Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars
Izzy F.Stone, journalist 1907-1989, editor I.F.Stone’s weekly: ‘Alle regeringen worden geleid door leugenaars

‘De Ramp’ (Hoorspel)

CAST

                            'De ramp' 


personen:

familie:				vader
                              			moeder
                              			Trix
                              			Simon
                              			tante Bet

vrienden:                     			Beliam
                              			Rooie Piet
                              			Klaasje
                              			Nellie

ouderlingen:                  			De Winter(grossier/fabrikant)
                              			Bongers(wethouder)

overigen:                     			predikant
                              			Cent de klokkeluider                              
                              			buurman
          
vrienden ouders:
                              			Gerrit
                              			Sjaan               
                                        
bijrollen:                    			stem 1
                              			stem 2
                              			stem 3

                              			jongen 1
                              			jongen 2
                              
                              			man(1)
                              			man(2)
                              			vrouw(1)
                              			vrouw(2)
                              
                              			nieuwslezer 1
                              			nieuwslezer 2
               
               				Monus
                              			aardbewoner
                              			minister               
                              
                             			figuratie kerk/optocht





                          - verleden en heden -

Simon(verteller):
			                    'Van alle rampen die mij als kind overkwamen,
                              			was de dood van mijn vader het ergst.
                              			Ik verloor m'n jeugd en zekerheid. Ik verloor
                              			vooral m'n geloof in rechtvaardigheid. Ik heb
                              			dat nooit zo sterk gevoeld als nu, nu verleden                                                
                              			en heden elkaar steeds dichter naderen. Hoe
                              			ouder ik word, hoe vertrouwder de beelden van   
                              			toen worden. Misschien heeft dat vooral te      
                              			maken met het besef dat als verleden 
                              			en heden tenslotte samenvallen, het einde 
                              			onvermijdelijk is'

(even rust, serene muziek - Kathleen Ferrier, Orphoe en Euri-
dici? -  muziek sterft weg - omslaan pagina fotoboek)


1 EXT. DAG POLDER

buiten het huis in de polder, op een zomerse dag in de oorlog,
geluiden van dieren)

Trix:                         			'Simon!'

Moeder:                       			'Waar is die jongen nou'

Trix:                         			'Simon, Simon!'

Moeder:                       			'Hij hoort je niet'

Trix:                         			'Hij is weggekropen in de schuur'

Moeder:                       			'Wat doet die jongen toch raar'

Trix:                         			'Simon, je krijgt iets'

Vader:                        			'Je moet hem niet voor de gek houden'

Trix:                         			'Hij durft niet'

Vader:                        			'Waarom zou hij niet durven?'

Trix(proest):                 			'Hij denkt dat als hij op de foto wordt
                              			gezet, hij er niet meer afkan'

Vader:                        			'Simon, kom nou joh, ik ben er toch bij'

Simon(verteller):
                              			'Ik zie mezelf. Blond, bol en rond in een 
                              			streep zonlicht op het plaatsje. Op de rug
                              			van m'n vader. Met de autoped voor de poort.
                              			Me schuw afwendend in de tuin van tante Bet
                              			waar we woonden toen het dorp door de Duitsers
                              			onder water was gezet'

(omslaan pagina fotoboek)
2. EXT. OCHTEND HUISKAMER

(ochtend in de huiskamer, sober vertrek, een kleed op de
grond, een pluche kleed over tafel, op het dressoir een zwarte
Philips-radio van bakoliet, moeder gooit uit kolenbak kolen op
de kachel, Simon(6) komt via trap naar beneden, rekt zich uit,
geeuwt en kleedt zich traag aan)

                - Engelen zijn onzichtbaar -

Simon:                        			'Kunnen mensen onzichtbaar worden mama?'

Moeder:                       			'Kleed je nu eens aan'

Simon:                        			'Engelen zijn toch onzichtbaar?'

Moeder:                       			'Engelen zijn in de hemel'

Simon:                        			'De juffrouw zegt dat engelen overal zijn
                              			maar dat je ze niet kan zien'

Moeder:                       			'Als je opschiet mag je mee het paard halen'

Simon:                        			'Zijn geesten gevaarlijk?'

Moeder:                       			'Er is maar één geest, dat is de Heilige Geest'

Simon:                        			'Beliam zegt dat vrouwtje Pepe als 
                              			geest rondspookt'

Moeder(ongeduldig):
                              			'Beliam kletst, er bestaan geen spoken'

Simon:                        			'En heksen? Trix gelooft dat Pepe 's nachts in 
                              			een heks verandert'                

Moeder(boos):                 			'Trix is niet goed wijs. Pepe is alleen maar
                              			een kleine, magere vrouw die hard praat. Verder
                              			is er niks met haar.'

Simon:                        			'De juffrouw zegt dat mensen in engelen                                                   
                              			kunnen veranderen'

Moeder:                       			'Schiet nou toch eens op'

Simon:                        			'Misschien zijn ze nu wel hier en kijken ze
                              			naar ons'
(begint zich haastig aan te kleden)


Simon(verteller):
                              			'Trix was een paar jaar ouder. Ik had altijd
                              			ruzie met haar. Zij kneep mij, ik trok aan haar
                              			vlechten. Ze was bang in het donker. Ze was                                               
                              			altijd omringd door vriendjes en vriendinne-
                              			tjes. Ik was het liefst alleen. Een keer ver-
                              			kleedde ik me als spook en maakte haar zo 
                              			bang dat ze niet meer alleen naar de zolder
                              			durfde. Altijd beklaagde ze zich bij moeder.
                              			Mijn vader was een lange, slanke man. Ik zie                                              
                              			de smalle, regelmatige afdruk van zijn rechter-
                              			wijsvinger op het persoonsbewijs'

(omslaan pagina fotoboek)

                  - Optillen aambeeld - 

3. INT. DAG HUISKAMER

(in de huiskamer, van buiten dringen geluiden door van hard
pratende mannen die, in de vorm van een wedstrijd, om de beurt
een aambeeld uit de smederij van de buurman proberen op de
drukken, steunend geluid van krachtoefeningen, applaus als het
lukt, mannenstem: 'Oefenen Arie, blijven oefenen')


Simon(bewonderend):                		'De smid, die heeft grote handen'

Moeder:                       			'Je vader heeft mooie, slanke handen'

Simon:                        			'Heb ik ook zulke handen'

Moeder:                       			'Een beetje, die van je vader zijn fijner'

Trix:                         			'Poeh, jouw handen zijn dik en vies

(gestommel, geren)
Trix:                         			'Blijf van m'n vlechten af, auh, mama!'

Moeder(rustig):               			'Stop daar nou mee'

Simon:                        			'Papa heeft ook sterke handen hè?'

Moeder:                       			'Aan handen kan je vooral zien of iemand gevoe-  
                              			lig is. Je vader is heel gevoelig' 


Vader komt hijgend het huis binnen, gaat kreunend zitten

Vader:                        			'Ik krijg dat aambeeld maar niet boven 
                              			m'n hoofd'

Moeder:                       			'Hou daar dan ook mee op'

Vader:                        			'Een vent van mijn leeftijd moet dat toch 
                              			kunnen'

Moeder:                       			'Jij kan weer andere dingen. Jullie
                              			zijn net jongens'

Vader:                        			'Het lijkt wel of ik nu al oud word'

Moeder:                       			'Straks vertil je je nog'

Vader:                  			'M'n handen trillen helemaal'

Moeder(zacht,uitdagend):                		'Ik wil wel dat je handen zacht blijven...'

Vader(lichte 
opwinding):                   			'O ja, waarom dan wel...'

(geluid van gestoei, oppervlakkig gevrij)

Moeder(lachend):                        		'Arie..., niet waar de kinderen bij zijn' 


                    - Beste vriend -

Simon(verteller):
                 			            	'Beliam was mijn beste vriend. Hij was een jaar
                            			ouder. Hij staat met Trix voor de pomp. 
                              			We speelden met een pakhuis
                              			waarin een hijsbalk zat waarmee we zakjes 
                              			erwten en bonen omhoog hesen. Ik herinner me
                              			hoe op een dag vader en moeder plotseling                                                    
                              			gedempt gingen praten, alsof ze op hun hoede
                              			waren. Ze wilden ook niet meer dat ik naar
                              			Beliam's ouders ging'

(omslaan pagina fotoboek)

4.EXT. DAG SCHOOLPLEIN
(op schoolplein, lawaai van spelende kinderen, Beliam en Simon
slenteren rond)

Beliam:                       			' 't Waren Engelse vliegtuigen'

Simon:                        			'Nietwaar, de moffen hebben het gedaan'

Beliam:                       			'Mijn vader zegt dat Engelse vliegtuigen de 
                              			bommen hebben laten vallen'

Simon:                        			'Mijn vader zegt dat het de schuld van de 
                              			moffen is. Daarom zijn al die mensen op het
                              			dood'

Beliam:                       			'Waarom zeg je moffen?'

Simon:                        			'Mijn vader kan het weten'

Beliam:                       			'Hoe dan?'

Simon:                        			'Omdat mijn vader naar de ra...(slikt haastig                                               
                              			haastig in wat hij zeggen wil)...het gezien 
                              			heeft'

Beliam(trots):                			'Mijn vader werkt op het gemeentehuis'

Simon:                        			'Jouw vader is pro-Duits'

Beliam(fel):                  			'Wat is dat'

Simon(aarzelt):               			'Dat weet ik niet, maar mijn vader zegt dat
                              			jij er niks aan kan doen'
                              

                      - Optocht - 

Simon(verteller):
                              			'Ik sta voor ons paard en wagen in een donker-
                              			bruin pak dat tante Bet had nagemaakt van het
                              			uniform van de Canadezen. Het was een paar
                              			dagen na de bevrijding. Beliam was spoorloos.
                              			Nadat zijn vader en broer Karel - die te jong
                              			was voor schuld en te oud voor onschuld - samen
                              			met andere NSB-ers waren opgepakt, was hij met
                              			zijn moeder vertrokken. Ik weet nog dat er drie
                              			vrouwen waren met kale hoofden. En ik herinner
                              			me de NSB-burgemeester die in een kooi van
                              			kippegaas door het dorp werd gereden'

(omslaan pagina fotoboek)

5. EXT. DAG. OPTOCHT                                        

(Joelende mensen in optocht door het dorp, achter een door een
paard getrokken wagen waarop de kooi staat)

Stem 1:                       			'Vuilak, eindelijk hebben we jou'

Stem 2:                       			'Jij hebt Maan Levie verraden schoft'

Stem 3:                       			'Hang hem op'

Stem 1:                       			'Abbekerk moet hangen'

Stem 2:                       			'Breng hem naar het raadhuis'

Stem 3:                       			'Nu jullie vriendjes weg zijn, zijn jullie
                              			bang he'

Simon:                        			'Gaan ze hem doodmaken papa?'

Vader:                        			'Nee hoor, ze maken hem alleen maar bang'

Simon:                        			'Waarom doen ze dat papa?'

Vader:                        			'Omdat die man fout is geweest'

Simon:                        			'Fout?'

Vader:                        			'Hij heeft anderen kwaad gedaan. En kwaad moet                                                
                              			worden gestraft'


6. INT. DAG KEUKEN
                     - Borg staan - 

(opgewonden stemmen, flarden muziek, vaderlandse liederen,
gehos, luidende klokken, langzaam wegstervend, stemmen uit de
winkel van pratende mannen, beetje gedempd, geluiden uit de
keuken die met deur verbonden aan winkel grenst, klaarmaken
maaltijd)

Moeder:                       			'Wie was het?'

