Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘Dertig jaar strijd tegen de dossiers van de BVD’

Het eerste vertrouwelijke rapport bericht over een ‘rare snuiter die zich kleedt als een werkman en zich onder de arbeiders beweegt. ‘ Ach, het is het begin van de jaren vijftig, de bloeiperiode van de koude oorlog. Maar het gerucht vermenigvuldigt zich. Tenslotte zullen ze de carriëre van de werktuigkundig ingenieur J. T. Wilman(67) ruïneren. Meer dan dertig jaar duurt zijn strijd tegen de dossiers van de Binnenlandse Veiligheidsdienst(BVD). Eindelijk zijn ze op last van het Haagse gerechtshof geopend. Op 10 mei komt zijn zaak opnieuw voor. Hoe de geheime dienst afrekende met een ‘geniale en lastige vent’.

Dit verhaal is een vervolg van vijftien jaar geleden. En nog eens vijftien jaar dáárvoor meende de ‘commissie voor de verzoekschriften’ in de Eerste Kamer ‘dat er enige twijfel zou kunnen rijzen omtrent de juistheid van de rapporten van de BVD. ‘ Want Wilman vecht met een bewonderenswaardige hardnekkigheid. Als ik hem na zoveel jaren weer ontmoet is hij nauwelijks veranderd. Energiek, strijdlustig en nog steeds even zorgvuldig zijn woorden kiezend. Ik verwonder me en zeg dat maar weinig mensen het zullen kunnen opbrengen zo vasthoudend een leven lang te blijven zoeken naar eerherstel.
‘Ik aanvaard dit als een opdracht, ‘ zegt hij. ‘Dit moet nu eenmaal. Als wij hier spreken over het vrije westen tegenover het oostblok, dan vind ik dat eerst recht moet worden gezet wat mij is aangedaan. ‘
Veel anders dan rehabilitatie wil hij niet. Een schadevergoeding? ‘Dat klinkt zo ordinair. ‘ Een baan? ‘Ik ben 65 geweest maar ik wil nog wel. ‘ Wat Wilman verlangt is dat de Binnenlandse Veiligheidsdienst een verwijt wordt gemaakt wegens onzorgvuldigheid. Lichtzinnig zijn, in de hitte van de koude oorlog, verdachtmakingen over hem genoteerd die vervolgens ongecontroleerd worden verspreid. Er worden kwalificaties over hem verzameld en geregistreerd die niet juist zijn. Tot op de dag van vandaag zingen ze rond en worden ze hem nagedragen. Eeuwig, althans een mensenleven, blijven ze actief in de dossiers van de BVD. Dat blijkt nu de archieven over de zaak-Wilman in opdracht van het gerechtshof in Den Haag zijn geopend. Op zijn bekende korzelige toon schrijft de minister van binnenlandse zaken C. van Dijk, ‘besloten te hebben de geheimhouding op te heffen omdat het immers om een burger gaat in wie zich nu al sinds dertig jaar het idee heeft vastgezet dat de problemen die hij heeft ondervonden, veroorzaakt zijn door de BVD. ‘ Tot op het laatst benepen meent de minister de zaak uit de wereld te moeten helpen ‘niet alleen in het belang van de heer Wilman maar ook van de BVD. ‘
Dat kan de lezer het best zelf beoordelen.

Achteraf valt moeilijk vast te stellen hóe het gerucht ontstond. Maar op 20 februari 1950 geeft kapitein Thijssen van de Luchtstrijdkrachten(LSK) uit Scheveningen aan de Binnenlandse Veiligheidsdienst telefonisch een bericht door dat alle bellen doet rinkelen: J. T. Wilman, kortgeleden beëedigd als officier van speciale diensten bij de koninklijke marine ‘zóu (let op de onvoltooid verleden toekomende tijd) in 1945 of 1946 lezer zijn geweest van De Waarheid en zóu vermoedelijk tevens zijn aangesloten geweest bij de Communistische Partij Nederland(CPN). ‘
Beide informaties zijn onjuist. Maar vanaf dan zal het leven van één sterveling dramatisch veranderen.
