Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Het proces-verbaal Gonsalves -OPZIENBAREND DOCUMENT

Wat er ook, voor minister Kosto, of kamerleden, of juridische instanties, of collega’s en ondergeschikten van mr. Gonsalves onduidelijk is, niet wat hij op Nieuw-Guinea precies heeft gedaan, al of niet strafbaar volgens het Wetboek van Strafrecht en al of niet verjaard. Op deze pagina’s drukt Vrij Nederland grote delen van het proces-verbaal af van een verhoor dat mr. Gonsalves in 1960 werd afgenomen. De verhorende ambtenaar liet de bestuursambtenaar reageren op uiterst belastende verklaringen die over zijn gedrag waren afgelegd (zie het stuk van Rudie van Meurs). We volstaan met de stukken als document af te drukken, er valt bitter weinig aan toe te voegen, ook niet over moeilijke omstandigheden of andere zeden en gewoonten. De pagina’s lijken in ieder geval verplicht materiaal voor degenen die besturend of controlerend over de positie van mr. Gonsalves moeten oordelen.

Eind november 1960 wordt mr. R.A.Gonsalves op het paleis van justitie in Den Haag drie dagen lang verhoord over het doodschieten en mishandelen van Dani’s in de Baliem-vallei in (toen nog)Nederlands-Nieuw-Guinea. Gonsalves is dan al ruim een halfjaar met verlof in Nederland. Bij het verhoor is aanwezig de procureur-generaal bij het hof van justitie in Hollandia, mr.G.W. von Meyenfeldt. Von Meyenfeldt is tegen de zin van gouverneur dr. P.J. Platteel van Nieuw-Guine naar Nederland gereisd om Gonsalves te horen. Platteel wilde ook niet dat Gonsalves voor verhoor naar Hollandia zou komen. In een brief aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken mr. Th.H. Bot schrijft de procureur-generaal over het ‘taaie verzet’ dat hij in Hollandia ontmoet: ‘Ik ondervond voortdurend ernstige oppositie tegen mijn onderzoek van de heer directeur van binnenlandse zaken in Hollandia A. Boendermaker. Ook zijne excellentie de gouverneur had zich bij herhaling ernstig verzet tegen mijn onderzoek in het bijzonder omdat het landsbelang zich daartegen zou verzetten.’
Volgens de resident in Hollandia, mr. F.R.J. Eibrink Jansen – die eigenlijk gewoon Jansen heette maar Eibrink er later voor had laten zetten – gaat de procureur-generaal ‘gezagsondermijnend’ te werk. Kortom, von Meyenfeldt merkt dat zijn onderzoek ‘in diskrediet’ wordt gebracht en ‘tegengewerkt’. Toch weten de gouverneur en zijn ondergeschikten precies wat er aan de hand is. Al op 5 juli 1960 stelt Boendermaker gouverneur Platteel op de hoogte van alle verhalen. Hij meldt ook dat de werkelijkheid anders is dan door Gonsalves is gerapporteerd: ‘(…) voornamelijk dat controleur Gonsalves agressiever is opgetreden dan noodzakelijk was en dat het doodschieten van de drie Papoea’s slechts uit prestige-overwegingen zou zijn geschied.’ Het is allemaal zo erg dat Boendermaker teruggekeerd is van zijn voornemen Gonsalves na zijn verlof in Nederland een functie in Hollandia te geven: ‘Het is raadzaam dat hij door een plaatsing elders een ietwat bredere kijk op het bestuurswerk krijgt en ook wat administratieve ervaring opdoet.

‘Een jaar eerder, op 1 juli 1959, stelt de gouvernementssecretaris C.H. Stefels namens gouverneur Platteel de regering in Den Haag al op de hoogte. Het gaat dan over het doodschieten van hoofdman Pumansilon van het dorp Pumansili: ‘Het was een prestige-strijd geworden. Pumansilon kon niet terug omdat hij zijn volgelingen steeds voorgehouden had dat hij onkwetsbaar was en persoonlijk de controleur zou doden waarna hij alle blanken uit de Baliem-vallei zou verjagen; de controleur kon niet terug omdat daardoor zijn gezag en daarmee dat van het bestuur voor langere tijd geschaad zou worden.’ Pumansilon en zijn lijfwacht Iljakot worden later dood gevonden. Over het doodschieten van Pumansilon bestaan trouwens wredere versies. Zo verklaart op 7 juni 1960 aspirant-controleur J.Th. Broekhuyse, die ‘uit eigen aanschouwing’ getuige was: ‘De sterke indruk werd verkregen dat hier niet gesproken mag worden van noodweer-exces maar van een zich doelbewust in gevaar brengen met als gevolg dat Pumansilon op ongeveer anderhalve meter afstand werd doodgeschoten alsmede een in de nabijheid staande Dani(Iljakot).’