Vader:                        			'Ach, Veldman, die van dat grote gezin
                              			uit de polder'

Moeder:                       			'Die was toch fout?'

Vader:                        			'Fout? Een meeloper. Die man is zo arm als een
                              			rat. Hij dacht dat hij het beter zou krijgen' 

Moeder:                       			'Dat die naar het dorp durft te komen?'

Vader:                        			'Iedereen is gek, die 't bangst waren
                              			schreeuwen nu het hardst'

Moeder:                       			'Wat wil die van je'

Vader:                        			'Hij vraagt of ik borg wil staan'

Moeder:                       			'Pas maar op dat het ons geen klanten kost'

Vader:                        			'Waarom? Hij heeft niemand verraden. Mensen
                              			moeten opnieuw kunnen beginnen'

Moeder:                       			'Maar moet jij borg staan? We hebben zelf nog
                              			schuld bij De Winter'

Vader:                        			'Iemand moet het doen'

Simon:                        			'Beliam is weg'

Moeder:                       			'Die arme jongen'

Simon:                        			'Rooie Piet zegt dat Beliam's vader de koningin
                              			een wijf heeft genoemd'

Trix(snibbig):                			'Je moet niet napraten'

Vader(streng):                			'Wat Beliam's vader heeft gedaan, mag je 
                              			Beliam nooit kwalijk nemen'

Moeder:                       			'Weet je dat Veldman niet aan het Avondmaal
                              			mag?'

Vader:                        			'De ouderlingen moeten niet doen alsof zij
                              			heilig zijn'


Simon(verteller):
                              			'Mijn vader met zijn zeehengel tussen het 
                              			riet langs de rivier. Hij hield niet van 
                              			mensen - daarin verschil ik niet van hem. Ik
                              			beleef weer de tochten in de Jan Plezier
                              			naar de speeltuin 'De Houten Paardjes' in de
                              			duinen. Ik zat voor op de bank van de kapwagen
                              			waarmee hij boodschappen rondbracht in de                                                    
                              			polder. En hij leerde me met een koperdraad uit
                              			een dynamo snoeken strikken in de Bernisse die                                                 
                              			toen nog smal was, ondiep en vol van geheim-
                              			zinnig leven'
(omslaan pagina fotoboek)


                            - Snoeken strikken - 

7. EXT. DAG BUITEN
(zomerse dag, vredig, stilte met vogelgeluiden, kikkers in het
water die geluid maken, in de verte torenklok die slaat, vader
en Simon lopen op kousenvoeten door gras langs de rivier)

Vader(gedempt):			'Simon, kom'

Simon(rent, maakt te veel lawaai, geluid van borrelend water
waarin iets wegschiet):
                              			'Waar?'

Vader:                        			'Domoor, nou is 'ie weg'

Simon(verongelijkt):
                              			'Het is mijn schuld he?'

Vader:                        			'Je moet sluipen, net als een kat'

Simon:                        			'Dat doe ik toch'
 
Vader:                        			'Je loopt als een paard. Zacht, zacht'

Simon(mokkend):			'Ik kan niks'

Vader:                        			'Een snoek is zo gevoelig dat 'ie wegschiet bij 
              				de minste trilling'

Simon:                        			'...maar...'

Vader:                        			'Stil, niet praten...'

(stilte met geluiden natuur)

Vader(fluisterend):
                              			'Ja..., weer één, kom..., voorzichtig...sss'

Simon(schuifelt nu langzaam dichterbij, doet vader na:
                              			'sss'

Vader:                        			'Goed zo, kijk daar...'

Simon(teleurgesteld):
                              			'Dat is een stok,ik....

Vader(zacht):                 			'Sss, dat is geen stok, daar staat een snoek'

Simon(verwonderd):
                              			'Echt..., is dat een....' 

Vader:                        			'Sss, niets bewegen, zie je die kop en die 
                              			bek. Nu gaan we hem vangen'

Simon(zacht):                 			'Pakken'

Vader(zacht):                 			'Dat lukt nooit, daar is een snoek veel te                                                   
               				slim voor...'

(stille blikkerende geluiden van een draad)

Vader(dempt stem nog verder):
                              			'Kijk, zo maak je een strik, in de draad leg 
                              			je een grote lus..'

Simon:                        			'...een lasso...'

Vader:                        			'Zoiets. Nu laat ik die heel voorzichtig in het
                              			water zakken...., voor de kop van de snoek...

Simon(ademloos):
                              			'Zooo langzaam'

Vader(zacht):                 			'Geduld, daar gaat het om...als de snoek maar 
                              			iets merkt schiet die weg...., nu trek ik de                                              
                              			lus met een wijde boog over de kop heen ....
                              			tot achter de kieuwen...zie je die?

Simon:                        			'Die dingen die heen en weer bewegen?'

(stilte, alleen ademen wordt nog gehoord)

Vader:                        			'...nu komt het..., ik trek de strik aan....
                              			langzaam, langzaam...(ineens luid)..Nu!!

Simon(schrikt):			'Auh'

(geluid van kletsend water, snoek die heen en weer slaat met
achterlijf tegen water, dan boven water komt en zich in boch-
ten wringt, dan in gras wordt gegooid)

Simon(vol bewondering, dansend):
                              			'Gelukt, gelukt, ik heb een snoek gevangen'

Vader(maakt op achtergrond plots zacht kreunend geluid):                                                                   
                              			'Ooh, auh'

Simon(schrikt):               			'Papa, wat is er?'

Vader(zwijgt even, dan weer normaal als eerder:                                                                       
                              			''t Gaat al over, ik had even kramp, denk ik'


Simon(verteller):
                              			'In de kamer, in een stoel voor het dressoir
                              			met daarop de zwarte, bakolieten Philips-radio.
                              			Ik zie nog hoe mijn vader die op de dag van de 
                              			bevrijding uit een kleine nis haalde op zolder.
                              			Roosjen van de NCRV was verplicht. Andere                                                    
                              			zenders waren eigenlijk verboden. Ik was gefas- 
                              			cineerd door het mysterie van vreemde, verre 
                              			stemmen. En voor de radio werden mijn diepste 
                              			fantasiën werkelijkheid'
(omslaan pagina fotoboek)

8.INT. ZONDAGAVOND HUISKAMER
                        - Monus de man van de maan -
(Simon is nu ongeveer 10/11 jaar)
(krakende, golvende geluiden uit radio(model voor de oorlog), 
op de achtergrond zacht pratend vader en moeder.

Vader:                        			'Je weet, ik voel me niet zo goed. Daarom
                              			wil ik die auto ook kopen, je zit er warm
                              			en droog in'

Moeder:                       			'Ga nou eens gauw naar de dokter'

Vader:                        			'Bovendien moet je met je tijd meegaan'

Moeder:                       			'Ik vind toch dat je eerst de lening
                              			moet afbetalen'

Vader:                        			'De Winter heeft het geld niet nodig, dat 
                              			weet je toch'

Moeder:                       			'Ik hou er niet van om schuld te hebben'

Vader:                        			'We hebben met De Winter een afspraak dat we
                              			hem elk jaar een deel van de hypotheek aflos-
                              			sen. Dat is steeds goed gegaan'

Moeder:                       			'Je weet dat ik die man niet vertrouw. Zodra
                              			we niet kunnen betalen, laat hij je failliet 
                              			gaan'

Vader:                        			'Kom nou Elisabeth. Het gaat steeds beter
                              			met de winkel. Ook dankzij jou'

Moeder:                       			'Ja,ja...'

Vader:                        			'De Winter is onze grossier, hij heeft toch
                              			ook belang bij een goede klant?'

Moeder:                       			'Nou ja, dan moet je hetzelf maar weten'

Vader:                        			'Je wilt toch niet dat ik in weer
                              			en wind op die open kar blijf zitten?'

Moeder:                       			'Ik gun je die auto ook wel, alleen...
                              			koop hem dan maar.
 

(geluiden van radio die steeds  - op zelfde niveau als gesprek
vader en moeder dat hoorbaar moet zijn - op de achtergrond
zijn met bijvoorbeeld de Kilama Hawaiins, Sarie Mareis, stem
van radionieuwslezer uit ongeveer 1950, dan sterker geluid van
omroeper:
                              			'En dan nu, dames en heren, ons wekelijkse                                                
                              			hoorspel 'Monus de man van de maan'. Monus is
                              			in zijn razendsnelle vliegende schotel de weg 
                              			in de ruimte kwijt geraakt en op aarde geland. 
                              			Hier heeft hij vriendschap gesloten met een 
                              			aardbewoner. Samen beleven ze wonderlijke 
                              			avonturen, vooral door het mysterieuse vermogen
                              			van Monus zichzelf onzichtbaar te kunnen maken'
                              			Vandaag gaat Monus vergezeld van zijn vriend,
                              			de aardbewoner, op bezoek in Den Haag en daar
                              			gebeuren vreemde dingen'

Simon(gespannen):
                              			'Den Haag...wat gaat 'ie daar doen?'

(op de achtergrond):

Vader:                        			'Je moet niet zo bang zijn......
                              			als De Winter morgen zijn geld wil ....
                              			kunnen we altijd bij de bank terecht'

Moeder:                       			'Je hebt wel gelijk maar ...
                              			toen mijn vader failliet ging, dat was
                              			zo erg....ik wil dat nooit meer meemaken'

(geluid radio)                
Monus(iets hol geluid, anders dan dat van stervelingen):
                              			'Woont hier jullie's regering'

(stem man):                   			'Nee Monus, die woont hier niet, die 
                              			vergadert hier'

Monus:                        			'Vergadert?'

(stem man):                   			'Dat heet zo als ministers met elkaar praten'

Monus:                        			'O, dat wil ik zien'

Stem man:                     			'Nee Monus, dan kan niet. De vergadering van
                              			de ministers is geheim'

Monus:                        			'Geheim? Dat bestaat op de maan niet. Kom!


(over radiogeluid stem Simon(zacht):
                              			'Daar zal je het hebben, hij zal toch niet...?

Stem man(gedempt):
                              			'Monus, Monus, waar ben je nou....?

Monus:                        			'Ik sta naast je, als die man in dat rare 
                              			pak de deur open doet ga ik naar binnen..'

stem man:                     			'Niet doen Monus, dat kan niet...

(op radio geluid deur die opengaat)

Simon(gespannen, luid):
                              			'Hij is binnen, hij is binnen, bij de minis-
                              			ters'

Moeder(boos):                 			'Luister je nu weer naar die gekkigheid,                                                     
                              			zet 'm op de NCRV'

(radio geluiden uit kamer ministerraad, beschaafd kuchen, nu
klein stukje authentiek geluid van W.Drees in die jaren minis-
ter-president)
Drees:                        			'Geachte leden van het kabinet, ik ben ....
(stem wordt zachter maar gaat door)

Simon:                        			'Maar mama, dit is spannend'

Vader:                        			'Wat is dat voor een programma'

Simon:                        			'Dat is Monus, die kan zich onzichtbaar maken'

(op radio geaffecteerde stem van minister)

Minister:                     			'Meneer de minister-president, er lagen hier zo
                              			juist de geheime stukken die u ons gaf, die                                               
                              			zijn ineens verdwenen'

Bijval van andere stemmen, consternatie):
Ministers:                    			'Hier ook, het lijkt wel of ze wegzweven...

Moeder:                       			'Grote onzin, ik wil niet dat je daar naar                                                
                              			luistert...'

