‘De angst van de Roemenen in de laatste dagen van Ceaucescu’
Het ergst van alle is de angst. Voor de grofheid van de politieman in de straat. Voor de arrogantie van de Securitate die aan niemand verantwoording schuldig is. Voor de laatdunkendheid van partijbonzen. Voor de bulldozers die van de een op de andere dag wijken en dorpen platwalsen. Kortom voor de grillen van Hem en Haar. Naast 21 miljoen Roemenen houden de Ceaucescu’s vooral twee miljoen leden van minderheidsgroepen als gijzelaar gevangen. Na de Duitsers en de Joden proberen nu ook de Hongaren massaal Roemenië te verlaten.
‘Iedere inwoner van Roemenië is een tweede-rangs burger. Maar de leden van de nationale minderheden verkeren in een derde-rangs positie. Voor hen is sprake van discriminatie met volledige afwezigheid van rechten. Het verschil tussen Roemenen en niet-Roemenen is het verschil tussen slecht en nog slechter, ‘ schrijft de Hongaar Pá ál Bodor die kort geleden Roemenië ontvlucht is. In het nieuwste nummer van ‘The new Hungarian quarterly’ dat in Roemenië brisant is, schrijft hij over de vernederingen, de rechteloosheid, de verdwijningen, de zelfmoorden van onderdrukten en de campagnes van haat en vijandschap tegen de minderheden. ‘Onderdrukking heeft honderdduizenden leden van de minderheidsgroepen aangezet het land te verlaten. De exodus van Duitsers en Joden duurt al jaren. De Hongaren zijn hen nu onlangs beginnen te volgen. ‘ Bodor bericht met ingehouden woede dat de stelselmatige discriminatie nog loont ook. Hij schrijft dat de Ceaucescu-clan ‘wordt beloond met politieke concessies, handelsvoordelen en losgeld in harde valuta voor elke Duitser en Jood die zij laten gaan. ‘
Hoe groter de angst en de terreur, hoe hoger de subsidies.
Op een donkere, regenachtige avond loop ik ergens in de buurt van de Calea Victoriei, waar de regeringsgebouwen staan, een zijstraat in die drabbig is van het losgeweekte vuil. Ongezien door de op regelmatige afstand staande militia, glip ik een ijzeren hek door naar de pastorie van een protestantse kerk. In de omringende straten klinkt het geluid van sirenes van auto’s die colonnes bussen begeleiden die de afgevaardigden van het communistische partijcongres naar huis brengen. Een kleine, gebogen vrouw van 94 jaar vraagt om hulp bij het beklimmen van de hoge trap. Boven in een kleine zaal zitten dertig andere vrouwen bijeen voor een gebedsavond. Ze spreken Duits. Ze maken plaats voor de nieuwe bezoekster. De domineesvrouw biedt aan haar man te halen. De kerk telt nog 1500 leden. Ze maken deel uit van de Duitse minderheidsgroep in Roemenië die ook wel aangeduid wordt als de ‘200. 000 gijzelaars’. De kerk is in de loop der jaren ingesnoerd door hoge flats. De vrouwelijke koster voorspelt dat over een paar jaar de leden uitgestorven of vertrokken zullen zijn.
De Stadtpfarrer is allerminst ingenomen met de komst van de bezoeker. Hij is nerveus, neemt me mee naar een hoek van de gang en fluistert me toe: ‘Om Gottes willen, gaat u weg. U komt hier binnen terwijl het buiten oorlog is. Als straks iemand binnenkomt en hij mij hier met u vindt moet ik een verklaring geven. U vertrekt straks weer uit Roemenië maar ik blijf achter. Begrijpt u dat toch. ‘ De dominee trilt nu van angst. Ik verontschuldig me en verlaat de kerk zoals ik kwam, stiekum en onopgemerkt.
Volgens de waarneming van Pá ál Bodor, die decennia lang in Roemenië woonde, is het politieke systeem van het land vooral gebaseerd op een snelle wisseling van personen die deel uitmaken van de macht. De coterie rondom de Ceausescu’s vanzelfsprekend uitgezonderd. Op die manier voorkomt het Echtpaar dat een echte controlerende macht kan ontstaan. Bodor schrijft dat het vernietigen van kleine boerenbeschavingen, het samensmelten van dorpen en de bouw van flats op het platteland eigenlijk dezelfde achtergrond heeft. Nu wordt het systeem uitgebreid tot miljoenen mensen. Door hen hun tuinen en akkers te ontnemen worden ze volstrekt afhankelijk van de staat. Sociale verbanden worden uit elkaar gerukt en mensen kunnen op niemand meer terugvallen. Politiecontroles kunnen efficienter worden uitgeoefend. Voor de minderheden in Roemenië heeft de ontwikkeling op het platteland en de steden dramatische gevolgen. Zij vooral worden geprest intrek te nemen in nieuwe flats. Eigen cultuur en taal gaan ten onder, de identiteit verdwijnt. Dat is wat Ceausescu wil: één geïntegreerd en homogeen volk. In zijn eigen woorden ‘poporul unic muncitor'(november 1988).
