Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

Het orakel van Druten

Toen de heemraden die zondagavond de extra vergadering van de dijkstoel om tien over acht verlieten, werden ze opgewacht door een oude vrouw. Ze stond tegen de muur van de ingang naar het districtshuis in Druten. Volgens omwonenden had ze de hele avond als een schim over het Kerkeland gedwaald. Ze was langs de bomenrij gegaan, de parkeerplaats overgestoken en teruggekeerd om te wachten en te waarschuwen. De mensen die haar kenden noemden haar Zwarte Janske maar het was niet precies na te gaan hoe ze aan die bijnaam was gekomen. Sommigen die de oorlog hadden meegemaakt, meenden zich te herinneren dat ze in donkere nachten met een roeiboot de rivier opging om zich vast te haken aan passerende Rijnschepen waaruit ze kolen stal die bestemd waren voor de Duitse oorlogsindustrie. Een enkeling wist nog dat ze bedekt onder het zwarte gruis terugkeerde en de kolen, soms eerste klas anthraciet, onder de mensen op de dijk verdeelde of ruilde tegen varkensspek. Anderen zeiden dat ze Zwarte Janske werd genoemd om haar pessimistische levensvisie en zwartgalligheid. Ze had haar leven lang in een huis aan de dijk gewoond, waarin ze als kind de overstromingen van 1926 had meegemaakt.

Het was de laatste zondag van de januarimaand in 1995. Opnieuw had het een etmaal geregend, zoals het de acht dagen daarvoor vrijwel onafgebroken geregend had. Koude en warmtefronten wisselden elkaar af, depressies trokken voorbij en keerden terug. Soms onweerde het en waren er windstoten die kraters in de rivier sloegen en flarden water tegen de dijken joegen. In het stroomgebied van de Rijn was ongeveer honderdenvijftig mm neerslag gevallen. Boven de Ardennen werd in één etmaal vijftig mm gemeten. Hoog in de bergen was de sneeuwgrens tot tweeduizend meter gestegen, waardoor het regenwater zich mengde met het smeltwater en bij Trier de rivier in vierentwintig uur meer dan vijf meter steeg. Bij Bingen, op zo’n zestig uur afstand van Lobith, vormde zich een watergolf die door allerlei zijrivieren zou worden gevoed tot onvoorspelbare hoogte. Niemand wist wanneer en hoe de hoogwatergolf de Nederlandse delta zou passeren. De voorspellingen van Rijkswaterstaat waren geruststellend, zelfs enigszins lakoniek. De waterschappen, die een eeuwige vete met Rijkswaterstaat hebben over de autoriteit in het rivierengebied, vertrouwden die gegevens niet. Ze wilden heldere getallen over een langere termijn. Het meetbureau van Rijkswaterstaat, het Rijksinstituut voor integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling(RIZA), kon die niet geven. Het gedrag van hoogwater is voor de wetenschap zo grillig, dat elke voorspelling over een periode langer dan twee dagen mank gaat aan onnauwkeurigheid. Zo heerste een kakafonie aan elkaar tegensprekende stemmen en werden ordinaire ruzie’s uitgevochten over de ernst van de situatie. Langzaam kreeg paniek de overhand.
Het land was zompig, de dagen waren grauw en de mensen somber en ongerust. In die situatie zou de oude vrouw voor het districtshuis uitgroeien tot het orakel van Druten.

Al een week lang was de ongerustheid gevoed door hoog water in de Franse en Belgische Ardennen waar de Maas door uitbundige regenval vele malen breder werd. In Franse dorpen trokken mensen met rubberboten door de straten. In België sleurde het water van de Ourthe bomen en schuren mee. Op de laatste donderdag van januari hadden de inwoners van Borgharen en Itteren het dringende advies gekregen hun huizen te verlaten. Allemaal niets alarmerends. De Maas is een regenrivier. Als het in Noord-Frankrijk hard regent is het twaalf uur later hoog water in Borgharen. Als het blijft regenen verbreedt het stroomgebied zich tot het winterbed. Een natuurverschijnsel zoals windkracht dertien en onweer in februari. Dat er steeds meer huizen langs de Maas onder water lopen heeft niets te maken met de grilligheid van de rivier, maar alles met de arrogantie van bestuurders die toestemming gaven in gebieden te bouwen waar nooit gebouwd had mogen worden.
De media deden geen moeite de geschiedenis te doorgronden. Niets is zo fotogeniek als hoog water in een laag land. Verslaggevers, fotograven en cameramensen leverden verbeten slag om drama en spektakel. Een huilende vrouw op een natgeworden vloerbedekking in Tegelen. Een woedende middenstander in restaurant Maaszicht. De vlucht van de laatste burger uit een bedreigde villa in Herten. De laatste mis uit een met zandzakken beschermde roomse kerk. De creativiteit kende geen grenzen. Jonge parlementarirs, die nooit veel meer zagen dan de Hofvijver, raakten op excursie in het Maasdal uitzinnig van al dat water en riepen om dijken en keringen – onbekend met de wetenschap dat die pas echt rampen zullen veroorzaken.