(voetstappen, radio wordt abrupt uitgedraaid)

Simon(kwaad):                 			'Ik wil een eigen radio'

Vader(sussend):
                              			'Maar dat is toch onmogelijk Simon, niemand
                              			kan zich onzichtbaar maken'

Simon:                        			'Het kan wel'

Moeder:                       			'Begin nou weer niet met die rarigheid'

Vader(geamuseerd):
                              			'Wat zou jij dan doen, als je je onzichtbaar
                              			kon maken'

Simon(zwijgt even, denkt na, zegt dan slim):
                              			'Misschien zou ik wel helpen met dat
                              			aambeeld op te tillen. Of,of (stottert) stiekem
                              			naar De Winter gaan ennuh....de schuld uit zijn
                              			boek wegstrepen...'

Moeder:                       			'Zie je nou wel, dat krijg je ervan'

Simon(overmoedig):
                              			'Ik verdwijn, ik verdwijn, ik tel tot tien,
                              			niemand die me meer kan zien'

Trix:                         			'Jij bent gek'

Simon:                        			'Vrouwtje Pepe maakt drankjes waardoor je
                              			onzichtbaar wordt en gaat zweven'

Moeder:                       			'Ophouden, we gaan eten'

 
Simon(verteller):
                              			'Naast me in de klas zat Beliam. Voor me zat
                              			Kees de zoon van wethouder Bongers die ook
                              			ouderling was. Met dezelfde trotse trek als
                              			zijn vader. Achterin zat Rooie Piet.
                              			Ik zie voor het eerst dat de klas was 
                              			ingedeeld naar de rangen en standen van het 
                              			dorp. Achterin de kinderen van de arbeiders.
                              			Voorin die van de notabelen en daar tussen in 
                              			de kinderen van de middenstand. In de meisjes-
                              			banken, twee rijen naar rechts, zat Klaasje de 
                              			dochter van de machtigste man op het dorp, de
                              			grossier en fabrikant De Winter. Schuin                                                      
                              			achter haar Nellie, die verliefd was op mij.
                              			Zij was de dochter van mijn ouders beste 
                              			vrienden. Maar ik wilde Klaasje'

(geluiden van honderden kinderen op een schoolplein, paarden
die wagens trekken gaan voorbij)

9. EXT. DAG SCHOOLPLEIN
                                                  - ruzie met rooie Piet -

Simon:                        			'Ik heb een toffee voor je'  

Klaasje:                      			''k Hoef niet'

Simon:                        			'Wil je dan een kaakje?'

Klaasje:                      			'Zeker uit je zak? Bah vies'

Simon:                        			'Ga je vanmiddag mee naar 
                              			de dijk '

Klaasje:                      			'Ik ga niet met jou'

Nellie:                       			'Ik ga wel'

Rooie Piet(pestend):
                              			'He Siem, weet je dat Klaasje het met Lucas
                              			doet'

Simon:                        			'Ah joh, ik hoor je niet'

Rooie Piet:                   			'Da's waar ook, ik heb gehoord dat jij jezelf
                              			kan laten verdwijnen'

Simon(kwaad):                 			'Jij blaast kikkers op, dierenbeul'

Rooie Piet:                   			'He, ik zie je niet meer, je bent weg'
                              (doet stap naar voren en geeft harde stomp)
                              			'Voel je me nog wel'

Simon:                        			'Auh, vetzak'

Beliam:                       			'Rooie Piet, wil je ruzie?'


Rooie Piet:                   			'Hou jij je mond maar, anders brengen ze jou
                              			ook nog naar een kamp, net als je vader en
                              			Karel'

Simon:                        			'Rot jong, daar heeft Beliam niks mee te maken'

(geluid van kluwe vechtende jongens)

                              
Simon(verteller):
                              			'Vroeger waren het fragmenten uit een andere
                              			wereld. Maar nu voel ik weer het jeuken van het
                              			gebreide ondergoed. Ik ruik de klas. Ik hoor de
                              			stemmen'
(omslaan pagina fotoboek)

10. EXT. DAG RIVIER
(een drukkende nazomerse dag buiten aan de rivier, opgewonden
kinderstemmen)
                    - zwemmen in de rivier -

Beliam:                       			'Laten we gaan zwemmen'

Simon:                        			'Ik heb geen zin'

Beliam:                       			'Je kan er staan'

Rooie Piet:                   			'He, Siem, je durft niet he'

Beliam:                       			'Rooie Piet! (lacht)...moet je kijken'

Simon:                        			'Hij is zo vet dat hij blijft drijven'

Beliam(lacht):                			'Worst op tafel noemt die dat'

Rooie Piet(jennend):
                              			'Siem laat hem ook eens zien'

Beliam:                       			'Hij heeft maar een kleintje'

Simon:                        			'Het is allemaal modder en kikkerdril'

Beliam:                       			'Laten we dan een eind verder gaan'

Simon:                        			'Nee, ik heb zo'n rare onderbroek'

Beliam:                       			'Die trek je toch uit'

Simon:                        			'Klaasje kijkt, Nellie is er ook'

Beliam:                       			'Daar komen ze toch voor'

Simon:                        			'Ga jij maar, ik ga bramen zoeken'

Beliam:                       			'Misschien gaat Klaasje wel met je mee'

Simon(somber):                		'Ze gaat met Lucas'

Beliam:                       			'Dat neem je toch Nellie, wat kan jou het                                                    
                              			schelen' (met lichte opwinding) ... ze heeft
                              			de grootste borsten van de klas...


Simon(verteller):
                              			'Ik sta voor de scheve toren van de hervormde
                              			kerk op het plein. In een huisje dat tegen de 
                              			kerk aanleunde woonde Cent, die koster en
                              			klokkeluider was. Elke middag en avond luidde                                               
                              			hij de klok. Als we hem hielpen, mochten we 
                              			aan het slot hoog in het touw springen. Dan 
                              			liet je je minuten lang meedeinen tot het                                                    
                              			geluid wegstierf en het touw tot stilstand      
                              			kwam'
(omslaan pagina fotoboek)

11. EXT. AVOND KERKPLEIN
                             - klokluiden - 

(rennende kinderen in stil dorp) 

Beliam:                       			'Opschieten, anders zijn we te laat'

Simon:                        			'Cent wacht niet'

Beliam:                       			'Ik spring eerst, dan jij'

Simon:                        			'Waarom moet jij altijd eerst?'
(de klok slaat acht, de deur naar de toren knarst 
open)

12. INT. AVOND KLOKKETOREN
                                        - klokluiden - 

Cent:                         			'Waar blijven jullie nou?'
(enkele seconden na laatste slag van acht uur begin kloklui-
den, eerst aarzelend even later op volle sterkte)

Cent:                         			'Trekken jongens, en laten vieren'

(klok gaat luiden)
Cent:                         			'Langzaam, niet haasten,... zo...
                              			goed,...regelmatig'

(klok luidt, dan plotseling onregelmatigheid, klepel
slaat aan één kant)

Cent:                         			'Jongens, potverdorie, de klok klept.
                              			Straks denken de mensen dat de dijken zijn 
                              			doorgebroken'

(regelmatig geluid keer terug)

Simon:                        			'...of dat er brand is...'

Cent:                         			'Genoeg, stoppen'

(jongens en Cent die roepen ...één, twee...jah..., jongens die
met kreun omhoog springen in het touw, geluid van klok dat
langzaam wegsterft)

Beliam(bozig):                			'Ik mocht het eerst'

Simon:                        			'Ik was het snelst'

Cent:                         			'Jongens, naar buiten'

(deur die knarsend dichtgaat)

13. EXT. AVOND KERKPLEIN

(stille geluiden van avondschemer, in de verte loeit koe op
stal van boer in dorp, jongens slenteren over plein)

Simon:                        			'Zullen we ruitje gaan tikken?'

Beliam:                       			'Nee, daar is niks aan'

Simon:                        			'Knikkeren?'

Beliam:                       			''t Is al veel te donker'

(op afstand vaag kreunend geluid van vrijende mensen)

Beliam:                       			'Hoor je dat?'

Simon:                        			'Wat'

Beliam(gedempt):
                              			'Daar bij de nis achter de kerk'

Simon:                        			'Zie je wel dat het nog niet te donker is'

Beliam:                       			'Nee joh, luister nou'

(jongens sluipen verder, kreunen wordt harder en wilder)

Beliam(fluisterend):
                              			'Ze doen 't weer'

Simon(nieuwsgierig):
                              			'Wie?'

Beliam(fluisterend, opgewonden)
                              			'Je weet wel, wat Karel zei'
 
Simon(naïef):                                               
                              			'Wat?'


Beliam(ongeduldig):
                              			'Saar en de groentenboer, ze... (aarzelt, 
                              			durft woord eigenlijk niet te zeggen)...naaien
                              			elkaar weer'

Simon(verbaasd):
                              			'Ik zie ze niet'

Beliam:                       			'Luister... (opgewonden) verdomme'
(geluid van mensen die op hoogtepunt zijn, schokkend, hijgend
klaarkomen, klok van toren slaat half negen)
Beliam(raar opgewonden stemgeluid):                                                       
                              			'Die dikke, dat is de groentenboer'

Simon:                        			'Waar is Saar dan?'

Beliam(fluisterend):
                              			'Achter hem...tegen de kerk... kijk ze bukt 
                              			zich....ze gaan weg...gauw...achter de pilaar
                              			anders zien ze ons'

Simon:                        			'Is dat alles?'

Beliam:                       			'Ze zijn klaar...jeeh...Karel zegt dat 
                              			ze heel geil zijn'
(voetstappen van mensen die verdwijnen)

Beliam:                       			'Kijk ze gaan allebei een andere kant op'

Simon:                        			'Waarom?'

Beliam:                       			'Doe niet zo stom...ze willen niet gezien                                                    
                              			worden'

Simon:                        			'Ooh'

Beliam:                       			'He...tegen niemand vertellen...morgenavond
                              			gaan we weer'

Simon(monologue interieur):
                              			'Wat was ik onschuldig en onbedorven. Iedereen
                              			wist allang van de verboden relatie. Het dorp
                              			was verdeeld in heimelijke bewondering en                                                    
                              			strenge afkeur. Het ging natuurlijk over fat-
                              			soen, moraal en tucht. Als er over gesproken
                              			werd ging dat in woorden van vermaak of ver-
                              			maan. Hoe langer de affaire duurde, hoe broeii-
                              			ger de sfeer werd. Maar dat het zo'n drama zou 
                              			worden....'

korte onderbreking
               

Simon(verteller):
                              			'Met vader op de bok van de kapwagen. Het moet
                              			een van de laatste keren zijn geweest. Kort                                               
                              			daarna kocht hij een auto. De weg liep toen nog
                              			over de hoge zeedijk. Aan de ene kant, diep                                               
                              			beneden, het land en aan de andere kant het                                               
                              			water van het Haringvliet dat bij vloed tegen                                               
                              			de dijk liep. Op een dag naderde vanuit de  
                              			verte, boven het water, een windhoos. De dag
                              			werd zwart als de nacht. Met onheilspellende    
                              			geel-grauwe kleuren en aan de horizon een       
                              			grijs-zwarte slurf die op en neerging, fon-
                              			teinen water opzoog en liet vallen. Ik sidderde
                              			van angst'
(omslaan pagina fotoboek)

14. EXT. DAG POLDER
                                                  - de windhoos -

(angstige stilte met in de verte gerommel van donder. Daarna
suizen van wind, verder geen geluid want zelfs vogels zijn 
gevlucht).

Simon(angstig):			'Papa, wat is dat?'