Broekhuyse over Gonsalves: ‘De houding van de controleur ten opzichte van de agenten werd gekarakteriseerd door kadaverdiscipline. De agenten werden doorlopend afgesnauwd en belachelijk gemaakt. Het zelfvertrouwen en zelfbewustzijn werd daardoor dermate aangetast dat de gehele troep een kruiperige onderdanigheid ten toon spreidde.’ Er wordt volgens Broekhuyse regelmatig, soms ‘tenminste veertig keer’, op Dani’s die aardappelen gestolen zouden hebben, geschoten: ‘De sfeer kan maar op een manier worden gekenschetst: terreur.’
De inspecteur van politie E.H. Markhorst, ook aanwezig bij het pacificeren van Gonsalves, geeft verslag van een schietpartij op 6 december 1959: ‘Op de bewuste dag liep controleur Gonsalves met vijf agenten in het Ibele-gebied waar door hem een varkensdiefstal werd onderzocht. (…) Toen nu de patrouille terugliep werd zij achtervolgd door een grote groep gewapende krijgers. De controleur gaf toen opdracht aan drie agenten de patrouille door te brengen en zelf ging hij met twee agenten in hinderlaag liggen. Toen de groep krijgers vlak bij was sprong de controleur te voorschijn. Hij loste een schot met zijn jungle-karabijn en trof een Dani in het achterhoofd. Agenten vertelden mij dat de kogel een groot gat in het voorhoofd van de man had geslagen.’

Markhorst beschrijft nog een mishandeling – zoals er vele waren – door Gonsalves. Het gebeurde op 27 december 1959. Hij ziet hoe in een wachthuisje in Wamena een Dani aangifte komt doen van het stelen van een varken of van een vrouw. Gonsalves verhoort de man persoonlijk en krijgt de indruk dat hij liegt: ‘Op een wenk van de heer Gonsalves die tegelijkertijd naar een gummistok greep, pakten bliksemsnel vier daarbij tegenwoordige agenten de Dani beet en spanden hem tussen zich uit als ware het een routinehandeling en wel op dusdanige wijze dat, nadat zijn lichaam voorover was geklapt, armen en benen van de man in spreidstand kwamen en dat het lichaam omdat zij er allen aan trokken, ongeveer een halve meter boven de grond hing met het gezicht naar beneden. Daarop diende de heer Gonsalves de man een aantal slagen met de gunmmistok toe op het achterwerk. Met stelligheid meen ik mij te herinneren dat het er vijfentwintig waren. Het slaan geschiedde met grote kracht. Toen de Dani werd losgelaten kreunde hij van pijn. Hij werd buiten het wachthuisje op de grond neergelegd en met een emmer water, welke over hem heengegooid werd, bijgebracht. Toen de man was bijgekomen werd hij in de gevangenis gegooid.’

Op al die verklaringen en rapporten van getuigen die persoonlijk bij brandstichtingen, mishandelingen en doodschieten aanwezig waren, gaat Gonsalves in tijdens het verhoor op 23, 24 en 25 november 1960. Dankzij ingrijpen van de minister van Binnenlandse Zaken mr. E.H. Toxopeus, is von Meyenfeldt erin geslaagd Gonsalves toch te verhoren. Hij arriveert op 8 november in Den Haag. Gonsalves is dan met vakantie in het buitenland. Eind november keert hij terug.

Het verhoor wordt afgenomen door de inspecteur van de rijksrecherche eerste klasse P.A. van Noothoorn. Gonsalves heeft eerder over schietpartijen gerapporteerd aan zijn superieuren in Hollandia. Maar volgens de advocaat-generaal bij het hof in Hollandia, mr. W. van Vliet, gebeurde dat ‘volkomen in strijd met de waarheid’.

Tijdens het verhoor in Den Haag bevestigt Gonsalves vrijwel alle incidenten. Alleen geeft hij soms een andere lezing en beroept zich op noodweer. De verklaringen van getuigen en van het proces-verbaal van Gonsalves, die opgenomen zijn in een nooit eerder gepubliceerd ‘geheim’ en ‘zeer vertrouwelijk’ dossier, werden uitgezonden in het VPRO-radioprogramma Argos. ‘Tot grote tevredenheid van mijn superieuren’

Proces-verbaal No. 46/60 vN. Onderwerp: Verhoor van Mr. Rodolph Aloysius GONSALVES, geb. 5 mei 1932 te Heerlen, Controleur 1e. kl. b/h Binnenl. Bestuur v/h Gouvernement van Ned.-Nieuw-Guinea. No. 47/60 vN. Onderwerp: Verklaring van: Mr. P. OKMA en J.C. BAARSPUL. Proces-verbaal.