Gewaarschuwd door eerdere ervaringen, bezoek ik de joodse gemeenschap van Boekarest. De synagoge staat aan de rand van de oude joodse wijk waarvan nog slechts een schim uit het verleden over is. Het lijkt of een orkaan heeft gewoed. Rondom de synagoge liggen puinhopen, staan half afgebroken panden en is de aarde omgewoeld. Over een weg die vroeger een smalle straat moet zijn geweest rijden oude trams. De wijk wordt doorkruist door de Boulevard 1848. Aan de overkant van de verkeersader is de joodse buurt nog enigszins in tact. In de strada Lipscani staan smalle huizen en kleine winkeltjes waarvan de etalages meestal leeg zijn. Elke dag is hier markt, een soort Albert Cuyp in de crisisjaren. Vooral kramen met kleren van slechte kwaliteit. In de bittere kou op een terras drinken mannen en vrouwen grote pullen bier en eten brood – een soort regeringswit van onduidelijke samenstelling – met vette worst. Boeren die van buiten de stad komen bieden uien, peen, witlof en kool te koop aan. Zij vormen de zogenaamde ‘vrije markt’, zijn wat duurder dan de groentenwinkels van de staat, maar verzekeren een continue aanvoer. Tenminste zolang de voorraad strekt. Er zijn nu veel appels maar omdat boeren nauwelijks mogelijkheid hebben die vorstvrij te bewaren zullen ze er straks – als de winter echt invalt – niet meer zijn. Hetzelfde geldt voor de kool en de uien die sterk aan het seizoen gebonden zijn. Het voedsel is slecht maar op dit moment is er genoeg. En hier, ver van het centrum waar de hotels zijn, wordt de schijn niet opgehouden. Een oost-Europese correspondent die in Boekarest gestationeerd is, heeft me eerder door de Magheru- en de Bá álescu boulevard geleid waar het prestigieuze hotel Intercontinental staat, Lido en Ambassadeur. Hij heeft me de winkels getoond die drie weken geleden nog boeken verkochten en apfelstráádel of wat daar voor doorgaat. Nu zijn ze, ter gelegenheid van het 14e partijcongres, omgetoverd tot groentenwinkels en staan conserven te koop.
De synagoge is het enige nog gave en goed onderhouden gebouw uit de omtrek. Bij het hek staat een man in een lange leren jas die me bars om het paspoort vraagt. ‘Jiddisch? ‘ vraagt hij. Hij wijst op de tas en zegt: ‘Bom? ‘
Ik had eerder een afspraak gemaakt met Theodor Blumenfeld, de secretaris-generaal van de Joodse gemeenschap. In tegenstelling tot anderen in Boekarest met wie ik contact probeer te leggen, is hij de innemendheid zelve. Hij zit in een kleine kamer van een vervallen gebouw achter de synagoge, afgeschermd door twee vrouwen en twee mannen die in een tussenkamer het secretariaat vormen. Blumenfeld zegt dat hij absoluut geen reserve heeft over het leven van de joden in Roemenië te spreken. Zij zijn namelijk vrij, volstrekt vrij om hun geloof te belijden en hij wil daar graag over praten. Hijzelf was tot zijn pensionering directeur van de Roemeense spoorwegen en daarvoor korte tijd vice-minister van transport. Rabbi dr. Moses Rosen, het hoofd van de joodse gemeenschap, is lid van het parlement. Zoals trouwens elke religieuze gemeenschap dat hoort te zijn. Hij noemt dat een bewijs hoe joden in het land geaccepteerd zijn. Ik begin over de progroms die Roemenië tijdens de tweede wereldoorlog kende. En ik noem die van Jassy in 1941 toen, onder aanvoering van de beruchte Roemeense facistische organisatie de ‘IJzeren Garde’, Roemeense soldaten samen met Duitse nazi’s tienduizenden joden vermoordden. Blumenfeld luistert geduldig en zegt dan: ‘Ik was zelf in Jassy. ‘
Hij vertelt hoe hij als kind even het huis verliet, terugkeerde en zijn familie vermoord vond. ‘Voor de oorlog waren er 800. 000 joden in Roemenië. Na de oorlog waren er nog 400. 000 over. En nu zijn er nog 20. 000. ‘
Elk jaar wordt de joodse gemeenschap kleiner. In 1988 emigreerden 1270 joden naar Israël. Dit jaar zullen het er opnieuw omstreeks duizend zijn. De tijd is niet ver meer dat Roemenië geen joden meer zal kennen, zegt Blumenfeld onaangedaan.