Vader(praat voor zich uit):
                              			'Ik moet snel van die dijk af'

Simon:                        			'Komt er onweer?'

Vader(bezorgd):			'Ja maar geen gewoon onweer'

(geluid van galopperend paard en ijzeren wielen van wagen over
grindweg)
Simon:                        			'Ik ben bang'

(suizen van wind gaat nu over in fluiten en rukwinden)

Vader(nerveus):			'Ik moet het halen....hup Bles,harder..'

Simon(schreeuwt):
                              			'De lucht valt, de lucht valt...'

Vader(prevelt angstig voor zich uit):
                              			'...bergen bedek ons, heuvelen kom over ons..'

(storm zwelt verder aan)
Simon(huilend):			'...de lucht valt boven op ons...'

Vader(kort):                  			'Stil nou, daar is de stoep al naar beneden'

(ratelend voertuig gaat nog sneller, even door en komt dan tot
stilstand)

Vader:                        			'Snel Simon, spring, hou je vast aan Bles en
                              			mij'

(geluid nu van hevig vallende regen, het duurt kort en is 
krachtig, wind gaat plotseling ligen)

Vader:                        			'Hier staan we veilig, het is nu snel over'

(regen houdt op, het wordt stil en de vogels gaan plotseling
uitbundig zingen)

Simon(roept):                 			'De hooiberg is weg en daar ligt een dak van
                              			een schuur'

Vader(opgelucht, vrolijk):
                              			'Maar wij zijn er nog (korte stilte).
                              			Dat was nou een windhoos, die zul je je altijd
                              			blijven herinneren'

Simon(haalt opgelucht adem):
                              			'Wat was ik bang'

Vader:                        			'Ik ook, jongen'

Simon(verbaasd):			'U ook?'

Vader:                        			'Dat wordt nooit anders. Angst en verbazing
                              			maakt van alle mensen weer kinderen. Dat zijn-
                              			momenten waarop je het liefst in het niets zou                                                 
               				willen verdwijnen'

Simon(in zichzelf):
                              			'Onzichtbaar worden' 

                                        (- Einde expos‚ -, muziek als eerder)
 
                                                  OMSLAG                 
Simon(verteller):                       
                              			'Het dorp was de wereld. De kerkstrijd die hier
                              			ooit woedde, was vooral een opstand tegen de 
                              			boeren die hun gezag niet wilden afstaan.                                                    
               				Sindsdien heetten wij dolerenden. We waren ver 
                              			in de meerderheid en waarschijnlijk uitver-
                              			koren. De diaconie hielp de allerarmsten op 
                              			voorwaarde van verplichte kerkgang. Iedereen
                              			die anders dacht dan wij, verdiende gebed en 
                              			medelijden. Maar in het nieuwe gezag hadden 
                              			zich de oude verhoudingen hersteld. Met De                                                
                              			De Winter, grossier en fabrikant, als de 
                              			machtigste man. En Bongers, de wethouder, als
                              			voorbeeld van rechtzinnigheid.
(omslaan pagina fotoboek) 

15.INT. OCHTEND HUISKAMER
                                        - ouderlingen komen - 

Moeder:                       			'Ik zal blij zijn als het voorbij is'

Simon:                        			'Als wat voorbij is'

Vader:                        			'Ik laat me niet de les lezen'

Trix(fluisterend tegen Simon):
                              			'Ouderlingenbezoek'

Moeder:                       			'Hou je nou maar in, dat is het beste'

Simon:                        			'Wie komen?'

Vader:                        			'Ik zeg wat ik wil zeggen'

Trix:                         			'De fabrikant en de wethouder'

Moeder:                       			'Je weet hoe De Winter is, als je brutaal bent
                              			wordt hij lastig'

Simon:                        			'Die zijn heel streng'

Vader:                        			'Je weet toch dat ik die fabrikant niet meer                                              
                              			nodig heb. We kunnen zo naar de bank'

Moeder(tot de kinderen):
                              			'Eten jullie nu eens door, anders kom je te
                              			laat op school'



Simon(verteller):
                              			'Eén keer per jaar kwamen de ouderlingen op
                              			bezoek om de gewone kerkleden te ondervragen
                              			over hun geloofsleven. Dagen ervoor was ieder-
                              			een nerveus. De gordijnen gingen dicht, de deur
                              			op slot zodat niemand de ernstige bezoekers
                              			konden storen bij hun visitatie'

16 INT. AVOND HUISKAMER
( benarde stilte, alleen klok tikt)

Ouderling De Winter : 
                              			'Ik lees U voor uit Johannes en 
                              			Openbaringen:
                              			'Kinderkens, het is de laatste ure en gelijk
                              			gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo
                              			zijn ook nu vele antichristenen geworden waar 
                              			uit wij kennen dat het de laatste ure is. 
                              			Er zijn vele verleiders in de wereld gekomen                                              
                              			die niet beleiden dat Jezus Christus in het
                              			vlees gekomen is. Deze is de verleider en de 
                              			antichrist'

(Bijbel wordt opzij geschoven, gedragen, langzame stemmen)   
                              
Ouderling Bongers:
                              			'Broeder en zuster, kinderen, de antichrist
                              			is overal'

Ouderling De Winter:
                              			'Ons is nog niet alles geopenbaard, maar wij 
                              			geloven dat de roomse kerk, waar de paapse mis
                              			een vervloekte afgoderij is, de antichrist is'

Ouderling Bongers:
                              			'De communisten vormen ook de antichrist'

Ouderling De Winter:
                              			'Iedereen die onze gemeenschap bedreigt kan
                              			deel uitmaken van de antichrist'

Ouderling Bongers:
                              			'De antichrist kan in onszelf zijn'

Ouderling De Winter:
                              			'Broeder, hoe weet u dat de antichrist niet in 
                              			U is?'

Vader(geprikkeld):
                              			'Hoe weet Ú het'

Ouderling Bongers(vermanend):
                              			'Broeder, iedereen moet zichzelf onderzoeken'

Vader:                        			'Liefde is lankmoedig, zij denkt 
                              			niet kwaad'

Ouderling Bongers:
                              			'Wij zijn aangewezen u te onderzoeken broeder. 
                              			Wij maken ons ernstige zorgen. Trix zou nu wel  
               				eens belijdenis kunnen doen. We zien u zondags  
               				maar één keer in de kerk'

Moeder:                       			'Arie voelt zich de laatste tijd niet goed, hij
                              			moet veel rusten'

Ouderling Bongers:
                              			'Is het gebed dan wel voldoende?'
                              
Ouderling De Winter:
                              			'Wij zijn in het laatst der dagen gekomen. Met
                              			oorlogen, rampen. De aarde, zo weten we, zal
                              			door vuur vergaan'

Ouderling Bongers:
                              			'De Schrift zegt dat de elementen zullen bran-
                              			den en vergaan, alles zal branden'

Ouderling De Winter:
                              			'De verleider, waarover de Schrift spreekt, kan
                              			hoogmoed zijn. U heeft, broeder, een auto 
                              			gekocht. Hoedt u voor hoogmoed'

Vader:                        			'U heeft er toch zelf ook een?'

Moeder:                       			'Arie heeft hem nodig voor de winkel.'


Simon(verteller):
                              			'Ik sta op het schoolplein en ben bang.
                              			Bang voor volwassenen die in 
                              			raadsels spraken. Bang voor geheimen die ik 
                              			niet kon doorgronden. Bang voor verschrikkelij-
                              			ke verhalen over dingen die geweest waren en 
                              			gingen komen. Bang voor de jongste dag, waar ik
                              			nog niet op was voorbereid. Ineens hoorde ik 
                              			echt heldere, ijle stemmen in mezelf die me 
                              			vermaanden. Ik stond als aan de grond genageld'
(omslaan pagina fotoboek)

17. EXT. DAG SCHOOLPLEIN
                       - oorlog op het schoolplein -     

(schoolplein, lawaai spelende kinderen, gejoel, geluid van
ratelend wagen met paard die voorbijgaan)

Rooie Piet(roept):                                                                                                         
                              			'We zullen ze eens laten zien wie de sterkste                                                 
               				is'

Jongen(1):                    			'Ze moeten bij hun eigen openbare kak                                                        
               				school blijven'

Beliam:                       			'De heidenen komen'

Jongen(1):                    			'Bieten jongens, bieten'

Stemmen in Simon(heldere, krachtige kinderstemmen): 
                              			'Je mag hier niet aan meedoen. Zij weten
                              			niet wat ze doen'

Rooie Piet:                   			'Gooien. Ze moeten terug naar hun eigen school-
                              			plein'

(gejoel neemt toe, geluid van vallende bieten, verschrikte
kreten, auh, gevloek, gescheld)

Jongen (2) van ver:
                              			'Dolerenden...'

Jongen(1):                    			'Heidenen...'

Jongen(2) van ver:
                              			'Farizeërs...'

Jongen(1):                    			'Antichristenen...'

Stemmen in Simon:
                              			'Alleen schuldigen worden gestraft, zij zijn 
                              			onschuldig'

Rooie Piet:                   			'He Siem....

Beliam:                       			'Ze gaan al achteruit'

Rooie Piet:                   			'Raak, hij bloedt'

(geluid van schoolbel, herrie wordt minder, beide groepen gaan
eigen schoolplein op en school binnen)

Rooie Piet:                   			'Die hebben we mooi te pakken'

Beliam:                       			'We grijpen ze vanmiddag nog wel'

Rooie Piet(dreinend):
                              			'Was je weer bang Siem? Durfde je 
                              			niet? Heilig jongetje'
                    

18. INT. DAG SLAAPKAMER
                                        - Kernproeven op radio -                                                        

(Radio, authentieke opname uit eind jaren veertig van versla-
gen/commentaren atoomtests in de Nevada-woestijn)

Stem Nederlandse radio-lezer of nabootsing Polygoon-journaal:
                              			'Opnieuw zijn in de Nevada-woestijn, in het 
                              			westen van de Verenigde Staten, twee atoombom-                                                
                              			men tot ontploffing gebracht. Volgens waarne-
                              			mers waren de explosies de zwaarste, sinds de 
                              			Amerikanen in 1945 met hun atoomproeven begon-
                              			nen. Het Pentagon heeft tot dusver vijftig
                              			kernproeven uitgevoerd. De Atoom Energy-commis-
                              			sie heeft laten weten dat de proeven volstrekt 
                              			onschuldig zijn...(stem sterft weg)

                                                  -Hele dagen boven -

Moeder(roept):                			'Simon, Simon'

19.INT. DAG KEUKEN

Trix:                         			'Hij zit weer boven'

Moeder:                       			'Hij moet kolen halen'

Trix:                         			'Simon, je moet helpen'

Moeder:                       			'Ik begrijp niks van dat kind, hele
                              			dagen zit 'ie boven'

Trix:                         			'Ze zeggen dat hij niet helemaal 
                              			goed is'

Moeder:                       			'Wie? Ze mochten willen dat alle kinderen zo
                              			waren.