Op 24 januari 1956 werd ik aangesteld tot adspirant Controleur in vaste dienst bij het Binnenlands Bestuur van het Gouvernement van Nederlands-Nieuw-Guinea. Ik werd ter beschikking gesteld van het onderafdelingshoofd van de Schouten-eilanden. In augustus 1957 werd ik overgeplaatst en ter beschikking gesteld van het onderafdelingshoofd van Hollandia. Mijn taak bestond aldaar voornamelijk uit de functie van ‘Raadsman’ bij de Landschaps-Rechtbank, belast met de jurisdictie over de inheemse bevolking. Ik was dus belast met rechtsprekende arbeid, welke ik kennelijk tot grote tevredenheid van mijn superieuren heb verricht, gezien de jaarlijkse conduite qualificatie: ‘zeer goed’.

In oktober 1957 werd ik tijdelijk toegevoegd als secretaris van de toenmalige Minister van Zaken Overzee gedurende de tijd van zijn inspectie-reis in Nieuw-Guinea. Hiervoor ontving ik een schriftelijke tevredenheidsbetuiging. Omstreeks de laatste week van december 1957 ben ik aangesteld als waarnemend onderafdelingshoofd van de onderafdeling Himberan. Omstreeks 17 januari 1958 werd ik ter beschikking gesteld van de Resident van Hollandia en als zodanig gedetacheerd op de exploratie-post in de Baliem-vallei. In die tijd werd ik bevorderd tot Controleur. Alvorens mijn post te betrekken kreeg ik van de Resident de mondelinge opdracht om mij aldaar gedurende enkele weken te laten inwerken door mijn collega VELDKAMP, die ik moest aflossen. Verder kreeg ik als zeer uitdrukkelijke opdracht om mij gedurende de eerste tijd geheel te concentreren op de studie van de ‘Dani’ taal, ter voorbereiding van de ‘pacificatie’, waarmee in de naaste toekomst een aanvang zou moeten worden gemaakt. De visie van de Resident was, dat, gezien de beperkte middelen, de pacificatie in eerste aanleg beperkt zou moeten worden tot het vestigen van rust en orde in de onmiddellijke omgeving van post en vliegveld, teneinde medewerking van de plaatselijke bevolking te verkrijgen bij de uitbreiding van het bestaande vliegveldje tot een volwaardig Dakota-vliegveld. Van de snelheid waarmede een Dakota-vliegveld zou gereedkomen hing namelijk het voortbestaan van de bestuurspost af.

Op 4 februari 1958 vertrok VELDKAMP en was ik dus daadwerkelijk met de leiding van de bestuurspost belast. Aan mij waren toegevoegd: de adjunct administratief ambtenaar P.J.G. BONGERS, de inspecteur van Politie tweede klasse, J. VELDHUYZEN en 12 Papoea-politiemannen. Omstreeks eind februari 1958 kreeg ik van de Resident de radio-telefonische opdracht om met duidelijk kenbare tekenen een gebied, gelegen rondom vliegveld en bestuurspost, af te bakenen van zodanige omvang, dat het naar mijn inzicht mogelijk was om de omwonende Dani-groepen duidelijk te maken dat binnen dit gebied orde en vrede moesten heersen. Aan deze opdracht heb ik voldaan door het plaatsen van palen, waarna ik de hoofden van de omwonende groepen de bedoeling van deze maatregel heb duidelijk gemaakt. Een en ander had tot resultaat een ‘adat-vrede’ tussen verschillende van de betrokken bevolkingsgroepen, zulks op initiatief van het hoofd van de machtigste groep. Naar aanleiding hiervan was het mogelijk geworden dat regelmatig enige honderden Dani’s op het aan te leggen vliegveld konden komen werken. Dit geschiedde geheel vrijwillig en tegen betaling. Ik moge hieraan toevoegen, dat de bevolking in de Baliem-vallei bestond uit naar schatting 60.000 mensen, verdeeld in ongeveer 20 bevolkingsgroepen, welke bij mijn komst aldaar onderling in een voortdurende staat van oorlog verkeerden.