De Binnenlandse Veiligheidsdienst, nog maar kort daarvoor definitief overgenomen door socialistenvreter en lid van het voormalige driemanschap van de Nederlandse Unie mr. L. Einthoven, beseft onmiddellijk wat te doen staat. De politie inlichtingendienst(PID) – de lokale informatie-verzamelaar van de BVD – wordt gevraagd meer inlichtingen te verstrekken. Er gaat een confidentiële brief naar de Marine Inlichtingendienst(Marid) met de vraag wat zoal ten nadele van Wilman gevonden kan worden. De gedrevenheid is zo groot dat de BVD zich later per brief afvraagt hoe het nu kan dat ‘tot twee keer toe een uitgebreid onderzoek over dezelfde persoon wordt gevraagd’ en hoe het mogelijk is ‘dat de ene dienst later haar eigen rapport toegezonden krijgt van een andere dienst. ‘
Maar goed, kapitein luitenant ter zee G. Kruys , hoofd sectie III van de Marid, komt met onthutsende mededelingen: ‘Wilman wordt een echte proletariër genoemd en is, evenals zijn vader communistisch georiënteerd. Niet is kunnen worden vastgesteld of hij lid is van de CPN. Maar het gezin is geabonneerd op De Waarheid. ‘
Het gerucht is nu versterkt. De ouders van Wilman lézen niet alleen De Waarheid, nee ze zijn erop geabonneerd. Een jaar later zal de BVD weer en stapje verder gaan: ‘Volgens gegevens van de Luchtstrijdkrachten(LSK) zou Wilman in 1945 en 1946 lid van de CPN zijn geweest. Dit kon in juli 1950 in Rotterdam niet worden vastgesteld. Wel bleek aldaar dat hij op de CPN is georiënteerd. ‘ Nog weer verder in de tijd zal mr. J. S. Sinninghe Damsté, die in de jaren zestig hoofd van de BVD zal worden, schrijven dat ‘er een raambiljet voor de CPN voor het raam van de ouders van Wilman hing. ‘ Een tot op de dag van vandaag onbekend gebleven tweede kamerlid zal – aldus een verslag van een bespreking tussen de BVD en de Marine-inlichtingendienst – zich in juni 1951 bij de secretaris-generaal beklagen ‘dat Wilman als communist in de zeedienst wordt gehandhaafd en zelfs belast is met gerubriceerde produktie. ‘ Nu gaat de BVD zich met dubbele inzet aan de zaak-Wilman wijden.

Wilman is, als het geheime genootschap van inlichtingendiensten samenspant, een veelbelovend man. Hij is muzikaal begaafd. Op zijn zestiende speelt hij als solist viool voor de radio. Even aarzelt hij tussen een opleiding aan het conservatorium of de Technische Hogeschool in Delft. Oscar Bak, ook leraar van Theo Olof en Herman Krebbers, raadt hem aan naar Delft te gaan. ‘Je studeert zo gemakkelijk dat je altijd nog met de viool verder kan gaan. ‘ Als hij 21 is behaalt hij zijn ingenieursdiploma werktuigkunde. In de oorlog – dat is ongeveer het enige punt waarop de verslagen van de inlichtingendiensten zuiver zijn – is hij fel anti-nazi en anti-NSB. Wilman heeft zelf een radiozender en -ontvanger gebouwd en daarmee vangt hij berichten op van de BBC. Die berichten geeft hij door aan het illegale blad De Waarheid die ze publiceert. Na de oorlog zal die relatie hem op een vervormde manier lelijk worden aangerekend.
Er voltrekken zich meer gebeurtenissen die later tegen hem worden gebruikt. Net na de oorlog is Wilman assistent bij prof. ir. W. F. Brandsma op het metallografisch labaratorium. Het is juist in die periode dat de Rotterdamse Droogdok Maatschappij(RDM) met een vervelend probleem worstelt. De scheepswerf werkt in opdracht van de staat aan tussenassen voor kruisers en de Nieuw Amsterdam. Daarvoor moeten achtkantige stukken staal, zogenaamde ingods die worden aangevoerd uit Frankrijk, in de smederij van RDM worden bewerkt. Al zeven keer heeft de RDM de zaak verprutst, er is sprake van een strop van honderdduizenden guldens. Brandsma detacheert op verzoek zijn assistent bij de RDM en werkelijk, na acht maanden is het probleem uit de wereld. Wilman houdt er een pakje sigaretten van over uit een weddenschap met de vertegenwoordiger van Lloyds die voorspelt dat het niet zal lukken.