18B. INT.DAG SLAAPKAMER 
                                        -bommen of bliksem -
Nieuwslezer:
                              			'....Critici, die zeggen dat de proeven radio                                                
               				actieve besmetting tot gevolg kunnen hebben en
                              			oorzaak zijn van onzichtbare straling,
                              			werden door een woordvoerder van de commissie
                              			omschreven als 'onruststokers'. Geruchten
                              			dat atoomproeven een kettingreactie kunnen 
                              			veroorzaken waardoor op aarde een onbeheersbare
                              			vuurzee zal ontstaan, werden 'onverantwoord'
                              			genoemd.
                              			De bekende nieuws-commentator Walter Cronkite
                              			die de explosies op afstand bijwoonde, heeft de
                              			proeven ongevaarlijk genoemd. De beroemde                                                    
               				acteur John Wayne zegt dat de atoombom, die in
                              			de Nevada-woestijn wordt beproefd, een zegen is
                              			voor de mensheid. Op die manier kan de vrije                                              
                              			wereld zich wapenen tegen het communisme...'
(stem sterft weg)

Moeder(komt hijgend de trap op, boos):
                              			'Heb je niks beters te doen?'

Simon(mompelt):			'Het kan echt'

Moeder:                       			'Wat bazel je nou'                                

Simon(in zichzelf):
                              			'De mensen kunnen zelf de aarde door vuur laten
                              			vergaan'

Moeder:                       			'Straks gaat je fantasie nog met je op de 
                              			loop'

Simon(in zichzelf):
                              			'Of de bliksem doet het'

Moeder:                       			'Schiet op. Je vader voelt zich niet
               				goed. Ik ben bezig. Je zusje helpt.
                              			Jij moet ook wat doen'                                      


20.EXT. AVOND POLDER
                                        - Hemel achter de sterren - 
(Een zomeravond, wandelend over stille dijk, door de polder)

Simon:                        			'Ik zie Groote Beer'

Beliam:                       			'Da's geen kunst, die kan iedereen vinden'

Simon:                        			'Welke ken jij dan nog meer?'

Beliam:                       			'Ik zie Jachthonden, Ossenhoeder en 
                              			Noordenkroon'

Simon(overdonderd):
                              			'Hoe kén je die?'

Beliam:                       			'Van mijn broer Karel'

Simon:                        			'Is hij dan weer thuis?'

Beliam(stroef):			'Ja...al een paar dagen'

Simon:                        			'Dat wist ik niet'

Beliam:                       			'Hij wil weg...iedereen doet rot tegen hem'

Simon:                        			'Ja....


(stilte, voetstappen, vogelgeluiden, een uil)

Simon(hervat gesprek):
                              			'Als ik naar de sterren kijk, denk ik altijd                                              
                              			aan wat daar achter is'

Beliam:                       			'...nog meer sterren...

Simon:                        			'Nóg verder.... Zou daar de hemel zijn?'

Beliam:                       			'Misschien. Dat zeggen ze. Er is in elk geval
                              			ontzettend veel ruimte'

Simon:                        			'En de hel?'

Beliam:                       			'Aan de andere kant natuurlijk'

(stilte, voetstappen, vogelgeluiden)

Simon:                        			'Mijn vader zegt dat iedereen naar de hemel
                              			gaat'

Beliam(toegeknepen):
                              			'Ook NSB-ers?'

Simon:                        			'Hij zegt van wel'

(stilte, voetstappen, er wordt veel gedacht, zo nu en dan
gesproken)

Simon:                        			'Dood gaan is net zo iets als uit elkaar vallen
                              			Je geest verdwijnt uit je lichaam en gaat..
                              			zoef...naar boven'

Beliam(weer frivool):
                              			'Iedereen wordt gelijk. Ik weet niet of dat zo
                              			leuk is. Geen meisjes meer, dan kan je het ook 
                              			niet meer doen...'

Simon                         			'Er komen andere dingen voor in de plaats' 

Beliam:                       			'Karel zegt dat je de hemel op aarde moet
                              			zoeken...'

Simon(gretig):                			'Ja..., ik denk vaak dat alle dode mensen 
                              			onzichtbaar om ons heen zweven'

Beliam:                       			'Wie weet'

Simon:                        			'Dan kunnen de mensen die dood zijn
                              			ons zien. Zou je elkaar herkennen'

Beliam(spottend):
                              			'Dan zou je later Klaasje weer tegenkomen'

Simon:                        			'Flauw'
(stilte)


Simon(denkt na):
                              			'Maar als de aarde door vuur vergaat, is 
                              			er ook geen plaats meer voor de hemel'

Beliam:                       			'Niet als alles astraal is'

Simon:                        			'Astraal?'

21.INT. DAG KERK
                                        - Kerkdienst - 
(klokgelui, mensen die kerk binnekomen,orgelspel, gemeentele-
den zingen lijzig (hele noten) gezang24


                              'Een vaste burcht is onze God                               
                              Een toevlucht voor de zijnen
                              Al drukt het leed al dreigt het lot
                              Hij doet zijn hulp verschijnen'

(kuchende mensen)
predikant:                    			'Allereerst, geliefden in de Here Jezus, moet
                              			ik u meedelen dat een broeder en zuster schuld-
                              			bekentenis hebben afgelegd voor overtreding van
                              			het zevende gebod'

(geroezemoes, stem dominee vervaagt, hij leest in de verte
voor)
Pedikant:                     			'Alle onkuisheid is van god vervloekt. Daarom
                              			moeten wij, haar van harte vijand zijnde, kuis
                              			en ingetogen leven, hetzij in de heilige huwe-
                              			lijken staat of daarbuiten. Ik lees u ook voor 
                              			uit de brief van Paulus aan Korinthe: 'Alle 
                              			dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen 
                              			zijn niet oirbaar. De spijzen zijn voor de buik
                              			en de buik is voor de spijzen maar god zal                                                   
                              			beide, deze en die teniet doen. Doch het 
                              			lichaam is niet voor hoererij maar voor de 
                              			Heere en de Heere voor het lichaam. Vliedt de 
                              			hoererij. Alle zonde die de mens doet is buiten
                              			het lichaam maar die hoererij bedrijft zondigt 
                              			tegen zijn eigen lichaam'


(Opwinding in de banken waar de jongens zitten
volgende tekst over woorden van predikant heen)

Rooie Piet(fluisterend):
                              			'Een moetje. Vijf minuten lol, negen maanden
                              			wachten'
          
Beliam:                       			'Wie zijn het?'

Rooie Piet:                   			'Wedden dat het Barend en Lenie zijn?'

Simon:                        			'Waarom niet Kees en Annie? Die gaan ook trou-
                              			wen'

Rooie Piet:                   			'Stommeling, iedereen zegt dat 't Lenie is'

Beliam:                       			'Lenie is veel geiler'

Simon:                        			'Hoe weet je dat'

Beliam:                       			'Dat heeft Karel gezegd'


UIt de ouderlingenbank stem van ouderling Bongers:
                              			'Stilte in de kerk'


Simon(verteller):
                              			'Gedwongen huwelijken waren een voortdurende                                              
                              			bron van opwinding. Aanvankelijk moesten de
                              			jongen en het meisje die aan de verleiding van
                              			de geslachtsdaad hadden toegegeven, met gebogen
                              			hoofden voor in de kerk plaatsnemen om hun
                              			schuld te belijden. Sinds een meisje daar een
                              			geestesziekte van had overgehouden, was anoni-
                              			miteit ingevoerd. Voor ouders en jonge mensen                                               
                              			was de verkeringstijd een angstige periode.
                              			Ouderlingen raadden ons jongens aan om veel te
                              			gaan roeien op de rivier'


Predikant(stem komt opzetten en verdwijnt weer naar de achter-
grond):                       
                              			'Wederom moet ik een broeder en een zuster van
                              			deze gemeente ernstig vermanen omdat zij in 
                              			ontucht leven. Dat is een gruwel, een ernstige
                              			aantasting van het sacrament en in strijd met
                              			de kerkelijke tuchtregels
                              			'Omdat ons lichaam en ziel, tempelen van de
                              			Heilige Geest zijn, wil hij dat we die beide
                              			zuiver en heilig bewaren. Daarom verbiedt hij 
                              			alle onkuise daden, gebaren, woorden en ge-
                              			dachten en lusten en wat de mens daartoe trek-
                              			ken kan'            
                              			'Of weet gij niet dat ulieder lichaam een 
                              			tempel van de Heilige Geest is die in u is,
                              			dien gij van god hebt en dat gij uws zelfs niet
                              			zijt. Want gij zijt duur gekocht. Zo verheer-
                              			lijkt de here god in uw lichaam en in uw geest                                                
                              			welke godes zijn'

21A. INT. DAG KERK
Onmiddellijk na eerste alinea geroezemoes in de kerk. In de
jongensbank richt Beliam zich fluisterend tot Simon. De stem
van de predikant verdwijnt bij 'kerkelijke tuchtregels' naar
achtergrond):
Beliam:                       			'Simon...hoor je over wie het gaat?'

Simon:                        			'Saar en de groentenboer?'

Beliam:                       			'Ik weet het zeker'

                              
Rooie Piet(schuift opgewonden bijbel door):                                                                   
                				'Hier, Ezechiël, moet je lezen' 

Beliam(leest zacht voor zichuit):
                              			'Er waren twee vrouwen, Ohola en Oholiba.
                              			Deze hoereerden in Egypte, daar werden
                              			haar borsten gedrukt de tepelen haars 
                              			maagdoms betast en haar schaamte ontdekt'

Rooie Piet(jennend):                              
                              			'He Simon, heb jij wel eens de                                                               
               				schaamte van Klaasje gezien'

Simon:                        			'Hou je kop'

(geluid van een stomp)

Rooie Piet(grinnikend):
                              			'Zoekt en gij zult vinden'

Beliam(zacht):                			'Ik heb ze gezien, Saar en de groentenboer'
                              
Rooie Piet:                   			'Dat wist ik al lang'

Simon:                        			'Kijk...op de galerij....'
(geroezemoes wordt ineens weer sterker)

Beliam:                       			''t Is Saar, ze gaat de kerk uit'

Simon:                        			'En haar man gaat met haar mee'
                              
(stem predikant op preekstoel weer op en daarna dempen)
predikant:                    			'En een uit de zeven engelen, die de zeven
                              			fiolen hadden, kwam en sprak met mij: Kom
                              			herwaarts en ik zal u tonen het oordeel der
                              			grote hoer die daar zit op velke wateren. En op
                              			haar voorhoofd was een naam geshcreven, name-
                              			lijk Verborgenheid, het grote Babylon, de 
                              			moeder der hoererijen en der gruwelen der
                              			aarde'

(geluid van naderende voetstappen in kerk, dominee preekt,
ingehouden stilte van kerkgangers die uitzien naar wat gaan
gebeuren:

De Winter(bars met onderdrukte stem):
                              			'Meekomen...jij'

Simon(verteller):
                              			'Door de volle kerk loop ik spitsroeden 
                              			achter fabrikant en ouderling De Winter, de
                              			vader van Klaasje. Hij neemt me mee naar de
                              			bank onder de kansel waar ik gedwongen word te
                              			gaan zitten tussen hem en ouderling Bongers'

22 INT. DAG HUISKAMER
                                                  - Een schande -
(na de kerk, in de huiskamer, rinkelen koffiekopjes)

Trix:                         			'Een schande'

Moeder:                       			'Je gaat voortaan bij je vader zitten'

Trix:                         			'Ik word erop aangekeken'

Moeder:                       			'Je moet eens leren meer eerbied te tonen'

Simon:                        			'Maar....'

Moeder:                       			'Je krijgt geen eten, ga maar naar boven'

Simon gaat naar boven, hoort beneden stemmen)

Moeder:                       			'Waarom zeg jij er niks van'

Vader:                        			'Moest dat nou zo?'

Moeder:                       			'Waar heb je het over'

Vader:                        			'Dat weet je heus wel, de dominee pakte 
                              			ze wel heel hard aan'

Moeder(gegeneerd):
                              			'Niet waar Trix bij is'
(korte stilte)
Moeder:                       			'Je ben nog steeds niet bij de dokter
                              			geweest'

Vader:                        			'Binnenkort, echt...'


