalde hier in het noorden met dertig tot veertig procent. Heel veel kleine bedrijven gaven op. De cooperaties zijn bezig met fusiebesprekingen. Ik, als middelgrote ondernemer, ben net als Albert Heijn. Ik maak produkten die de boer wil. Die wil krachtvoer naast zijn eigen ingekuilde gras en mais. Ik bezorg hem die. Het goedkoopste voer voor de koe is vet uit bijvoorbeeld cocos of maisgluten. De boer wil voer tegen de voordeligste prijs maar een koe mag maar vijf procent vet hebben. Dus zoek je naar andere methoden om een scherp geprijsd produkt aan te kunnen bieden. ‘
In augustus vorig jaar komt in de haven van Antwerpen het Birmese vrachtschip ‘Sagaing’ aan met een lading rijstmeel uit Rangoon. Onder de lading, op de bodem van het ruim, ligt een dan nog onbekende, fijne, poederachtige chemische stof. Een grijper werpt de lading op de kade, waardoor de chemische stof met het rijstmeel wordt gemengd. Het expertise bureau ‘Intersurvey’ in Antwerpen neemt monsters en komt tot de ontdekking dat de rijstzemelen vergiftigd zijn met zink. Dat wordt op 11 augustus gemeld aan de eigenaar van de lading, het Hamburgse graanconcern Alfred C. Toepfer Internationaal GmbM. Daarna vervaagt het beeld. Volgens de president van de Rotterdamse rechtbank – waar later een kort geding over de schuldvraag wordt gehouden – is daarna op verzoek van Toepfer een monster van de lading door een labaratorium in Bremen onderzocht. Het resultaat luidde: ‘Zink 5, 7 procent, blei(lood) 10 procent’. Die analyse wordt op 1 september aan Toepfer meegedeeld. Maar op 10 november geeft Toepfer een verklaring uit waarin staat dat het bedrijf alleen op de hoogte was van vergiftiging van het rijstmeel door zink. En net nog op de laatste dag van augustus – één dag voor het rapport aankomt met de gegevens over het hoge percentage lood – doet Tá”ápfer de lading over aan De Bruijn bv in Waspik. Het Westduitse bedrijf geeft 6000 gulden tóe aan De Bruijn die de opdracht krijgt de lading te vernietigen. Maar De Bruijn vernietigt niets. Hij laat ook een monster analyseren, alleen op het zinkgehalte. De uitslag (4 procent) doet De Bruijn besluiten een deel van de lading door te verkopen aan weer een andere handelaar, Rovegrha uit Lekkerkerk die een drogerij heeft in Marknesse. Roveghra tenslotte voltooit het dodelijke circuit door de grondstoffen als veevoer tegen een prijs van f 26, 50 per honderd kilogram door te verkopen aan Slump. Het drama zet in op 27 oktober als de eerste koe dood wordt gevonden. De Bruijn verkoopt ondertussen de rest van zijn voordelig gekregen handel door aan Engeland waar een nog veel grotere ravage wordt aangericht dan in Friesland: twaalf honderd boeren worden ernstig gedupeerd, tientallen koeien gaan dood en de Britse minister van landbouw John Cummer veronderstelt een complot van het continent tegen de Engelse boeren.
Toepfer – om aan te geven wie met wie handelde – is voor de helft eigendom van de Noordamerikaanse graangiganten. De andere helft is in handen van Intrade nv op Curacao en daarin neemt weer deel ‘Cebeco-Handelsraad’ – een machtige coá”áperatie die op dit ogenblik met geld van de Rabobank investeert in een reeks voedselbedrijven. Datzelfde Toepfer betaalde 6000 gulden aan De Bruijn om de bewuste lading vergiftigde rijstmeel te vernietigen. Maar als de partij werkelijk naar de ovens van Afvalverwerking Rijnmond zou zijn gestuurd, had verbranding op z’n minst zestig duizend gulden gekost. Wie was de filantroop?