De secretaris-generaal is allerhartelijkst. Hij put zich uit in lof over het regiem. Maar ik voel iets vreemds, alsof woorden plotseling ingenieuze codes vormen van een andere werkelijkheid. Ik citeer uit het artikel van Pá ál Bodor over de minderheden in Roemenië. De vreemdelingenhaat in het land is altijd groot geweest. Drie jaar geleden publiceerde Vadim Tudor, de hofnar van Ceausescu, nog een schandelijk anti-semitisch gedicht. Elke jood, schrijft Bodor, die familie en vrienden in het buitenland heeft is voor het regiem van Ceausescu een onbetrouwbare jood. Blumenfeld zegt vriendelijk: ‘Dat is de visie van Bodor. ‘
De joodse volksvertegenwoordiger Leon te Ratu werd enige tijd geleden uit het Roemeense parlement gezet omdat zijn dochter naar de Verenigde Staten emigreerde. Blumenfeld antwoordt dat dat een probleem van Te Ratu is.
Joden uit Rusland die een uitreisvisum krijgen, mogen niet meer via Wenen reizen. In plaats daarvan worden zij nu vervoerd via Boekarest, de zwaarst bewapende en afgeschermde luchthaven van Europa waar langs landingsbanen mitrailleurs staan opgesteld en overal rondom een cordon militairen is gelegd. Op die manier zijn de reizigers gevangenen tot de plaats van aankomst en kunnen zij geen enkele kant meer uit. ‘Dat is een probleem van Rusland’, zegt Blumenfeld.
In het jaarverslag van de federatie van joodse gemeenschappen staat te lezen dat vorig jaar een kwart van alle leden voedselpakketten kreeg uitgereikt. Anderen werden geholpen met geld en kleren. Is het zo slecht gesteld in Roemenië? Blumenfeld zegt dat er genoeg is: ‘Iedereen heeft recht op één kilogram suiker per maand, één kilogram uien, brood is in Boekarest( dat geldt niet voor de provincie-rvm) vrij te koop, iedereen heeft recht op een vaste hoeveelheid olie per maand en op 300 gram meel per dag. ‘
Blumenfeld kijkt me strak aan en herhaalt: ‘Er is genoeg voor iedereen. En de regering staat ons toe dat wij ons geloof kunnen belijden. ‘
De Hongaarse publicist Pá ál Bodor geeft in het novembernummer van ‘The New Hungarian Quarterly’ een lange reeks voorbeelden van de systematische onderdrukking van de twee miljoen Hongaren in Roemenië. Hongaarse kranten, muziek- en toneelgezelschappen worden geliquideerd. Radiouitzendingen in de Hongaarse taal worden gestaakt. De mogelijkheid om Hongaarse taal en literatuur te studeren is vrijwel ongemogelijk geworden. De Hongaarse universiteit is samengevoegd met een Roemeense. Een paar jaar geleden werd de Hongaar dr. Lá ászló Szabédi, dichter, schrijver en gevierd vertaler van Franse gedichten, in het openbaar door president Ceausescu zo vernederd en beledigd dat hij zich voor een trein wierp. De Hongaar dr. Zoltá án Csendes, een ingenieur en econoom, pleegde samen met zijn vrouw zelfmoord. Dr. Miklós Molná ár, een Hongaarse hoogleraar in de economie, sloeg de hand aan zichzelf. Bodor noemt een lange reeks namen van intellectuelen die als gevolg van onderdrukking en rechteloosheid ‘de dood in werden gejaagd’, zoals de dichters Domokos Szilá ágyi, Gizella Hervay en Ká álmá án Szá”ács. De prominente leraar Jená”á Szikszay in de Hongaarse taal, kon de vernederingen niet verdragen en ontnam zich het leven nadat de Securitate hem in elkaar had geslagen.