Simon(verteller):
                              			'De dagen die volgden waren vol dood en ver-
                              			derf.Een meisje uit m'n klas werd overreden
                              			door de vrachtrijder. Een ander kind raakte
                              			verpletterd onder een wagen met hooi. Een                                                    
               				zwaarmoedige boer hing zich op aan de hanebal-
                              			ken. Het dorp werd 's nachts ineens ver-
                              			licht door de eeuwige vlam van de Vondelingen-
                              			plaat, waar spookachtige fabrieken verstikkende
                              			dampen verspreidden. De okkernotenbomen zouden
                              			er tenslotte aan dood gaan. Mensen kregen
                              			astma en werden ziek. Vroiuwen klaagden dat
                              			ineens de nylons van hun benen bladderden.
                              			En in Korea dreigde een derde wereldoorlog'

23.INT. DAG KAMER BELIAM
                                                  - vrijwilligers voor Korea - 
Radiogeluid, dr.W.Drees spreekt vrijwilligers toe die op het
punt staan naar Korea te gaan(24-10-52), thuis op kamer van
Beliam'

Beliam:                       			'Karel heeft getekend'

Simon(verbaasd):                        
                              			'Wat?'

Beliam:                       			'Hij gaat naar Korea'

Simon(kan het niet geloven):
                              			'Karel?'

Beliam:                       			'Iedereen kan wat doen tegen het                                                             
               				gele gevaar, zegt hij'

Simon:                        			'Maar Karel kon toch niet bij de marine?'

Beliam:                       			'Ze willen hem nu graag hebben'

Simon:                        			'Vind je vader het goed?'

Beliam:                       			'Hij zal als held terugkomen'

Simon:                        			'Maar...eh...hij zat toch bij de 
                              			bij ...de Hitler-jugend'

Beliam:                       			'Ooh...hij was toen nog zo jong. Dat 
                              			telt niet. Hij is nu vrijwilliger'


Simon(verteller):
                              			'Ik zie de laatste foto van ons gezin.
                              			Ik, in een geleende witte trui van een 
                              			buurjongen, naast mijn vader. Trix en 
                              			mijn moeder aan de andere kant. We waren
                              			met de auto naar een fotograaf in de 
                              			stad geweest. Mijn vader's ogen staan flets
                              			in een smal gezicht.
(omslaan pagina fotoboek)

24.INT. AVOND AUTO
(geluid van kleine bestelauto over polderweg, buiten stormt en
regent het hevig)

Moeder:                       			'Het is aardedonker'

Vader:                        			'Het lijkt wel de eerste dag'

Moeder:                       			'Spot jij maar, pas op...

Vader:                        			'... een kuil, ik ken de weg als m'n broeks-
                              			zak'

Simon:                        			'Papa, mag ik rijden'

Vader:                        			'Nu? Veel te gevaarlijk'

Simon:                        			'U hebt het mezelf geleerd'

Vader:                        			'Niet nu'

Moeder:                       			'Heb je hem echt geleerd?'

Vader:                        			'Het komt misschien nog wel eens goed van 
                              			pas'

Moeder:                       			'Ik wil het niet horen'
(zwijgen, geluid auto die moeizaam over modderweg rijdt)

Moeder:                       			'Straks kunnen we niet verder'

Vader:                        			'Dan gaan we lopen'

Moeder:                       			'In jouw toestand?'

Vader:                        			'Til er nu niet zo zwaar aan Elisabeth'

(korte, drukkende stilte)
Vader(geforceerd vrolijk):
                              			'...een haas.., het stikt hier van de 
                              			hazen.'
(geeft extra gas)

Trix:                         			'Niet doodrijden...'

Moeder:                       			'Doe nou voorzichtig, ik ben zo 
                              			zenuwachtig'

Vader:                        			'Waar zou je nou bang voor zijn?'
                              
Moeder:                       			'Ik heb zo'n somber voorgevoel, de hele 
                              			dag al'

Vader:                        			'Nou ben ik bij de dokter geweest en nu word
                              			je somber'

Moeder(huilend):
                              			'Ik kan er ook niks aan doen maar...'

Vader:                        			'We zijn er, ze hebben de stormlamp
                              			bij het hek gehangen'

25.EXT. AVOND HUIS GERRIT EN SJAAN
                                        - Gerrit en Sjaan - 
(deur auto gaat open, buiten gaat de storm woedend tekeer)

Vader:                        			'Simon geef me een hand....(tot moeder)
                              			...neem jij Trix, pas op het bruggetje'

Moeder:                       			'Wacht, ik kan geen hand voor ogen zien'

(stem uit het duister)

Gerrit:                       			'Ik dacht al dat jullie niet kwamen'

Moeder:                       			'Arie wilde perse komen voor hij volgende 
                              			week naar het ziekenhuis gaat'

Simon(verteller):
                              			'Gerrit was mijn vaders beste vriend. Hij was   
               				in hetzelfde jaar getrouwd. Ze hadden kinderen
                              			van onze leeftijd, Gert en Nellie - die op mij 
                              			verliefd was. Ze woonden in een houten barak                                               
                              			achter in de polder bij de hoge zeedijk. Mijn                                               
                              			vader stond borg voor Gerrit en Gerrit                                                       
               				voor mijn vader. Ik zat aan de tafel onder de 
                              			olielamp en at pinda's met drop' 

26.INT. AVOND HUISKAMER GERRIT EN SJAAN
                                                  -Flying Enterprise - 
Geluid krakende radio met reportage Arie Kleywegt over 
Flying Enterprise(begin januari 1952 - zie beschikbare tekst
plus band uit archief. Iedereen zwijgt en luistert gespannen)

                              
Gerrit (volbewondering):                          
                              			'Wat een kerels, wat een moed'

Vader:                        			'Ze houden het niet'

Gerrit:                       			'Ik was er al lang afgestapt'

Vader:                        			'Misschien hebben ze wel een reden
                              			om aan boord te blijven'

Gerrit:                       			'Wat bedoel je?'

Vader:                        			'Je waagt toch niet je leven voor
                              			alleen maar een schip?'

Gerrit:                       			'Een kapitein gaat als laatste van boord'

Vader:                        			'Hij is nu toch nog de enige die op het 
                              			schip is?'

Gerrit:                       			'Die kapitein is een echte held'

Vader:                        			'Ik geloof niet in helden'

Simon(verteller):
                              			'Ik weet niet of het kwam door de storm, de 
                              			zwarte duisternis buiten of de cryptische
                              			gesprekken van die avond tussen mensen die 
                              			niet zeiden wat ze zeggen wilden. Maar in me
                              			daalde een diepe neerslachtigheid. Misschien
                              			dat ik toen al besefte dat dit de laatste
                              			ontmoeting was van mijn ouders met hun 
                              			vrienden en de rampen die zich aankondigden'
(korte stilte overgaand in monologue interieur(?)

               				'De werkelijkheid is altijd anders. Woorden                                                              
                              			zijn er om angst en onzekerheid te verbergen.
                              			Onschuld verdwijt met kennis. En helden 
                              			bestaan niet. Kapitein Curt Carlsen 
                              			bleef niet aan boord van de Flying Enterprise
                              			omdat hij een held was, maar om te voorkomen  
                              			dat een geheime lading zirconium, bestemd voor 
                              			de eerste atoomonderzeeër Nautilus in verkeerde
                    				handen zou komen'                                           

geluid van wind, gejaag in de schoorsteen, kraken van houten
huis)

Gerrit:                      			 'Over een paar uur is het eb, voor 
                              			de dijken ben ik niet bang'

Sjaan:                        			'Je weet nooit, je mag het gerust 
                              			weten, ik ben elke keer weer bang'

Moeder:                       			'Het is misschien raar, maar zulke avonden
                              			denk ik vaak aan het verbond met Noach'

Sjaan:                        			'Maar daarom kan de polder nog wel 
                              			onderlopen'

Gerrit(staat op, duidelijk ongerust):
                              			'Als er iets gebeurt, hebben we tijd genoeg
                              			om naar 't dorp te gaan'

Moeder(lacht):                			'Jullie kunnen altijd bij ons terecht'

(storm nu op hevigst, deur gaat open)
Gerrit:                       			'Ik ga even kijken of buiten alles goed is'

Vader:                        			'Wacht, ik ga met je mee Gerrit'

(deur gaat dicht, vrouwen en kinderen zijn alleen)

Sjaan:                        			'Ziet hij er tegen op?'

Moeder:                       			'Arie zegt zo weinig'

Nellie(op de achtergrond tegen Trix):
                              			'Is er iets ergs?'

Trix:                         			'Papa moet naar 't ziekenhuis'

Simon(opgewekt, een beetje overdreven)
                              			'Dan kan ik de auto rijden'

Nellie(bewonderend):
                              			'Kan je dat?'

Trix(bozig):                  			'Dat is het enige waar jij aan denkt'

Sjaan:                        			'Heeft hij pijn?

Moeder:                       			'Dat is het niet, hij is zo gauw moe en zo
                              			lusteloos'

Sjaan:                        			'Misschien wel gewoon bloedarmoede'

Moeder:                       			'Die dokter weet ook niets. Arie heeft 
                              			zelf moeten zeggen dat hij naar het ziekenhuis
                              			wil'

Sjaan:                        			'Heb je hulp?'

Moeder:                       			'Opa helpt en Bet komt. Ze is wel een zeur
                              			maar ze meent het goed'

(deur gaat open en dicht, gestommel)

Gerrit:                       			'Er zijn een paar pannen af, meer niet'

26B.EXT. AVOND  ROND HUIS
                                        - rondom het huis - 
(storm wordt minder, in kamer ontstaat duidelijke opluchting)
geroezemoes van stemmen, deur gaat open en Gerrit gaat weer
naar buiten om dakpannen op te rapen) 

Vader(opstandig): 			'...eerst de oorlog, dan Indonesië en nu 
                              			weer Korea. Hebben ze dan niks geleerd'

Gerrit:                       			'Maar, achter de 38e breedtegraad staan wel
                              			honderden miljoenen Chinezen en Japanners'

Vader:                        			'Die moeten dan door dat gespuis hier worden 
                              			tegengehouden?'

(vader maakt plotseling kreunend geluid, laat dakpan vallen)

Gerrit(bezorgd):
                              			'Is er iets met je Arie'
(kreunen gaat even door)

Vader:                        			'Het is alweer voorbij'

Gerrit:                       			'Het is goed dat je besloten hebt naar het 
                             			ziekenhuis te gaan'

Vader:                        			'Ja....

Vader:                        			'We hebben het ergste gehad, geloof ik'

26B. INT. AVOND HUISKAMER GERRIT EN SJAAN
                                                   - Roddel - 
(Vader en Gerrit komen huis weer binnen, deur opent zich,
vallen in gesprek van vrouwen die gesempt praten over)

Sjaan:                        			'....ik begrijp niet wat hij in haar ziet, die 
                              			vrouw heeft vijf kinderen en de groenten                                                     
               				boer....