Geleidelijk aan werd mijn opdracht tot pacificatie uitgebreid tot de gehele Baliem-vallei en later ook tot een aantal daarbuiten gelegen valleien, waardoor ik plm. 80.000 Dani’s, voorzover ik daarover met mijn beperkte middelen kon beschikken, onder mijn bestuur had. Uit mijn pacificatie-opdracht vloeide voort het voorkomen van de onderlinge oorlogen; het repressief optreden in geval van overtreding; het beslechten van onderlinge geschillen, welke aanleiding zouden kunnen geven tot het her-opleven van oorlogen en een bloedwraak. Hiertoe moest ik dan ook diverse patrouilletochten ondernemen, waarbij ik meerdere malen gedwongen werd om daadwerkelijk op te treden. Bij mijn vertrek naar de Baliem-vallei in januari 1958 werd aan mij te Hollandia, in opdracht van de Resident, door de Afdelingscommandant van de Algemene Politie te Hollandia, de Commissaris van Politie KOES, een dienstrevolver van de politie in bruikleen verstrekt. Bij overname van de post van mijn collega VELDKAMP gaf deze aan mij over een zogenaamde Jungle-karabijn en een dubbelloops jachtgeweer. De politiemannen waren bewapend met een Mauser-geweer, de inspecteur met een revolver. Voorts waren op de post nog aanwezig twee machine-pistolen en twee sein-pistolen. Als ik op patrouille ging droeg ik doorgaans een revolver bij mij en op verre of gevaarlijke patrouilles de jungle-karabijn.

Op 29 april 1958, te omstreeks 14 uur, overviel een grote groep met speren en pijlen gewapende krijgers van de Welesie-groep een klein groepje ongewapende Huwikiaks, dat, na arbeid op het vliegveld , op de terugweg naar huis was, vlakbij de noordkant van het vliegveld, binnen het door mij afgepaalde gedeelte. Hierbij werden drie vrouwen en een oude man van deze Huwikiaks gedood. Nadat ik van deze overval kennis had gekregen, heb ik, via de radio-telefoon, mij met de Resident in verbinding gesteld en, op mijn voorstel, gaf deze mij opdracht mij met een patrouille naar het woongebied van de schuldige groep te begeven teneinde te bewerkstelligen dat, hetzij vrijwillig, hetzij onder dwang van ons, aan de Huwikiaks als smartegeld vier grote varkens werden betaald. Een en ander geschiedde, omdat anders de Huwikiaks op hun beurt bloedwraak op de Welesie-groep zouden toepassen. In verband met deze opdracht heb ik mij met een politie-patrouille naar de Welesie’s begeven. Op mijn aanzegging om de varkens vrijwillig af te staan werd geantwoord door een massale aanval van plm. 100-200 krijgers op onze patrouille. Nadat op mijn bevel door ons enige salvo’s in de lucht waren afgevuurd, zag ik mij genoodzaakt ter waarborging van de veiligheid van mijn patrouille bevel te geven tot gericht vuur. Hierbij werd één van de aanvoerders der Welesie’s dodelijk getroffen. Uiteindelijk hebben wij ons teruggetrokken met de inmiddels door mij geconfisceerde varkens, welke later aan de Huwikiaks werden afgestaan. Als direct resultaat van dit optreden zagen de Huwikiaks af van bloedwraak en durfden de omwonende groepen weer op het vliegveld te komen werken. Van een en ander werd door mij schriftelijk rapport uitgebracht aan de Resident.

Naar aanleiding van dit incident kreeg ik van de Resident de opdracht om in den vervolge dergelijke zaken niet radio-telefonisch, doch onmiddellijk ‘vertrouwelijk’ schriftelijk te melden.

In verband met de omstandigheid dat het op een afstand van twee uur gaans van de bestuurspost gelegen gebied van de Lomabels (hoofman KURELU) door intensieve handelsbetrekkingen (zoutbronnen) een haard was geworden van framboesia-infectie en door mij bovendien vanuit bepaalde groepen verzoeken waren ontvangen om medische hulp, heb ik uiteindelijk met toestemming van de Resident een patrouille-tocht naar dat gebied ondernomen. Toen wij door het moeras waren getrokken, stelde ik de patrouille op op een dijkje dat als grens te beschouwen was tussen het moeras en de tuinen van Kurelu-mensen. Ik zag toen op een nabijgelegen heuveltje een tweetal oudere mannen staan, waarmede ik wilde onderhandelen, omdat ik van hen meer succes verwachtte en hen het medische doel van onze patrouille uit te leggen. Geheel alleen begaf ik mij in de richting van deze beide mannen. Ik was gewapend met mijn dienstrevolver, welke zich nog in de heupfoedraal bevond. Onderweg werd ik echter door krijgers, die zich in een tuingoot verdekt hadden opgesteld, met pijlen beschoten. Dit was het sein voor een algemene aanval, waarbij vele pijlen op de patrouille werden afgeschoten en waarbij tegelijkertijd krijgers met gevelde speren op de patrouille afstormden. Ik rende daarop terug naar mijn patrouille en gaf opdracht enige salvo’s in de lucht af te vuren. Toen dit niet hielp en de aanval toch werd doorgezet, gaf ik bevel gericht te vuren. Ik geloof niet dat ik zelf heb geschoten. Er werden door mijn mannen twee aanvoerders van de Kurelu-groep getroffen. Ik wil hierbij aantekenen dat ik opdracht had gegeven om laag te vuren. Later constateerde ik dat een van de getroffenen een ongevaarlijke wond aan het been had. De ander was in de onderbuik getroffen en is later gestorven.