Het openlijk propageren van vijandschap tussen de volken, wordt volgens diplomaten in Boekarest door Ceausescu gebruikt om een buitenlande vijand te scheppen. Er is niet zoveel nodig om emoties te exploiteren. Het Hongaars-Roemeense conflict bestaat al zo lang en dateert van de jaren dat Hongarije en Roemenië beurtelings de baas waren in Transsylvania en elkaar schandalig bejegenden. Eigenlijk wordt het een wonder genoemd dat de Roemenen zich nauwelijks gevoelig tonen voor de primitieve angst tegenover de Hongaarse minderheid waartoe ‘het genie van de Karpaten’, ‘Hem’, ‘Hij’, Ceausescu dus, aanzet. Zoals het al even wonderlijk is dat vrijwel niemand in het openbaar in verzet komt.
Eén vrouw doet dat wel. Zij heet Doina Cornea, is een bekend vertaalster en woont in Cluj waar ze al jaren huisarrest heeft. Een jaar geleden schreef ze een open brief aan Ceausescu waarin ze hem verantwoordelijk noemde ‘voor het uitputten van de geesteskracht van individuen, de verarming van de intelligentie, de verstikking van de individuele verantwoordelijkheid. ‘ ‘U bent verantwoordelijk voor de fysieke verzwakking van miljoenen mensen als gevolg van alle ontberingen waartoe ze gedwongen worden. ‘ Doina Cornea is al jaren in verzet. Ze nam het op voor de stakers in de industriestad Brasov in 1987. Ze schreef dit voorjaar een protestbrief aan de president die ondertekend werd door drie arbeiders uit Zarnesti. De arbeiders, Ioan Voncu, Bogdan Serban en Mihai Torja, zijn sindsdien spoorloos. Doina Cornea wordt beschermd tegen verdwijning door haar bekendheid die langzamerhand wereldwijd is. De Britse ambassadeur die de vrouw in haar woning in Cluj wilde opzoeken werd weggeduwd. De laatste vertegenwoordiger uit het westen die Doina ontmoette is de Nederlandse ambassadeur in Boekarest Coen Stork. Hij bezocht haar op 28 juli – kort nadat ze door een bewaker van de militia was geslagen en tegen de grond geworpen. Stork zegt: ‘Het is een bescheiden vrouw die zich eigenlijk een beetje gegeneerd voelt door alle belangstelling. Ze weet ook dat ze langzamerhand een rol speelt in de Roemeense politiek, ze aanvaardt die politieke verantwoordelijkheid als tegenstandster van het regiem. ‘
Zo nu en dan heeft ze telefonisch contact met de buitenwereld waarin ze laat weten dat het haar goed gaat.
In een kleine roemeens-orthodoxe kerk aan het Boema plein, komen de gelovigen bijeen voor de wekelijkse dienst. Achter het altaar staan koperen panelen waarachter de priester zich verkleed. Tegen de muur zitten op banken oude vrouwen die warmte zoeken rondom een plavuizenkachel. Een jong paar komt binnen voor het inzegenen van het huwelijk. Even later draagt een moeder een kind binnen. De kosteres werpt drie emmers water in het doopvont waarin de baby ondergedompeld wordt. Twee mannen in dikke jassen en drie vrouwen met gebreide kousen en sjawls om, zingen het pater-noster. De roemeens-orthodoxe kerk telt zestien miljoen leden en is de officiele staatskerk. De priester begint de doop met het loven van de leider Ceausescu even later gevolgd door het aanroepen van Jezus Christus en Maria Magdalena. Na de doop worden bonbons uitgedeeld. Maar zelfs op dit vreugdevolle moment overheerst afstandelijkheid tegenover de bezoeker. Artikel 608 verbiedt Roemenen contact te hebben met buitenlanders en die verordening van Ceaucescu veroorzaakt schichtigheid en argwaan. Alleen de priester spreekt met de tong van his masters voice. In een smoezelig restaurant op de boulevard Republicii offreert een dikke man zestig lei voor een dollar. De officiele koers is tien. Vervolgens biedt hij prostituees aan in de leeftijdscategorie van 14 tot 28 jaar. De jonge ober sniert over de leider en zegt dat hij dat kan doen omdat zijn collega’s goed zijn.