Een paar jaar later komt hij weer bij de RDM terecht, nu als reserve-officier ‘speciale diensten’ van de Marine. Zijn opdracht is erop toe te zien dat het materiaal dat de scheepswerf voor de marine bouwt, van goede kwaliteit is. Wilman is een perfectionist die de hoogste eisen aan zichzelf en aan anderen stelt. Streng, misschien is hier het woord ‘lastig’ van toepassing. Als de bedrijfsleiding naar hem toekomt met het verzoek sommige onderdelen toch goed te keuren hoewel er fouten zijn gemaakt in de constructie is de ingenieur onverbiddellijk. ‘Stel nu eens voor dat ik dit door de vingers zie terwijl straks misschien een onderzeeër die hier gemaakt is, met collega’s van mij aan boord niet meer bovenkomt. Dat zou ik niet kunnen verdragen. ‘ ‘Wat er met jou aan de hand is’, zegt zijn vrouw die meeluistert, ‘je bent niet omkoopbaar. Met anderen valt te sjoemelen, met jouw niet. ‘
Op een dag, als het vijf uur is geweest, stroomt de werf leeg en begeeft Wilman zich als gewoonlijk tussen de duizenden arbeiders door de poort. De portier roept zo nu en dan mensen bij zich die hun tas moeten openen om te laten zien dat ze geen eigendom van de RDM mee naar huis nemen. Wilman wordt uit de menigte gehaald. Een paar mensen roepen de portier toe, pas op hij is de ingenieur. Maar Wilman zegt, nee ik ben ook arbeider. Ik wil dat u mij ook controleert. ‘ Zijn vrouw: ‘Zo is hij altijd geweest. Hij heeft nooit op een voetstuk willen staan. ‘

Meer dan vijfendertig jaar later krijgt Wilman de visie van de BVD onder ogen, neergelegd in het geheime rapport V 46-51/Marid 163, dat de basis zal zijn voor zijn latere mislukkingen. Hij verbleekt.
‘(. . . ) Bij de RDM stond betrokkenen al spoedig op zeer vertrouwelijke voet met gewone arbeiders, kantoorbedienden en het tekenkamer personeel. Uiterlijk maakte hij de indruk van een slecht geklede werkman. Dit gaf enkele malen aanleiding tot botsingen met portiers die hem voor een gewon werknam aanzagen en zijn tas wilden controleren. Bij deze gelegenheid trad betrokkene zeer bruut op en gebruikte hij de meest ordinaire uitdrukkingen als: ‘Ik stomp je voor je kop, je weet zeker niet dat ik bokser ben geweest’. Met zekerheid kan geen oorzaak worden aangegeven waaruit zijn verandering in houding verklaard kan worden. Rapporteur kreeg de indruk dat betrokkene tijdens zijn studie van huis uit was opgelegd zich kalm te houden en eerst zijn graad te behalen. Toen zijn studie was beëindigd kon hij zich uitleven waardoor zijn ware mentaliteit naar boven kwam. ‘(. . . )’Hier volgt letterlijk een uitlating van een te goeder naam en faam bekend staande arbeider die in de politieke kring van de PvdA op de voorgrond treedt: ‘Aanvankelijk was hij onder de arbeiders door zijn amicaal optreden gewild, doch al spoedig vond men hem een vreemde en gevaarlijke pias, daar de gewone arbeider wel ging beseffen dat een ingenieur wel gemoedelijk kan zijn, doch zich niet moet verlagen tot een gewone werkman. Met de kernleden van het RDM-personeel lag betrokkene overhoop, daar deze volgens zijn mening niets voor de arbeiders deden doch geheel naar de pijpen van de kapitalistische directie dansten. Bij deze gelegenheid zeide Wilman lid te zijn van de Eenheidsvkacentrale(EVC) en voerde hij propaganda voor deze vakbeweging door openlijk de EVC dé vakbeweging voor de arbeiders te noemen. ‘
Later zal dit ‘moederverslag’ dienen als informatiebron voor en van andere diensten zoals de Beveiligingsambtenaar van het ministerie van Economische Zaken die vrijelijk intepreteert: ‘Wilman vond dat het in Nederland moest worden als in Rusland. In Nederland werden de arbeiders door de kapitalistische directies uitgebuit, doch in Rusland waren allen in het arbeidsproces gelijk(. . . ) Het dagblad De Waarheid wordt door de ouders van Wilman niet meer gelezen. ‘