Ter gelegenheid van het verzorgen van de gewonde Lomabels werden door onze ziekenverpleger, op hun verzoek, nog een aantal krijgers tegen framboesia ingespoten. Ik onderhield mij onder anderen toen ook op vriendschappelijke wijze met het hoofd ALKARE, met wie ik de afspraak maakte om over enkele dagen op dezelfde plaats terug te komen, teneinde ook de vrouwen en de kinderen tegen framboesia te behandelen.

In november 1958 heb ik, op verzoek van de CAMA (Christian and Missionary Alliance) en met toestemming van de Resident, een poging ondernomen om het wrak te bereiken van een vliegtuig van de CAMA, dat in april 1955 tegen een bergtop aan de ingang van de Pasvallei was verongelukt. Mijn patrouille bestond uit de Inspecteur van Politie VELDHUYZEN en vier politiemannen, alsmede Dr. SMIT en de zendeling ROSE, beiden in dienst van de CAMA, en de gebruikelijke dragers.

In de Pasvallei, op de heenweg, werden wij vergezeld door het dorpshoofd WIERAIUK die als gids diende. Toen ik onderweg bemerkte dat deze man, die uit deze omgeving afkomstig was, ons opzettelijk een verkeerde weg had gewezen en hij bovendien op een bepaald ogenblik tegen de avond ons in de steek had gelaten, heb ik hem, toen ik hem de volgende dag weer aantrof, een pak slaag gegeven of doen geven. Ook is juist hetgeen Dr. SMIT zegt over hetgeen is geschied op de terugweg van deze patrouille. Ik wil hierbij echter opmerken dat het niet zo maar het werpen van een steen naar een van onze dragers was, maar dat door mij werd opgemerkt dat in de onmiddellijke omgeving van het pad waarlangs wij liepen zich verspreide groepjes krijgers ophielden, die in opgewonden toestand verkeerden (krijgsgezang en krijgsgeschreeuw). Nadat die drager door het werpen van de steen bloedend was verwond aan het been, heb ik gemeend die daad te moeten bestraffen door het opleggen van een boete in de vorm van een varken en een stenen bijl. Tijdens de onderhandelingen hierover met KURELU persoonlijk, die daar toevallig aanwezig was, groeide de onrust onder de bevolking en verzamelden zich steeds meer gewapende krijgers rondom het dorp.

Nadat ik aan KURELU had verteld dat ik hem persoonlijk verantwoordelijk achtte voor de veiligheid van onze patrouille, was ik des te onaangenamer verrast toen ik tot de ontdekking kwam dat hij kort daarop vluchtte. Daarop heb ik mijn politiemannen de opdracht gegeven om het mannenhuis in brand te steken, nadat een agent met een zaklantaarn zich ervan had overtuigd dat zich niemand in die hut bevond. Daarna zijn wij verder getrokken met medeneming van het varken en de stenen bijl. Bij dit wegtrekken ondernamen de Lomabels nog een aanval op ons met speren. Ik heb toen zelf met mijn revolver een schot gelost, waarop ook de politie het vuur opende. Hierop trokken de aanvallers zich terug. Er werd toen niemand geraakt en wij zijn verder rustig voortgetrokken.

Ik wil hieraan nog toevoegen dat ik, voor zover ik mij weet te herinneren, ook uit zelfverdediging op ILJAKOT heb geschoten en dat ik, toen deze daarop wegvluchtte, nog een schot op hem heb afgevuurd met de bedoeling zijn vlucht te stuiten, aangezien dat ik van mening was dat zijn arrestatie noodzakelijk was. Na dit laatste schot viel ILJAKOT voorover in een sloot. Tijdens het korte ogenblik dat ik de houder van mijn karabijn verwisselde, aangezien ik bemerkte dat ook van de andere zijde de patrouille werd aangevallen, stak mijn huisjongen ILJAKOT tenminste eenmaal met diens speer in het lichaam. Toen ik opkeek en dit bemerkte, gelastte ik hiermede onmiddellijk op te houden en ILJAKOT onmiddellijk uit de sloot op de kant te trekken. Toen ik enkele ogenblikken later naar ILJAKOT keek, constateerde ik dat hij, hoewel gewond, nog leefde. Aangezien ik totaal geen verbandmiddelen bij mij had, heb ik zijn stamgenoten toegeroepen dat ik hen in de gelegenheid zou stellen om hem onmiddellijk weg te halen. De volgende dag, bij mijn bezoek aan Pumansili, trof ik de lijken aan in een van de hutten van PUMANSILON en ILJAKOT.

