‘Anton Uncu, een journalist die weigerde mee te doen aan de leugens van Casa Scinteii’
Vanuit ‘Casa Scinteii’, een enorm krantenpaleis zes kilometer buiten het centrum, zijn meer dan twintig jaar lang alle leugens over het regiem in het land verspreid. Alle dag- en weekbladen zijn hier gecentraliseerd en konden aldus gemakkelijk worden gecontroleerd. Nooit viel hier zelfs maar een onvertogen woord – op die ene keer na toen twee journalisten en een typograaf van Romania Libera een illegale krant voorbereidden. Ze werden uitgestoten maar waren de eerste dag na de revolutie terug. En drie dagen later publiceerde voormalige rebel Petre Mihai Bacanu het schoolrapport van Elena Ceaucescu, alias ‘de briljante akademische ingenieur’, uit haar vierde en laatste schooljaar 1929-1930. Voor taal stond ze een 4, aardrijkskunde 3, hygiëne 5. Haar gemiddelde cijfer was 4, 33.
Op de vierde verdieping in linkse vleugel ontmoet ik Anton Uncu(51), sinds 22 december de nieuwe hoofdredacteur. Een kleine man met vrolijke ogen. In de zomer van 1988 hadden hij, Petre Bacanu en Mihai Cranga na lang zoeken eindelijk een handpers gevonden van het type ‘Boston’. De zetter stal lood en gezamenlijk sneden ze letters van hout. Op de avond dat het eerste proefexemplaar was gedrukt met de oproep ‘Ontwaak Roemenië’ wist Uncu zich – op weg naar huis – bespied door een achtervolger. Toen hij daarop telefonisch zijn vriend wilde waarschuwen, begreep hij dat de telefoon werd afgeluisterd. Daarop liet hij zijn vrouw de tekst lezen, vroeg haar die vooral goed te herinneren en vernietigde het eerste exemplaar. De andere dag klopte iemand op de deur en kondigde zich aan als ‘goed volk’. Drie agenten van de securitate stapten binnen en doorzochten minitieus vier uur lang het huis. Ze vonden niets, namen Uncu mee en arresteerden op hetzelfde moment de andere twee samenzweerders. Uncu werd geslagen, met vuisten en stokken. De ondervragers lieten hem zeven dagen en zeven nachten niet slapen.
Vijf dagen lang hoorde hij naast zich in de cel het geluid van kreunende en van pijn schreeuwende mensen. Was het echt? Was het een band om hem murw te maken? Op zeker moment hoorde hij in de stem zijn vrouw huilen. Het was een hel. Maar dat vooruitziende moment om zijn vrouw de tekst te laten lezen redde tenslotte zijn leven. Zij wist zich de tekst te herinneren en kon Radio Free Europe op de hoogte stellen. Ineens werden Uncu en zijn vrienden bekende Roemenen. En Ceaucescu, die tot op het laatst hoopte nog eens ooit de Nobelprijs te ontvangen (volgens overlevering zei Elena keer op keer in het centraal comité: bezorg de kameraad toch de Nobelprijs), kon zich niet permitteren bekende gevangenen te laten verdwijnen. Uncu moest een verklaring ondertekenen nooit meer actie tegen de staat te zullen ondernemen. Hij weigerde. Hij werd vier minuten aaneen hard geslagen. Hij weigerde. Hij werd weer vier minuten geslagen, nu een tand uit de mond. Hij tekende.
Hij ging terug naar de krant. Twee collega’s – die er nu nog zitten -sisten: weg jij. Hij werd naar Moldavië verbannen, verloor de helft van zijn salaris en werd te werk gesteld in een bibliotheek.
Nu terug als hoofdredacteur. Opvallend lankmoedig: ‘We waren intellectuele prostituees. We hadden een bizarre vorm van zelfcensuur ontwikkeld. We wisten alles maar we durfden niets. Maar er is geen tijd voor een vendetta, voor een heksenjacht. Vrijwel heel de natie heeft Ceaucescu toegejuicht. Er zijn maar heel weinig mensen schoon. Ik vind dat het beter is honderd schuldigen niet te straffen dan één onschuldige ten onrechte te straffen. Het was ook moeilijk om een dictatuur te bevechten die door de Europese landen gesteund werd. Iedereen waardeerde Ceaucescu, met medailles en ere-doctoraten. Na de aardbeving in 1977 kon hij al het geld uit het buitenland naar zich toetrekken en niemand van de hulpverleners die daarop toezag. Ik vergeef de Roemenen en ik vergeef jullie in Europa vanweg jullie stilte en gebrek aan kritiek en moed. ‘
Ach, wie draagt geen schuld? Crina Sirbu, journaliste bij Romania Libera die buitenlandse VIP’s intervieuwde toont me haar map. Enkele jaren geleden sprak ze met Andreotti in Italië. Hij prees Ceaucescu de hemel in. Ze stuurde de christen-democraat de tekst van haar interview. Andreotti was er zo verguld mee dat hij haar in Rome uitnodigde voor een diner. Ook Van Eekelen – nog voorzitter van de tweede kamercommissie voor buitenlandse zaken -prijst het buitenlandse beleid van de conducator. Brinkhorst( de eerste Europeaan onder zijns gelijken) is heel outspoken over de buitenlandse koers van de Roemeense leider en Jaap van der Doef kan er ook van wat. ‘Ik stelde alleen maar de vragen’, zegt Crina Sirbu – maar om eerlijk te zijn, kritische vragen ging ze uit de weg en kritische antwoorden zou ze nooit hebben kunnen publiceren.