De Bruijn en Roveghra hebben binnen de veevoederhandel een onmisbare functie die het best te vergelijken valt met de kraaien in de dierenwereld: ze leven van aas en afval. Als de keurige, nette graanbedrijven met schadepartijen zitten, met grondstoffen die ze zelf niet vertrouwen en kunnen verhandelen, dan worden die aangeboden aan ondernemingen die opereren in het ‘grijze’ circuit: Roveghra en De Bruijn. De allereerste firma aan wie Intersurvey uit Antwerpen de met ‘zinkconcentraat gecontamineerde rijstmeel op kaai 174’ (telex van 19 augustus 1989) aanbood was Roveghra. Die antwoordde: ‘Helaas kunnen wij voor deze partij geen geld bieden in verband met de giftige zink. Mocht er helemaal geen biedingen bij u binnenkomen dan zijn wij wel bereid om onder bepaalde voorwaarden over de overname van deze partij met u te spreken. Wij horen graag van u. ‘
En aan wie verkopen vervolgens De Bruijn en Roveghra? Ik steek mijn licht op bij gebroeders Van Es graanfactory in Rotterdam. Een ‘factor’ is een tussenpersoon die iemands belangen in de haven behardigt. Van Es doet dat voor Slump en ik kom terecht bij ‘factor’ W. de Bruin. Hij lacht spottend en hard: ‘Wij kennen dat circuit. Die collega’s van Slump doen nu wel roomser dan de paus maar heel de mengvoerindustrie koopt van De Bruijn en Roveghra. Hoe zouden zij anders van die afgekeurde troep die ze hebben kunnen afkomen? Dat moet toch ergens blijven. Het zijn twee ondernemers die schadepartijen en verontreinigde grondstoffen opkopen of overnemen en die vervolgens gaan recyclen, zeg maar opoetsen. Er is nooit iemand geweest die gezegd heeft dat je voor hen moet oppassen. Het is net als met die atoomcentrale in Rusland waarmee het misging. Eerst moeten er koeien doodgaan. Nu komen al die mengvoederfabrikanten ineens als een haas naar ons labaratorium om hun grondstoffen te laten analyseren. Het is jammer dat Slump het slachtoffer geworden is. Dat bedrijf had altijd een goede reputatie. Wij kennen het hier al veertig jaar. Nu is het geruïneerd, maar het had net zo goed een ander bedrijf kunnen overkomen. ‘
Nerveus geworden door de loodvergiftiging in Friesland, kwamen plotseling alle partijen in beweging. De stichting ‘Afnemers Controle op Veevoeder'(ACV) zond eind december haastig een rondschrijven naar de leden met daarin de jongste gedragsregels. Zo zijn van nu af aan alle gemengde grondstoffen ‘die bestaan uit meerdere componenten die niet van één moederprodukt afkomstig zijn’ taboe in het veevoer. De enige uitzonderingen zijn ‘dier- en vleesbeendermelen, sojaschillen, aardappeldiksap, vetten en melkpoedervervangers. ‘ De stichting – waarbij 15 procent van de mengvoederfabrikanten zijn aangesloten – hamert op ‘deugdelijke specificaties’ een ‘een verklaring van de leverancier dat het produkt van gebruikelijke handelskwaliteit is’.
Het Produktschap voor Veevoeder was nog sneller. Op 2 december werden in allerijl loodnormen van kracht voor grondstoffen die verwerkt worden tot veevoer – een maatregel die nooit eerder had bestaan.
Op een holletje werd voorts – op 6 december – een convenant afgerond tussen de veevoerhandel, de mengvoederindustrie, de landbouworganisaties en de zuivelindustrie voor vermindering van aflatoxine in de melk. Aflatoxine is een schimmelgif die ontstaat bij niet goed drogen van bijvoorbeeld grondnoten, palmpitten, katoenzaad en mais. In het ergste geval kan aflatoxine kanker veroorzaken. Volgens het ministerie van landbouw mogen mengvoeders 0, 01 mg aflatoxine per kilogram bevatten. De ondertekenaars van het convenant gaan terug naar de helft. Niet omdat de volksgezondheid in eigen land dat vraagt maar omdat ‘in een aantal voor ons zeer belangrijke exportlanden steeds hogere eisen gesteld worden aan aflatoxine-arme produkten. ‘ Het convenant roept de ondertekenaars op ‘risicovolle grondstoffen te weigeren’ en uitsluitend te kopen bij handelaren die ook getekend hebben.