Vanaf een heuvel in het zuiden van de stad waar het paleis is van de patriarch van de roemeens-orthodoze kerk, zie ik later uit over een verscheurde stad. In de verte de joodse wijk, gehavend door staatsvandalen. Pal voor me de Boulevard van de Overwinning van het socialisme. Een zeven kilometer lange heirbaan die het voormalig koninklijk paleis Cotroceni – nu de residentie van het Echtpaar – verbindt met het Huis van de Republiek. De boulevard is net iets breder dat het Champs-Elysées. In het Huis van de Republiek kan het Capitool een paar keer worden ondergebracht. Iedere staatsman wil tenslotte iets groots voorbrengen. Maar deze boulevard heeft iets lugubers. Het kilometers lange Wagneriaans aandoende gevelfront met daarachter flatwoningen lijkt een mausuleum. De huizen zijn leeg. De boulevard is verlaten. ‘Grootste en schitterende bouwwerken, monumentale constructies die de eeuwen zullen trotseren als indrukwekkende getuigenissen van de wil van de bewoners van Boekarest’ zo las de Conducator, de leider, voor bij de opening in 1984.
Dat was de zoveelste geschiedsvervalsing. Het nieuwe centrum kwam tot stand uitsluitend door de wil van de Ceaucescu’s.
Ik ontmoette Nicolae Ceausescu in een wat andere funtie, een kleine twintig jaar geleden op de Laarhoeve in de polder van Herwijnen. Hij was daar om de beste koeien van Europa te zien. Maar aan de smaak van de hedendaagse Roemeense boter – een ranzige, kleurloze vette substantie – merk ik dat hij toen niets van het bezoek heeft opgestoken. Ceaucescu stond in die beginjaren nog bekend als eigenzinnig, een dwarse communist die de Dubcek van Roemenië werd genoemd. Hij liet Roemenië niet deelnemen aan de interventie in Praag. Hij was gesprekken aangegaan met de Hongaarse, Duitse, Servische en Joodse minderheden in zijn land. Hij liet politieke gevangenen vrij. Iedereen was vol hoop – hoewel de wijze waarop hij toen al in de polder van Herwijnen gelikt en bewonderd werd door zijn hofhouding te denken had moeten geven. Intussen is Ceausescu een onvervalste Stalinist geworden die in Roemenië het nepotisme heeft geïntroduceerd. Sommige diplomaten in Boekarest beweren dat niet Nicolae maar Elena Ceaucescu de baas is. Zij herinneren zich een recente bijeenkomst van het echtpaar met vertegenwoordigers van bevriende mogendheden. Ceaucescu onderhield zich lang met de ambassadeurs van Polen en enkele westerse landen. Plotseling naderde Elena haar man van achter, schudde hem krachtig aan de schouder en siste haar man toe: ‘Je moet niet met die kapitalisten praten. ‘
Elena is geboren als een Petrescu. Haar broer Gheorghe was partijfunctionaris en ondermeer minister voor hij in 1987 overleed. Een andere Gheorghe Petrescu, neef van Elena, was vanaf 82 tot 87 vice-premier, kort voor Elena dat zelf werd. Een van de hoogste militairen in het Roemeense leger is luitenant-generaal dr. Ilie Ceausescu – broer van de president. Een andere broer, Ion, was jarenlang minister van planning en is nu eerste voorzittrer van het Staats Planbureau. Florea Ceaucescu – de derde broer – is belangrijk journalist bij het partijdagblad Scienteia. Marin Ceausescu, nog een broer, is gedetacheerd op de ambassade in Wenen. Tenslotte is er nog luitenant-generaal Nicolae Andruta Ceaucescu, die een belangrijke positie heeft binnen het ministerie van binnenlandse zaken en rector is van de militaire academie.
De zonen van de president zijn nog aan hun carriëre bezig. Nicu(39) is lid van het Centraal Comite, was minister van ‘jeugdproblemen’ en bestuurt de voetbalclub in Boekarest. De andere broer Valentin(45 jaar) is op een andere manier veelbelovend. Hij is voorzitter van de kernenergiecommissie en staat op de nominatie gekozen te worden in het centraal comite. Zoia Ceaucescu, de dochter van het Echtpaar, is wiskundige en directeur van de belangrijkste school voor wetenschap in Boekarest.
Nicolae, de president, heeft nog steeds grote plannen met zoon Nicu – hoewel die door een enigszins vermetel gedrag(vrouwen, auto’s) zich even op de achtergrond moet houden. Erfopvolging behoort tot de mogelijkheden. Tenminste als de conducator hetzelf nog even volhoudt. Hij weet dat hij kwetsbaar is. Op 7 oktober was hij de laatste gast van Honnecker in Oost-Berlijn en zag het begin van de opstand die leidde tot de omverwerping van de communistische machthebbers in de DDR. Nauwelijks terug in Boekarest ging Ceaucescu met in zijn kielzog de staatstelevisie en de staatspers de markten op om het volk beter voedsel te beloven. Hij weet dat een kleine vonk een grote brand kan veroorzaken.
Vrij Nederland, november 1989