Gerrit:                       			'Ja, laten we het eens hebben over Saar en de                                             
                              			groentenboer'
(besmuikt gelach)

Moeder(gegeneerd):
                              			'Ze gaan maar door, het duurt al maanden'

Sjaan:                        			'Terwijl hij toch zo'n aardige vrouw heeft'

Moeder:                       			'Hij heeft geen fatsoen, Saar is nog erger'

Sjaan:                        			'Zelfs Nellie begon er een keer over'

Moeder(dempt stem):
                              			'Simon heeft ze in een nis van de kerk

                              			gezien. Vreselijk'

Sjaan:                        			'Vijf kinderen en een vent die niks doet'

Moeder:                       			'De ouderlingen zijn er geweest, de dominee,
                              			ze gaan gewoon door'

Sjaan:                        			'De fabrikant bemoeit zich er nu mee'

Moeder:                       			'Echt..? Wist je dat Arie?'

Vader:                        			'De groentenboer heeft schuld bij De Winter, 
                              			dat weet ik'

Moeder:                       			'O, dan zie ik al wat er gaat gebeuren...

Sjaan:                        			'Wat dan?'

Moeder:                       			'Let maar op, straks gaat de groentenboer                                                    
               				failliet'

Gerrit:                       			'Waar bemoeit die fabrikant zich mee. Ik zeg
                              			maar zo, een vuur dat brand moet je laten                                                    
               				uitwoeden'
(besmuikt gelach)

Vader(ernstig):			'Elk vuur houdt een keer op met branden'                                                                 
(er valt een stilte over diepere betekenis die begrepen wordt)


Simon(verteller):
                              			'Een paar dagen later ging mijn vader voor                                                   
               				onderzoek naar het ziekenhuis. Enige tijd
                              			daarna werd hij opgenomen. We reisden met de                                                 
               				stoomtram heen en weer. Mijn vader werd steeds
                              			stiller, mijn moeder verdrietiger. Er volgde                                                 
               				nog operatie. Het proces werd er door ver-                                                                  
               				sneld. De artsen zwegen. Mijn vader klampte                                                                 
               				zich vast aan hoop en later,
                             			toen hij alle tekenen begrepen had, aan
                              			geloof in een wonder. Na drie weken kwam hij
                              			thuis. Hij lag stil en verwonderd in de al-
                              			koof. Hij was mild en wilde zich verzoenen met
                              			zijn schaarse vijanden'

27. INT.AVOND HUISKAMER
                                        - Vader is ziek - 
(in de huiskamer)
Moeder:                       			'Waarom hij'

Tante Bet:                    			'Gods wegen zijn ondoorgrondelijk'

Moeder:                       			'De kinderen hebben hem nodig                               
                              			Ik kan hem niet missen'

Tante Bet:                    			'God wil hem hebben'

Moeder:                       			'God is een egoist'



Simon(verteller):
                              			' 's Avonds op mijn zolderkamer hoorde ik                                                    
               				moeder en Trix huilen. Zacht en onderdrukt. Ik  
               				besefte dat er verschrikkelijke dingen zouden
                              			gaan gebeuren maar ik doorgrondde ze niet. De
                              			dood, die nog steeds niet bij naam genoemd
                              			werd, was voor mij eerder een spannende reis
                              			naar het onbekende, dan het ultieme einde. 
                              			Ik zat naast zijn bed. Hij was al bijna te zwak
                              			voor woorden. Hij vroeg me voor te lezen uit
                              			Jacqueline van der Waals.  

Simon:                        			'Ik keek in de gouden heerlijkheid 
                              			Van een najaarslaan,
                              			Het was of ik gouden deuren wijd 
                              			Zag openstaan
                              			Het werd mij, toen ik binnen ging
                              			Of ik door gouden gewelven liep
                              			Ik aarzelde even, ik ademde diep
                              			Diep van verwondering....

Vader:                        			'Simon'

Simon:                        			'Papa'

Vader:                        			'Weet je nog...toen...die windhoos'

Simon:                        			'We waren allebei bang he'

Vader:                        			'Ja...'

Simon:                        			'Bent u nu weer bang?'

Vader:                        			'Nu niet meer..'

Simon:                        			'Omdat u een engel wordt....

Vader:                        			'Misschien....lees maaar..

Simon:                        			'Ik zag aan het einde van mijn pad
                              			een kleine ronde poort,
                              			als blauw saffier in goud gevat
                              			en haastig vol verlangen trad
                              			ik door de gangen voort
                              			Ik dacht: 'Als bij mijn aankomst wijd
                              			die poorten open staan
                              			in welk een grote heerlijkheid
                              			zal ik dan binnengaan
                              			Indien van goud de gangen zijn...
(stem tempert en verdwijnt langzaam)

Simon(verteller):
                              			'Op het laatst deden geluiden 
                              			hem zoveel pijn, dat de straat voor het huis 
                              			werd afgesloten voor verkeer. In een nacht 
                              			ontwaakte ik door gehuil van tomeloos verdriet'

28. INT. OCHTEND HUISKAMER
                                                  - aan het sterfbed - 
(Simon 's vroeg in de ochtend in de kamer naast het bed van de
overleden vader, rust en stiltes. Simon is alleen en praat met
vader) 


Simon:                        			'Papa...'

Simon:                        			'U bent niet echt dood he...'

Simon:                        			'U kan mij toch zien...
                    
Simon:                        			'Is het fijn om onzichtbaar te zijn...

Simon:                        			'U kunt mij wel zien, ik u niet, gek is 
                              			dat he...

Tante Bet(komt binnen):
                              			'Simon, kom, papa kan je niet meer horen'

Simon:                        			'Hij hoort me wel'

Tante Bet:                    			'Jongen, je vader is nu in de hemel'

Simon(boos):                    			'De hemel is hiér, papa is hier'


Simon(verteller):
                             			'Ik zag de wanhoop van mijn moeder en ik hoorde
                              			het huilen van Trix. Maar zelf voelde ik eerder
                              			nieuwsgierigheid dan verdriet. Ik was dertien
                              			en reageerde dwars en obstinaat op het mede-
                              			lijden dat de omgeving toonde'

29.INT. DAG HUISKAMER
                                                  - voor de begrafenis - 

(luiden van de klok, gedempt praten van bezoek)

Tante Bet:                    			'Simon, weet je het echt zeker'

Simon:                        			'Ik ga niet mee'

Tante Bet:                    			'Ik wil niet dat je later spijt hebt'

Simon:                        			'Ik krijg nooit spijt'

Tante Bet:                    			'De begrafenis is het laatste wat je voor je    
               				vader kan doen'

Simon:                        			'Hij is niet dood, hij blijft hier'

Moeder:                       			'Laat hem maar, het is nog zo'n kind.
                              			Hij beseft het nog niet

(rumoer van schuifelende mensen, klokgelui sterft weg)


                    -  Wanhoop en dreiging - 
Simon(verteller):
                              			'Eerst waren er nog de fantasie en het mede-                                                 
               				leven. Later kwamen de gevoelens van                                                                        
               				onrechtvaardigheid, dreiging en verongelijkt-
                              			heid. Mijn vader was echt dood, hij had mij
                              			écht verlaten.
                    
30 INT. DAG SLAAPKAMER SIMON
                                                  - Karel is terug - 

(Radiogeluiden over oorlog in Korea, ongeveer augustus 1952 
eventueel mixen met herdenking Nederlandse slachtoffers 19/3-
/51) 

Beliam: (komt hijgend binnen):
                              			'Karel is terug uit Korea'

Simon(bitter):                			'Dat heeft hij geluk gehad'

Beliam(lachend):
                              			'Karel zegt, onkruid vergaat nooit'

Simon:                        			'Je vader zal wel blij zijn'

Beliam:                       			'Hij heeft een onderscheiding van de 
                              			Amerikanen gekregen'

Simon(mompelt zacht):
                              			'Oorlogsmisdadiger wordt held'

Beliam:                       			'Wat zeg je...?'

Simon:                        			'Nee, ik lees iets in Trouw'

Beliam(samenzweerderig)
                              			'Hij wil terug voor die Koreaanse meiden,
                              			ze doen alles voor een dollar'


(Simon zet radio aan, stem radionieuwslezer(zoals eerder):

                              			'is in gevaar komen, zo heeft de minister-                                                   
               				president gezegd.
                              			Korea.In Korea hebben gisteren de Amerikaanse                                                 
               				strijdmachten de stad Pjongjang gebombardeerd.
                              			De bevolking werd een kwartier eerder met
                              			pamfletten van het bombardement op de hoogte
                              			gesteld. Een piloot verklaarde achteraf dat
                              			hij nooit eerder zulke zwarte rook had gezien
                              			Er werd naar schatting tienduizend liter napalm
                              			op de stad uitgegooid'
                              			Washington. In de Amerikaanse stad Washington 
                              			heeft een klein aantal mensen gedemonstcreerd                                               
               				voor het Witte Huis tegen de oorlog in....

Beliam:                       			'Karel zegt dat de Koreanen heel blij zijn
                              			met onze steun tegen het communisme'

Sim:                          			'Zal wel'
                              
(Radiogeluid wordt uitgedraaid)

Beliam:                       			'Zullen we bramen gaan plukken. Klaasje
                              			en Nellie gaan ook mee'

Simon(verrast):			'Gaat Klaasje mee? 

Beliam:                       			'Ik weet aan de Haasdijk, bij het aardappelland
                              			een heleboel bramen'

31.INT. DAG TRAP
                                                  - Toffees niet nodig - 
(beiden lopen de trap af)

Simon:                        			'Wacht'

Beliam:                       			'Wat doe je?'

Simon:                        			'Toffee's

Beliam:                       			'Dat hoeft niet'

Simon:                        			'Jawel'

Beliam:                       			'Klaasje heeft gezegd dat ze nu wel wil'

Simon:                        			'Waarom nu wel?'

Beliam:                       			'Om je vader denk ik'

Simon:                        			'Stomme meid'

Beliam:                       			'Kom nou'

32.EXT. DAG POLDER
                                                            - Bramen plukken - 
(buiten in de polder, helder najaarsdag, Simon en Beliam komen
van ver aan fietsen, fietsen worden neergezet tegen hek)

Nellie:                       			'Mooie grote, daar aan de slootkant'

Klaasje:                      			'Ga jij maar'

Nellie:                       			'Kom nou, ze zijn heel zoet'

Klaasje:                      			'Ik wil geen schrammen op mijn benen'

Nellie:                       			'Waarom heb je dan ook geen broek aangetrok-
                              			ken?'

Beliam:                       			'Wat hoor ik, heb jij geen broek aan.

Klaasje:                      			'Viezerik'

Simon:                        			'Zal ik ze voor je plukken?'

Klaasje:                      			'Ik wil geen bramen'

Simon:                        			'Waarom niet'

Klaasje:                      			'Ik mag ze niet eten van vader'

Simon:                        			'Wat kan er nou mis zijn met bramen'

Klaasje:                      			'Er kan op gespoten zijn'

Beliam:                       			'Hoe weet je vader?'

Klaasje:                      			'Omdat hij het zelf verkoopt'

Simon:                        			'Als het goed is voor de aardappels, kan
                              			het toch niet slecht zijn voor bramen'

Klaasje:                      			'Mijn vader zegt dat het gevaarlijk is'

Simon(geschrokken):
                              			'Waar is Nellie'

Klaasje:                      			'Net was ze er nog'

Simon:                        			'Ze zal toch niet...'