Het zijn, zoals gezegd, de jaren vijftig. De wereld is zwart-wit, de maatschappij autoritair en de verhoudingen op het werk zijn onderdanig en kruiperig. Links is slecht en rechts is goed. Het lezen van De Waarheid is een doodzonde, die de kinderen van de ouders wordt aangerekend. Maar bij Wilman thuis zijn ze altijd geabonneerd op de NRC. De vader, een machinist bij de Nederlandse Spoorwegen, is voor de oorlog lid van de SDAP en na de oorlog nauwelijks politiek actief. Wilman zegt: ‘Mijn vader was eigen baas, hij zat met drie man personeel op een locomotief. Hij hoefde nooit kruiperig te zijn. Dat was heel anders bij de Rotterdamse Droogdok Maatschapij. Er was een groot verschil tussen ingenieurs, bazen en het overige personeel. De arbeiders keken op tegen de mensen die leiding gaven. Ik ben opgevoed in een geest dat je bent wie je bent, zonder onderscheid te maken tussen rangen en standen. Mijn vader was een progressief man. Ik neem met afschuw kennis van het BVD-rapport dat ingenieurs zich niet dienen te vereenzelvigen met arbeiders. Dat voorval toen bij de poort van de RDM waar ik perse gecontroleerd wilde worden. De portier schrok verschrikkelijk toen anderen zeiden dat ik de ingenieur was. Hij dacht er problemen mee te krijgen. Nu lees ik in het verslag dat ik gezegd zou hebben dat ik bokser was. Ik heb de handen van een violist. ‘
Later vervoegt Wilman zich op het stadhuis van Rotterdam voor een sollicitatie. Hij spreekt met drs. J. J. Aalders, chef personeelszaken van de gemeente. Die stuntelt wat met een dossier dat hij voor zich heeft en zegt dan aarzelend: ‘Maar eh, mijnheer Wilman, hier staat dat uw vader eh, communist is. ‘ ‘Hoe komt u daarbij’ antwoordt de sollicitant, ‘mijn vader is machinist’.
‘O, o, ‘ haast Aalders, ‘dan is dat zeker een gerucht of een verschrijving. ‘
Toch zal in deze jaren, op grond van al die geruchten, verdachtmakingen en kleinzieligheden ‘de staat een veiligheidsscherm rondom Wilman gaan optrekken’, aldus later mr. G. D. Wicart die voor de rechtbank en voor het gerechtshof rehabilitatie bepleit. ‘Een man van de RDM’, zoals ooit de Kamercommissie die de zaak-Wilman onderzoekt de mysterieuze bron omschrijft, zal de BVD tippen over de vermeende politieke gezindheid van de ingenieur. Vanaf dat moment ‘vindt een onverklaarbare ommekeer plaats in het maatschappelijk functioneren van Wilman'(de advokaat).
In de zomer van 1951 verneemt Wilman van collega-marineofficier J. Werkendam, dat hij gecontroleerd wordt. Een derde marine-officier ondervraagt arbeiders naar de uitlatingen en overtuiging van Wilman. Het is allemaal een beetje bizar. Wilman die de arbeiders moet controleren of ze hun werk goed doen en die de bedrijfsleiding achternazit dat niet te veel geld in rekening wordt gebracht bij de staat, wordt nuzelf gecontroleerd. Hij verwittigt zijn chef de kapitein-luitenant ter zee Vos van de contraspionage en die zegt dat het onzin is. ‘Het komt bij de marine niet voor dat de ene officier de ander controleert. Kom maar met bewijzen. ‘ Die weet Wilman samen met Werkendam boven water te halen. Het wordt onomstotelijk vastgesteld. Op 23 mei 1951 stuiten zij op luitenant ter zee Lina – een functionaris van de marine-inlichtingendienst(Marid) – die zich bezig houdt de conduite van Wilman met negatieve aantekeningen te voorzien. In de loop van de jaren zijn de ontdekkingen van toen door Wilman, soms ironisch afgedaan met het woord ‘spookverhalen’. Maar nu staat het zwart op wit in de geopenbaarde dossiers – exact zoals Wilman het altijd verteld heeft.