In die opgewonden stemming kwam de dijkstoel van het polderdistrict Groot Maas en Waal op die zondagavond in extra vergadering bijeen om te bezien hoe op te treden tegen wat omschreven werd als ‘de waterstanden van de eeuw.’ De paniek en de angst die langs de Maas waren opgeroepen, waren de gebeurtenissen in het rivierengebied vooruitgesneld. NRC/Handelsblad had al een paar dagen eerder gewag gemaakt van een ‘catastrofale waterstand’ in de Rijn. In het dorp Herwijnen in de Tielerwaard was één gezin koortsachtig gaan pakken en dat had het effect van een sneeuwbal. Nog voor de duisternis viel was de helft van de huizen in de nieuwbouwwijkjes verlaten. Het autobedrijf Kleyn Trucks in Vuren was begonnen met de evacuatie van tweeduizend vrachtauto’s naar hoger gelegen gebieden. In Waardenburg hadden hamsterende burgers op de laatste dag van de week de plaatselijke supermarkt leeg gekocht.
Op zaterdagavond, voorafgaande aan de extra vergadering, hadden de eerste man van het polderdistrict Groot Maas en Waal ir. H.H.Kok en de burgemeester van Nijmegen E. d’Hondt telefonisch een bondgenootschap gevormd om de geruststellende voorspellingen van Rijkswaterstaat onder uit te halen.
Geconfronteerd met de uit het rivierengebied vluchtende burgers zou Kok later zeggen: ‘Als iedereen weggaat zal je als overheid toch iets moeten regisseren. Anders loopt het uit de hand.’
Kok werkte ruim een jaar bij het polderdistrict toen het voor de tweede keer in korte tijd hoog water werd. Hij was uit Kampen naar de Betuwe gekomen en had al meteen laten weten dat hij vond dat alles in het rivierengebied vijftig jaar te laat gebeurde. Hij werd omschreven als ‘een opgewonden standje’, niet altijd even ‘tactisch’ en ‘hiërarchisch ongevoelig’. Maar in het rivierengebied waar de waterschappen nog voor een groot deel restanten waren van de oude boerenrepublieken die met ijzeren vuist het dijkenland bestuurden, werd met enig ontzag en bewondering naar hem geluisterd.
Een paar uur voor de vergadering begon hadden de heemraden een uitzending gevolgd voor het Kapitool waar ondermeer de Gelderse gedeputeerde voor water en dijken J. van Dijkhuizen discussieerde met oud-gedeputeerde mr. O.W.A. baron van Verschuer. De laatste had daarbij woedend geageerd tegen de milieubeweging en een gesprek aangekondigd met de Commissaris der Koningin in Gelderland dr. J.Terlouw.
Alle voorwaarden voor een crisis waren gecreëerd.

Niets was zeker, zo bleek op de extra vergadering van de dijkstoel. Het was onbekend hoe hoog het water zou komen. Over de stabiliteit van de dijken bestond onzekerheid. Hoe groot de reserves waren kon niet worden aangegeven. Elke kennis over het gedrag van de dijken ontbrak. Er bestond maar één zekerheid. Dat was het vertrouwelijke rampbestrijdingsplan annex evacuatieplan dat Nijmegen – na het hoge water van kerst 1993 – als eerste gemeente in de regio op 8 december 1994 had vastgesteld. Het was ontwikkeld door de waterschappen, burgemeesters en enkele hoge ambtenaren. Het plan schreef onverbiddellijk voor dat fase drie in werking moest worden gesteld bij een te verwachten waterstand van 16.50 meter boven Nieuw Amsterdams Peil bij de peilschaal te Lobith, kilometerraai 862. Bij die waterstand kunnen in combinatie met klimatologische factoren dijkbraken optreden waardoor een rampsituatie in de zin van de wet kan ontstaan.
Fase drie betekende evacuatie.
Volgens Rijkswaterstaat zou het water stijgen tot 16.55 meter. Welnu, zo hield secretaris-coördinator Kok de vergadering voor, het moment was daar. Hij kon niet langer de veiligheid van de dijken garanderen. Hij verzocht de heemraden zijn standpunt te delen.
Heemraad W.de Gaaij, die optrad als waarnemend dijkgraaf, verslikte zich aanvankelijk in verbazing en weerspannigheid. Op zaterdagmiddag had hij nog op een vergadering in Tiel, toen het concept-rampbestrijdingsplan in werking werd gesteld, geroepen: ‘Getverderrie, jullie zijn bezig paniek te zaaien.’ Tegenover Kok handhaafde hij z’n scepsis en zei niet te geloven dat het zo’n vaart zou lopen. Maar om de lieve vrede zou hij achter zijn secretaris gaan staan. Heemraad A.C.M.Dupont formuleerde tenslotte waarom de dijkstoel de sprong in het diepe maar moest wagen: ‘De Technische Universiteit in Delft weet het niet, Rijkswaterstaat weet het niet, de Grontmij weet het niet, wij weten het niet. Laten we dan in godsnaam maar onze eigen verantwoording nemen en de secretaris volgen.’

In die stemming verlieten de heemraden om tien over acht de vergadering waar ze aangesproken werden door de wachtende oude vrouw. Ze vroeg hen naar de besluiten die genomen waren. Een beetje besmuikt antwoordden De Gaaij en Dupont dat evacuatie overwogen werd. Toen zei de vrouw dat ze de goede beslissing genomen hadden. ‘Ik woon zeventig jaar langs de dijk,’ zei ze. ‘Ik heb vaak hoog water gezien. Voor het eerst heb ik de dijk horen steunen en kreunen. Ik heb tegen mijn zoon gezegd, het is hier niet pluis. En ik heb een stem gehoord die me zei dit tegen jullie te zeggen.’
De heemraden huiverden toen de vrouw was uitgesproken.
En Dupont wist vanaf toen dat hij de goede beslissing genomen had.