‘Dat is een goede afspraak die we nu met elkaar gemaakt hebben’, zegt W. Wiegeraadt van de Federatie van Nederlandse Mengvoederbedrijven(FNM). ‘Voor de export is dit van het grootste belang. Het is natuurlijk wel zo dat wij onze problemen hiermee afwentelen op de ontwikkelingslanden. Door onze hoge kwaliteitseisen vegen wij hen van de markt af. Aflatoxine is een kwestie van verkeerde droging. Dat moet aan miljoenen kokosboeren in de Philippijnen worden duidelijk gemaakt. Dat is een gigantisch werk. Het zal voor hen steeds moeilijker worden grondstoffen aan de EEG te leveren. ‘
En het allerlaatste gevolg van de affaire-Slump is dat het labaratorium van het Comité van Graanhandelaren in de Rotterdamse Waalhaven drastisch moet uitbreiden door de rush van geschrokken mengvoederfabrikanten die met monsters komen.
Het is allemaal wat genant. Graan- en mengvoederhandelaren die jarenlang lichtzinnig experimenteren met veevoer dat tenslotte in melk en vlees op tafel komt. Er was wel controle, maar vrijblijvend en vooral niet onafhankelijk. De cooperaties bijvoorbeeld laten zich controleren door ‘De Schothorst’ in Lelystad – het (eigen) onderzoeksinstituut van de drie centrale landbouworganisaties. Vier inspecteurs hebben tot taak tachtig produktiebedrijven na te lopen. Volgens adjunct-directeur J. van der Aar van De Schothorst’ komen die inspecteurs eens in de twee weken ‘onaangekondigd’ ergens binnen. ‘Op die manier ontwstaat een goed beeld’
De coá”áperaties beheersen de markt van het mengvoer voor meer dan de helft. De middelgrote en kleinere bedrijven (molenaars) die 15 procent van de markt in handen hebben, zijn vrijwillig aangesloten bij de stichting ‘Afnemers Controle op Veevoer'(ACV). De overige dertig procent worden volgens Van der Aar niet extern gecontroleerd. Ze doen het zelf, er is geen onafhankelijke controleur. Het zijn de allergrootste bedrijven in Nederland zoals UTD, Koopman, Victoria, Koudeis en Hendrix. Het zijn de fabrikanten die ook de meeste fabrieksgeheimen hebben – zoals Hendrix in Boxtel, waarvan de raad van bestuur, na aanvankelijke toezegging van de directie en het hoofd van de afdeling publiciteit, de verslaggever van Vrij Nederland verbood het bedrijf te betreden. Omdat ik in het verleden schreef over de ijzeren greep waarmee het voederbedrijf de boeren in Brabant gevangen houdt. Zij zijn met geld en contracten aan Hendrix geketend. Zij voeren hun beesten wat Hendrix voorzet.
Het ministerie van landbouw koestert graag de mythe van de boer als onafhankelijke ondernemer en doet daarom niets. Eigenlijk heeft de Nederlandse agro-industrie maar één opdracht en dat is het aandeel van de landbouw op de handelsbalans handhaven op twintig miljard gulden. Het ministerie van landbouw heeft wel een controle apparaat, de Algemene Inspectie Dienst(AID). Maar die komt vooral – zoals in de zaak-Slump – achteraf in actie als het kwaad is geschied. Plaatsvervangend-directeur van het AID J. Enting antwoordt openhartig over het echte belang dat voorop staat: ‘Het afwegen van het agrarisch belang voor de handelsbalans speelt een rol bij de beoordeling van de mestproduktie en de voedertechnieken. ‘
Enting prijst Slump om alle medewerking bij het onderzoek. Slump heeft 2500 ton met lood en zink vergiftigd veevoer teruggehaald bij zijn klanten – dat heeft hem twee miljoen gekost en b racht hem op de rand van bankroet. Maar wat met die afval te doen? Weer falen controleurs en wetgeving. Slump zegt: ‘Ik heb begrepen dat ik die giftige grondstoffen gewoon mag dumpen op een vuilstortplaats. Daar is niets tegen. Ik denk dat ik het ook ga doen, ik moet dat spul kwijt. Als vogels erin gaan pikken en doodgaan is dat heel vervelend. Maar storten mag. ‘
In de jungle vecht iedereen voor zichzelf.
Vrij Nederland, 3 februari 1990