Wanneer u mij de vraag stelt of het niet beter ware geweest om eerst op veilige afstand een gesprek met PUMANSILON te openen en inmiddels mijn patrouille de gelegenheid te geven om dichter bij mij te komen, dan wil ik daarop antwoorden dat iedere aarzeling van mij persoonlijk als bangheid zou zijn uitgelegd en daardoor juist een aanval zou uitlokken, zoals dat in de Dani-sfeer gebruikelijk is. Voorts vestig ik er de aandacht op dat ik van de Resident de opdracht had gekregen om PUMANSILON tot elke prijs te arresteren en ik in het algemeen de opdracht had om gezien de ernst van de situatie hard toe te slaan indien nodig.

De volgende dag, na het bezoek aan het dorp Pumansili, bezocht ik op de terugweg ook nog het dorp Kelebukama, het dorp van het hoofd HELEKENAI. Aangezien uit inlichtingen voor mij vaststond dat HELEKENAI de leiding had gehad van de aanval op de achterhoede van zijn patrouille, was ik voornemens om hem, indien ik hem zou aantreffen, te arresteren. Het dorp bleek echter geheel verlaten. Als maatregel van afschrikking heb ik toen de hut van HELEKENAI in brand laten steken.

Betreffende de verklaring van de Inspecteur van Politie MARKHORST omtrent het schieten op Dani’s die zwemmend over de rivier door de vlucht zich trachtten te onttrekken aan een arrestatie, kan ik u mededelen dat op mijn last werd geschoten. Niet echter op de zwemmende Dani’s, doch ver daarachter – ter plaatse is het water namelijk breed en de zwemmers hadden de overzijde praktisch reeds bereikt. Mijn bedoeling was namelijk om op deze wijze, ter afschrikking, waterfonteinen te veroorzaken, te meer, daar zich nog op de nabijgelegen heuvel Dani’s bevonden, die geen aanstalten maakten om zich terug te trekken. Laatstgenoemden behoefden de rivier niet over te trekken, aangezien hun dorpen zich aan dezelfde zijde van de rivier bevonden. In het kader van mijn patrouille van Bokondini naar Wamena omstreeks eind november 1959 trok ik van Pyramid naar Musatfak.

Toen wij het gebied van Silo binnentrokken zag ik aan verschillende kanten gewapende krijgers, uit wier gedrag ik opmaakte, dat er een vijandige stemming heerste. Bij aankomst in het dorp van Silo zagen wij dat dit was verlaten. Ik heb toen opdracht gegeven om ter plaatse een bivak op te slaan, aangezien ik hoopte in de loop van de dag contact met de bewoners te kunnen opnemen. Dit gelukte niet. Aan de agent JAAS gaf ik opdracht om een varken dood te schieten. Ik deed dit omdat ik tevoren van SILO twee varkens ten geschenke had gekregen, welke ik in zijn dorp had achtergelaten. Toen echter de volgende morgen nog niemand in het dorp van Silo was verschenen, liet ik, als compensatie voor de door SILO geroofde varkens, een zelfde aantal meenemen, welke ik later aan de bestolenen heb teruggegeven. Daarna begaven wij ons op weg in de richting van Musatfak. Vanaf het begin van onze tocht werden wij gevolgd door kleine groepjes gewapende krijgers, welke groepjes geleidelijk aan groter werden. Een en ander werd door de mensen van mijn patrouille als een permanente bedreiging opgevat. Zij werden doodsbang met als gevolg hiervan dat ik telkens van voor naar achter moest lopen om te zien wat er aan de hand was. Mijn patrouille bestond namelijk uit vier of vijf politiemannen en een aantal dragers. Buiten mij was er geen enkele Europeaan. Het is juist, dat ik met mijn mannen daarna heb rond geslopen door het terrein in de omgeving, waarna ik mij op een bepaald punt verdekt heb opgesteld. Ik deed dit omdat ik hoorde dat een eind verder zich een aantal krijgers ophield. Ik stelde mij op in het struikgewas terzijde van het pad, terwijl twee van de agenten zich een paar meter achter mij aan weerszijden van het pad hadden opgesteld. Ik voeg hieraan toe, dat ik aan deze agenten de opdracht had gegeven om gericht te schieten zodra wij in onmiddellijk levensgevaar zouden komen te verkeren. Dergelijke bevelen heb ik steeds gegeven in gevaarlijk gebied .