Ik ga weer op bezoek bij de dominee van de protestantse kerk in het centrum van Boekarest. Vijf weken geleden stond hij me trillend van angst te woord in een alkoof van de consistorie. Nu verdedigt hij zich, kettingrokend, in zijn flat achter de kerk. Ik kan nu ook wat exacter zijn. Het is dominee Joachim Ambriosi van de Lutherse Kerk – sinds 25 jaar in Roemenië. Ook hij wist alles, natuurlijk wist hij alles: ‘Maar toen u hier vijf weken geleden was, was ik de laatste hoop van deze arme mensen hier. Ik was zo bang. Ik had opgepakt kunnen worden en dan hadden die mensen niets meer gehad. ‘ Veel, veel is verkeerd gegaan door de opstelling van de superieur van Ambriosi, bisschop Albrecht Klein. Een man van tachtig jaar. Ambriosi zucht: ‘In de oorlog diende hij onder de nazi’s als Oberinspektor van alle Duitse scholen. Hij is nadien altijd vriend en gehoorzaam geweest aan Ceaucescu. In Stuttgart staat een bedrag van 500. 000 DM op de bank om de alleenstaande oude mensen in Boekarest aan een bejaardenhuis te helpen. Dat staat er al jaren. Ik zei, bisschop doe er iets mee. Maar de bisschop zei, we hebben onze oude traditie van burenhulp en die heeft altijd goed gewerkt. Wij hebben geen diaconie nodig. Herr Klein zei ook dat hij zich belachelijk zou maken om die zaak bij president Ceaucescu aan de orde te stellen. Ik heb zelf de toenmalige bondspresident Karstens, die op statiebezoek kwam in Roemenië, gevraagd de bouw van een bejaardentehuis in Boekarest aan de orde te stellen. Maar Ceaucescu weerde dat onderwerp af, dat kon geen thema zijn van gesprek. ‘ De prijs die de Bonsrepubliek tot aan de 21e december aan de Ceaucescu-clan betaalde voor elke Duitser die Roemenië mocht verlaten bedroeg 11. 000 DM. Aflaat, ja hoe vreemd dat woord in deze serene omgeving ook klinkt. Ambriosi: ‘Maar Ceaucescu was in de positie van de chanteur en de regering in de Bondsrepubliek moest wel instemmen om geen stemmen te verliezen bij de verkiezingen. ‘ Ambriosi weet dat van de 230. 000 – er waren er eens meer dan 400. 000 – Duitsers die nog in Roemenië wonen er tachtig procent wegwil. Plotseling beslist: ‘ Geloof me, ik heb nooit voor de regering-Ceaucescu gebeden. Ik heb wel gebeden fáár unsere Heimat. ‘
Schuld. Samen met Albrecht Klein, de bisschop van de Lutherse kerk, zat bisschop Lá ászló Papp van de Reformatorische Kerk die op bevel van de regering dominee Lá ászlo Tá”ákés in Timisoara uit de kerk probeerde te stoten, in het nationale parlement. Bij hen zaten ook – dat was nu eenmaal zo geregeld – rabbi dr. Moses Rosen van de Joodse Gemeenschap en de aartsbisschop van de Roemeense orthodoxe kerk die via kerkelijke leerregels een uitgebreid gebed voor alles priesters had opgesteld voor het welzijn van Hem en Haar. Ze zaten niet alleen in het parlement. Ze waren allen, zegt Ambriosi, heel persoonlijk bevriend met Ceaucescu.
Zo valt de lijst met verantwoordelijke slippedragers oneindig uit te breiden. Hoe zat het met de rechtelijke macht die in schijnprocessen, geheime processen, gemanipuleerde processen en politieke processen onschuldigen de gevangenissen inzond. Zoals die rechter die een man uit de wijk Drumul Taberei tot tien jaar gevangenisstraf veroordeelde omdat hij in wanhoop vier kilogram vlees stal voor zijn vrouw en vier kinderen. Het vreselijkst van de misdaad was dat hij had gestolen ‘van het volk. ‘
En hoe gedroegen de hoogleraren en academici zich? De vrouw van de arts Alex Floresco is professor op de universiteit. Hij vertelt dat ze op gezette tijden bezoek kreeg van een kolonel van de securitate die een lijst bij zich droeg met namen van studenten. Hij deponeerde die voor haar neer en zei: ‘Deze mensen moeten slagen. ‘
Wat deden de artsen? Ik sta in het Eerste Hulp hospitaal in het centrum van Boekarest. De laatste operatie-instrumenten die werden aangeschaft dateren van vijfentwintig jaar geleden. Alex Floresco: ‘Wij hebben tientallen keren bij de minister van volksgezondheid op die situatie gewezen. Verder durfden we niet te gaan. Als we een formeel protest zouden hebben ingediend of in het buitenland van onze problemen hebben verteld, zouden we als dissident verbannen zijn geworden. ‘
Vrij Nederland, januari 1990