Hij weet zich nu geruggesteund door bewijzen: ‘Ik wist te veel. Er waren mensen jaloers op mij. Ik was te lastig. Ik moest worden weggewerkt. ‘

Er volgt een lange lijdensweg. Vanaf nu bepalen de boekhouders van de BVD de politie-inlichtingendienst de lotgevallen van Wilman. In mei 1960 bericht de commissaris van de Rotterdamse politie J. L. Krans aan de burgemeester: ‘Het komt mij voor dat iedere werkgever die een sollicitatie van Wilman ontvangt, zich verwonderen moet over het feit dat deze academicus reeds zoveel jaren niet werkt. Gemakkelijk zal dit achterdocht wekken en aanleiding zijn voor een onderzoek dat ruimer is dan gebruikelijk. Het resultaat van zulk een onderzoek zal mijns inziens steeds leiden tot niet aanneming. ‘ De commissaris voegt eraan toe ‘dat in de omgeving van de woning van Wilman diens langdurige werkloosheid bevreemding heeft gewekt, zoals het ook bij de belastingen de aandacht trok dat hij in geen jaren loon- of inkomstenbelasting betaalde. ‘ In werkelijkheid gaan de bemoeiienissen verder. De BVD legt beslag op de bankafschriften van Wilman in een poging geheime fondsen uit het oosten te ontdekken. Er wordt niets gevonden. Getrouw aan zijn eigenzinnuig karakter wil Wilman zelfs geen uitkering. In de jaren dat hij niet werkt, verdient zijn vrouw de kost. En als die enige maanden uitgeschakeld is, leven ze van hun spaarcenten. Het huis ademt soberheid. En intussen zorgt de politie-inlichtingendienst in Rotterdam dat de soberheid voortduurt. Commissaris Krans schrijft de burgemeester dat hij – zodra Wilman weer ergens solliciteert -de collega inlichtingendiensten in bijvoorbeeld Den Haag, Leiden en Eindhoven op de hoogte stelt van de ‘communistische georiënteerdheid’ van de werkloze ingenieur. ‘
Op een keer (het is 1958) roept Wilman de hulp in van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen. Algemeen secretaris H. Korte jr. roept – zoals dat gaat in die jaren – ijlings de hulp in van de BVD. ‘Wat is dit voor een man? ‘ Het contact verloopt via drs. A. Kuipers – dan nog coming man op de BVD die eens hoofd zal worden. In een met de hand geschreven vertrouwelijk memo schrijft de BVD-er: ‘Ik heb aan de heer Korte telefonisch meegedeeld dat Wilman denkt door een soort samenzwering te worden achtervolgd; dat hij klaarblijkelijk een moeilijk karakter heeft; dat hij stamt uit een vooroorlogs SDAP-milieeu dat zich gedurende enige na-ooorlogse jaren communistisch gezind betoonde(. . . )’ Dan is Wilman ook voor het NVV taboe.
Na jaren gedwongen werkloosheid, brengt de Delftse hoogleraar Brandsma hem in 1959 in contact met prof. dr. M. Bogaardt van het Reactor Centrum Nederland. Het contact klikt, er worden afspraken gemaakt. Maar twee maanden later bericht Bogaardt dat in diensttreding officieel wordt tegengehouden door de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Het is omstreks dezelfde tijd dat in de commissie voor de verzoekschriften in de Eerste Kamer ‘enige twijfel’ ontstaat over de juistheid van de BVD-rapporten. Door persoonlijke optreden van PvdA-senator mr. G. J. P. Cammelbeeck treedt Wilman in 1962 alsnog in dienst bij het Reactor Centrum Nederland(RCN). Een paar dagen voor de arbeidsverhouding begint komt – opnieuw – luitenant ter zee Lina van de Marine-inlichtingendienst bij Bogaardt op bezoek met een ernstige waarschuwing voor de nieuwe ingenieur. Ondergronds voltrekken zich vervolgens het kwaad verder.