Nadat wij enige tijd aldus opgesteld waren, hoorde ik plotseling een aantal krijgers over het voetpad naderen. Op een gegeven ogenblik werd ik door de voorste krijger ontdekt. De man had een speer in de hand. Op het moment van ontdekking sprong ik op het pad vóór hem. Wij waren allebei hevig geschrokken. Ik neem aan dat hij onmiddellijk rechtsomkeert maakte, waarop ik met mijn karabijn ‘in een reflex’ heb geschoten zonder aan te leggen. De man werd dodelijk getroffen, terwijl zijn kameraden wegvluchtten. Ik wens hieraan uitdrukkelijk toe te voegen, dat ik bepaald niet de voorop gezette bedoeling heb gehad om de man te doden. Een en ander moet het gevolg zijn geweest van mijn dodelijke vermoeidheid, waardoor ik minder contr“le over mijzelf had.

Gedurende de laatste weken en de gehele dag had ik zo vaak in levensgevaar verkeerd, dat ik daardoor mij op dat moment eveneens bedreigd voelde. U leest mij voor de verklaringen betreffende door mij gepleegde mishandelingen.

De daarin omschreven feiten zijn in hoofdzaak juist, behoudens enkele details, waarover ik U thans nader wil verklaren. Naar mijn weten werd er nooit iemand zodanig geslagen dat hij daardoor buiten bewustzijn geraakte, zij waren hoogstens wat versuft. De kwetsuren kwamen neer op beurse plekken en ontvellingen, welke, indien nodig, in mijn opdracht door de ziekenverpleger werden behandeld. Het feit dat ik wel een emmer water over de mensen heen liet gooien, moet worden gezien in het licht dat ik ze wat wilde doen kalmeren, alsmede als verzachting van pijn. Dit is ook de reden dat ik ALICAT met zijn achterwerk in het water heb gezet. De door mij toegepaste tuchtigingen waren bedoeld om behoorlijk pijn te veroorzaken, anders zou het geen straf zijn gewest. Ik heb er echter steeds voor gewaakt dat alleen op het achterwerk en de bovenbenen werd geslagen. Indien bijvoorbeeld wel eens door het spartelen van de man op diens schouder werd geslagen, dan greep ik terstond in en liet ophouden.

Na de tuchtiging van WIKROWEH is deze, ter regeling van zijn affaire – overdracht van varkens als smartegeld voor door Hokokko’s vermoorde vrouwen en kinderen van de Aselokowals – weer op de post verschenen. Met nadruk ontken ik dat hij bij één van de door mij toegepaste tuchtigingen, zoals vermeld in de verklaring van BROEKHUYSEN, een arm van één van de Dani’s zou zijn gebroken.

Tot het toepassen van lijfstraffen ben ik geleidelijk aan gekomen, omdat ik uit ervaring leerde dat de aanvankelijk toegepaste straf van het betalen als boete van varkens in bepaalde gevallen, zoals zede-zaken, als ‘adat’ niet voldoende bleek te zijn. Hierdoor kon ik in alle gevallen bloedwraak voorkomen. Volgens het Nieuw-Guinese recht moest ik in beginsel het adat-recht toepassen, tenzij dit in strijd was met de algemene beginselen van menselijkheid. Eerst in de loop van 1959 ben ik met lijfstraffen begonnen. Ik heb nooit lijfstraffen toegepast dan wanneer ik, door onderzoek, de overtuiging had gekregen dat een overtreding was begaan. Doordat ik overstelpt was met werk kon ik alleen in de allerzwaarste gevallen van misdrijf (moord) gevangenisstraf opleggen en dit in een vonnis vastleggen. In het maken van de vonnissen ging ontzettend veel werk ziten. Omstreeks april 1959 kreeg ik van de Resident de opdracht om de gevangenisstraf te hanteren. Ik vroeg onmiddellijk om een gevangenis, waarna ik de opdracht kreeg om zelf een gevangenis te laten bouwen van materiaal uit de streek afkomstig. In verband daarmede moest ik, om redenen van menselijkheid, een gevangenis bouwen als Dani-hut, omdat anders de mensen zouden omkomen van de koude en zij zich daarin beter zouden kunnen aanpassen. Ik moest mijn politiemannen tevoren de instructie geven dat zij, in geval van vlucht van de gevangenen, indien aan een waarschuwingsschot geen gehoor werd gegeven, gericht vuur te geven zo laag mogelijk. De gevangenen waren hiervoor tevoren door mij persoonlijk uitdrukkelijk gewaarschuwd. Zo is er in april 1959 door een verkeerd gericht schot een ontsnappende arrestant in de schouder getroffen. Dit laatste geval heb ik aan de Resident gerapporteerd, zodat hij bekend was met deze instructie. Ik heb toen geen andersluidende instructie ontvangen.

Doordat ik over veel te weinig bewakingspersoneel kon beschikken, moest ik aanvankelijk de maatregel nemen dat de werkende gevangenen met touwen aan elkander verbonden waren. Toen op een keer door een binnengesmokkeld scheermesje een twaalftal gevangenen ontvluchtte, rapporteerde ik een en ander aan de Resident, die mij daarop kettingen zond.

Betreffende de door U voorgelezen verklaring van de Resident omtrent de ongeregeldheden in oktober 1959, waarbij ik aan hem zou hebben voorgesteld om een 50-tal gevangenen in het belang van een permanente vrede te doen fusilleren, merk ik het volgende op: Dit voorstel werd in deze geest door mij nimmer gedaan. Nadrukkelijk stel ik, dat ik met de Resident heb overlegd of ik, als alleensprekend rechter, in deze gevallen de in het Nieuw-Guinese Strafrecht nog steeds geldende doodstraf kon opleggen. Ik heb er de Resident daarbij op gewezen dat van een dergelijke straf een geweldige preventieve werking zou uitgaan. De Resident verwierp deze mogelijkheid zeer nadrukkelijk en de door hem gebruikte argumentatie werd door mij dan ook volledig geaccepteerd. Betreffende de opmerkingen in de door u voorgelezen verklaringen dat ik spoedig driftig zou worden en in woede zou uitbarsten, moet ik u het navolgende mededelen.

Omstreeks mei 1959 werd ik voor onderzoek in het ziekenhuis te Hollandia opgenomen. Daar werd onder meer geconstateerd: physieke uitputting. Na een week werd ik uit dat ziekenhuis ontslagen met de boodschap, dat ik het kalm aan moest doen. Dit was echter in de Baliem onmogelijk, gezien de omvang van mijn taak; de moeilijke omstandigheden en het voortdurende personeelsgebrek. Het kwam er op neer dat ik alle patrouilles zelf moest leiden. Een door mij schriftelijk ingediend uitvoerig voorstel om in de Baliem-vallei een net van posten te plaatsen, waardoor, in plaats van op de repressie, de grootste nadruk zou komen te liggen op de preventieve kant van de zaak, werd in principe goedgekeurd, maar wegens personeelsgebrek niet gerealiseerd. Ik was overstelpt met werk. De patrouilles kwamen vaak door de aard van het werk neer op nachtpatrouilles – verrassingselement en daardoor geweldloze arrestaties – . Ik had een zich steeds uitbreidende pacificatie-taak, welke impliceerde in een steeds groeiende patrouille-taak (in het geheel ben ik plm. 350 dagen op patrouille geweest). Bovendien een steeds groeiende taak bij het oplossen of berechten van onderlinge geschillen, welke konden leiden tot oorlog of en bloedwraak. Daarnaast moest ik er voor zorgen dat het vliegveld zo spoedig mogelijk klaar zou zijn. De aanleg van een autoweg dwars door de vallei en tientallen andere werkzaamheden. Bovendien werd ik overstelpt met veel aandacht vragende toeristische bezoeken. Voor mijn optreden in de oktober-affaire kreeg ik een op 21 oktober 1959 gedateerde schriftelijke tevedenheidsbetuiging van de Gouverneur. In het algemeen is het aan de Resident bekend geworden dat wel eens een dorp of hut door mij of op mijn last in brand werd gestoken als straf of afschrikkingsmaatregel (zie de oktober-affaire), doch de Resident heeft mij daarover nimmer enige aanmerking gemaakt. Na voorlezing en volharding tekent hij zijn verklaring. Controleur binnenlands bestuur R.A. Gonsalves krijgt een feestmaal aangeboden van een Dani-dorpshoofd, ‘uit dank voor de vrede die er heerst na de vestiging van de bestuurspost Wamena in de Baliem-vallei’ FOTORESEARCH LOUIS ZWEERS/ARCHIEF RVD. Op patrouille krijgt controleur binnenlands bestuur Gonsalves een big van een dorpshoofd.

Vrij Nederland, van 25 juni 1994