Als Wilman een paar maanden bij het RCN werkt vindt een bespreking plaats tussen een ambtenaar van de BVD met een ‘relatie’ bij het RCN.
‘Voor PD 15147,
Aan relatie gevraagd of hij al enige indruk heeft gekregen van ir. Wilman(. . . ). Relatie ziet liever de kat nog eens uit de boom. Hij heeft nu eenmaal de neiging om, indien iedereen tegen een bepaalde persoon is, juist het tegenovergestelde te doen. Hierbij haalt relatie het geval Carels nog eens aan. Om onmiddellijk zo’n persoon af te wijzen vindt relatie onjuist. Relatie heeft een persoonlijke onderhoud met Wilman gehad. Betrokkene heeft op hem de indruk gemaakt dat hij door de tegenslagen die hij heeft ondervonden volkomen dood geslagen is. In tien jaar tijd heeft de man nog geen fatsoenlijke baan gehad. Volgens relatie is Wilman een hoogst intelligent mens op het geniale af. Mijnerzijds de opmerking gemaakt dat het dan des te vreemder is dat zo iemand geen goede werkkring kan vinden. ‘
Op een bijeenkomst eind 1964 vertelt Wilman voor de eerste keer op een personeelsavond aan een collega dat hij denkt door toedoen van de marine en de BVD lange tijd op non-actief te hebben gestaan. In de dossiers van de BVD is een verslag: ‘Naar aanleiding van de mededeling van hoofd Marid III dat Wilman zich op een feestje in anti-militaristische en communistische zin zou hebben uitgelaten, aan relatie meegedeeld dat door de BVD in het verleden al over betrokkene ongunstig is gerapporteerd. ‘
Het is het begin van het einde. Wilman komt niet in aanmerking voor promotie, hij beklaagt zich, raakt gepikeerd en gaat zoals hij gewend is recht op zijn doel af. Een citaat uit een verslag van 20 november 1967: ‘Volgens relatie is Wilman zeer intelligent doch niet normaal. Helaas wordt hij in die houding gesteund door zijn echtgenote. ‘ Tenslotte volgt ontslag – dat overigens door de rechter als onterecht wordt beschouwd. Maar hij kan niet meer terug. In de jaren die volgen zal hij niet meer aan de slag raken. Nog even wordt in de periode van het kabinet-Den Uyl overwogen hem een eenmans regeringsopdracht te geven. Maar een gesprek met minister F. H. Trip(wetenschapsbeleid) loopt op niets uit. Het tweede kamerlid drs. G. Nooteboom van D’66 ( hij bevestigt desgevraagd de gebeurtenis) belt Wilman een keer op met de mededeling dat hij een baan voor hem weet, maar wel onder voorwaarde dat dan voorgoed over de hele voorgeschiedenis gezwegen wordt. Wilman wil dat niet beloven en blijft werkloos.

Het verhaal gaat nog eindeloos verder. Intriges, gekonkel, gewroet, hearsay, achterklap, liegen in commissie van de zijde van de BVD. En steeds terugkerende teleurstellingen voor Wilman. Het verwijt dat Wilman gemaakt kan worden is dat hij zo godsgruwelijk rechtlijnig is. Dat hij zo’n perfectionist is, zo ijzig concienscieus. Hij beaamt dat: ‘ Mijn opleiding is zo geweest dat ik wel gedwongen was rechtlijnig te denken. Als ingenieur word je dat geleerd, het zit er ook van nature bij me in. Maar terwijl ik dacht dat je in de maatschappij gewaardeerd zou worden omdat je iets kan of voor iets staat, word je door anderen onderuit gehaald.
Het verwijt dat de BVD en de staat gemaakt kan worden is dat ze nooit de grootheid hebben opgebracht om tegen Wilman te zeggen dat hij weliswaar verdomd moeilijk kan zijn maar dat voor de rest niets op hem is aan te merken.

22 april 1989

Polderpers