Beliam(roept):                			'Nellie, Nellie'

Simon(verteller):
                              			'Niemand kende in die jaren de gevaren van DDT
                              			en pas ontdekte andere bestrijdingsmiddelen.
                              			Er heerste een euforisch geloof over de toe-
                              			komst, waarin zelfs ziekten op het veld zouden
                              			zijn uitgebannen. Lichtzinnig werden bussen met
                              			wit poeder en gele vloeistoffen op het gewas
                              			gedumpt. Als een loonspuiter ziek of onwel werd
                              			werd hem geadviseerd veel melk te drinken'

Simon:                        			'Nellie, Nellie'
 
Klaasje:                      			'Ze zit gewoon in de slootkant'

Simon(geschrokken):
                              			'Daar ligt ze'

Beliam:                       			'Wat is er met haar'

Simon:                        			'Ze beweegt niet'

(geren door struiken en over grond)

Simon:                        			'Nellie!'

Beliam:                       			'Ik geloof dat ze bewusteloos is'

Klaasje:                      			'Ze stelt zich alleen maar aan'

Simon:                        			'We moeten de dokter halen'

(boos tegen Klaasje):
                              			'Waarom verkoopt je vader die rotzooi'

Simon(verteller):
                              			'Nellie bleef enkele uren bewusteloos - volgens
                              			de dokter was ze in coma. Ze kreeg injecties en
                              			ging tenslotte braken. Nog jaren daarna rustte                                                 
               				een taboe op het zoeken naar bramen aan de rand
                              			van een aardappelveld'  

33.INT. DAG SLAAPKAMER

(Radio, stem polygoonjournaal)
                              			'Op de Eniwetok-eilanden in de Stille Oceaan
                              			hebben de Amerikanen gisteren hun eerste 
                              			waterstofbom tot ontploffing gebracht. Volgens 
                              			deskundigen is de proef, onder codenaam 'Mike', 
               				een groot succes geworden. De waterstofbom, ook
                              			wel een superbom genoemd, is vele honderden                                               
                              			malen sterker als de atoombom die Hiroshima
                              			heeft verwoest en een eind maakte aan de tweede
                              			wereldoorlog. Woordvoerders van het Pentagon
                              			hebben gezegd dat het bezit van tien water-
                              			stofbommen voldoende is om de wereld te contro-
                              			leren en te verdedigen tegen het communistische
                              			gevaar.
                              			In de Verenigde Staten is onder tegenstanders
                              			van de proeven grote beroering ontstaan....

(voetstappen op trap, deur gaat open)

Moeder:                       			'Simon, kom nou eens jongen'

(op de achtergrond klinkt zacht radio, die door moeder wordt
uitgedraaid)
Moeder:                       			'We hebben allemaal verdriet...

(zwijgen van Simon)

Moeder:                       			'Je moet je niet zo afzonderen...

Simom:                        			'Waarom niet'

Moeder:                       			'...we hebben elkaar nodig...

Moeder:                       			'...nu papa er niet meer is ben jij 
                              			meer nodig dan ooit'

Moeder:                       			'Kom nou, je moet niet naar al die 
                              			narigheid luisteren'

(deur gaat dicht, radio weer aan)

                              			'...na de proef met de waterstofbom is één
                              			van de eilanden volledig verdwenen.
                              			De kernfysicus Robert Oppenheimer, die de 
                              			vader van de atoombom wordt genoemd, heeft
                              			gezegd dat de nieuwe bom de mens in staat stelt
                              			de hele mensheid te vernietigen. Hij citeerde   
               				daarbij het lied van de Hindoes. 'Ik ben de     
               				dood die alles rooft, die de werelden
                              			aan het wankelen brengt.' 
                              			Oppenheimer vertelde over de 
                              			lichtflits die hij zag na de eerste 
                              			atoomexplosie: een helwitte vuurbal
                              			die aanzwol en de hemel en bergen scheen te
                              			bedelven....'

Simon(mompelt):			'De aarde en de elementen zullen branden...
                              			alles zal door vuur vergaan...'

Moeder(vanaf beneden)
                              			'Je maakt jezelf ongelukkig, Simon.
                              			Hou op en kom beneden'

Simon:                        			'Wat kan ik dan nog doen?'

Moeder:                       			'Boodschappen rondbrengen. Er is heel veel te
                              			doen'

34.INT.AVOND AUTO
                                                  - Na de dood -
(geluid van rijdende kleine bestelauto)

Simon(verteller):
                              			'Mijn moeder verlangde dat ik mijn vader zou
                              			vervangen. Zelf trok ik me, in de weken na 
                              			zijn overlijden, het liefst terug op m'n                                                     
               				kamer. De enige afleiding gaf me het 
                              			rijden in de bestelauto. Als het bijna donker
                              			werd reed ik door de polder en bracht bestel-
                              			lingen rond. Als ik Molenaar tegenkwam, de
                              			plaatselijke agent, draaide hij z'n hoofd om.
                              			De wet gold niet voor ons, die al genoeg waren
                              			aangedaan.
                              			Op een avond reed ik over het kerkplein en zag                                                
                              			in het licht van de koplampen de vrouw van de 
                              			groentenboer.(autogeluid verdwijnt) Psalmzin-
                              			gend liep ze rondjes rondom de kerk. 
(geluid van vrouw die psalm 32 zingt):
                              			'Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven. Die
                              			van de straf voor eeuwig is ontheven.
                              			Wiens wanbedrijf waardoor hij was bevlekt
                              			Voor 't heilig oog des Heeren is bedekt
                              			Welzalig is de mens wien 't mag gebeuren
                              			Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren
(stem verdwijnt langzaam)
 
35.INT. DAG HUISKAMER                             
                                                            - Gek geworden - 
Tante Bet:                    			'Verschrikkelijk'

Moeder:                       			'Zo'n aardige vrouw'

Tante Bet:                    			'God straft'

Moeder:                       			'Maar wel de verkeerde'

Trix:                         			'Ze is gek geworden. Iedereen op het 
                              			dorp heeft het erover'

Moeder:                       			'Gek, gek...?

(geluid van motor kleine bestelwagen voor de deur, Simon komt
binnen)                       

Moeder:                       			'Je moet niet overmoedig worden'

Simon:                        			'Ik kwam Molenaar tegen'

Moeder(schrikt):
                              			'Zie je wel....nu heb je een bon'

Simon:                        			'Hij draaide z'n hoofd om'

Moeder(opgelucht):
                              			'Hij mag ons...

Trix:                         			'...maar als het die ander was geweest
                              			hadden we een bekeuring gehad'

Moeder:                       			'Bemoei jij er nou niet mee'

(winkelbel gaat, Trix praat in winkel met ouderling De Winter,
Trix komt huiskamer binnen)

Simon:                        			'Ik kan toch niet met drie dozen
                              			op de fiets...

Moeder:                       			'Dan rijd je maar drie keer'

Moeder:                       			'Nu nog klanten?'

Trix(zacht):                  			'De Winter, mama...

Moeder:                       			'Wat wil hij...?

Trix:                         			'Hij wil u even alleen spreken'

Moeder:                       			'Mij, wat wil die man. Hier, pak m'n schort'

(kamt haar, geritsel van kleren, verlaat huiskamer, in de
winkel zachte stemmen van moeder en De Winter:)

Moeder:                       			'Dag De Winter, u wilt me spreken

De Winter:                    			'Ja zuster, u eh, u weet toch van de 
                              			eh..schuld die uw helaas zo jong overleden
                              			man bij mij had'

Moeder(kalm):                 			'Wij hadden geen geheimen voor elkaar, De                                                    
               				Winter'
                              
De Winter:                    			'Natuuurlijk zuster, iedereen wist hoe
                              			dicht u bij elkaar stond.Ik ben helaas
                              			genoodzaakt - u weet misschien dat ik aan
                              			het uitbreiden ben, dat vergt allemaal
                              			veel, veel geld - ik ben helaas daardoor
                              			verplicht die lening op te zeggen. Ik wil
                              			u natuurlijk wel enig respijt geven maar
                              			laten we zeggen aan het eind van het jaar
                              			wil ik toch wel de beschikking krijgen over 
                              			het geld....'

(na 'ik ben helaas genoodzaakt' gaan stemmen nog meer verva-
gen, inmiddels in de huiskamer)

Simon:                        			'Moet je weer stiekem luisteren...'

Trix:                         			'Stil...ik wil het weten'

Simon(zacht):                 			'Waar gaat het over'

Trix:                         			'...over geld.....'

Tante Bet:                    			'Trix ga bij die deur vandaan'                                        

(De deur van de winkel naar buiten slaat dicht, moeder kmomt
kamer binnen, ze huilt)

Simon:                        			'Wat moest hij'

Trix:                         			'Waarom huilt u'

Tante Bet:                    			'Elisabeth, sterk zijn'

Moeder:                       			'De Winter...

Simon:                        			'Is het om Klaasje?'

Moeder:                       			'De Winter wil dat ik betaal'

Tante Bet:                    			'Dat je betaalt, nu?'

Trix(paniek):                 			'Mam, gaan we nu failliet?'

Simon(cynisch):			'...broeder De Winter...'

Tante Bet:                    			'Stil, dat heeft er niets mee te maken'

Trix:                         			'Is het veel?'

Moeder(beheerst):
                              			'Arie had me al gezegd dat het kon gebeuren.
                              			Ik geloofde hem niet'

Trix:                         			'Hebben we het geld'

Moeder:                       			'Dat is het niet. Maar ik vind het zo erg dat
                              			die man ons niet vertrouwt'

Simon:                        			'Waarom?'

Moeder:                       			'Hij heeft het geld zelf nodig, zegt hij'

Simon:                        			'Zeker om gif te kopen'


Simon(verteller):
                              			'Ik voelde nog de woede over alle 
                              			onrechtvaardigheid. Het hele dorp, de hele 
                              			wereld stonk naar bederf. Niet het goede,                                                    
               				zoals de dominee zei, maar het kwaad dat 
                              			de fabrikant aanrichtte overwon.
                              			De groentenboer ging failliet nadat De Winter
                              			hem niet meer wilde bevoorraden en zijn geld 
                              			terugeiste. De vrouw van de groentenboer
                              			ging tijdens een zware onweersbui als engel 
                              			verkleed door het dorp en kondigde de jongste
                              			dag aan. De man van Saar kon de schande
                              			en de stigmatisering van zijn gezin niet 
                              			langer verdragen, en wierp zich in de zaag-
                              			machine van zijn timmermanswinkel.
                              			Ik zag in de krant verschrikkelijke 
                              			beelden van napalmslachtoffers in Korea. De
                              			eerste keer dat ik televisie keek bij Beliam's 
                              			ouders, steeg op het scherm een paddestoel 
                              			omhoog in de Nevada-woestijn.

(flarden gedragen muziek, Kathleen Ferrier?)

Simon(monologue interieur):
                              			'Was het verdriet over m'n vader? Was het 
                              			omdat ik m'n onschuld verloor? Of had het
                             			te maken met onbestemde gevoelens over nog
                              			meer dreiging? Ineens haatte ik m'n na‹eve 
                              			fantasieën over onzichtbaarheid. De enige 
                              			manier om te verdwijnen was me af te keren
                              			van mensen. En er kwam een dof gevoel over 
                              			me van onverschilligheid en afkeer'   

36.INT.DAG WINKEL
                                        - Storm op komst -
(Radioberichten met stormmeldingen van 2 februari, nieuwsuit-
zendingen na 17.00 hadden hoog watermeldingen)

Simon(verteller):
                              			'Toen naderde, op zaterdagmiddag 2 februari,
                              			uit het noord-noordwesten, met een snelheid
                              			van 180 km per uur, een orkaan'
 
(storm, zwiepende telefoondraden, regen)

(Simon verdwijnt mopperend, Sjaan de vriendin van 
moeder komt binnen)

Sjaan:                        			'Meid wat een wind'

Moeder:                       			'Ik moet steeds aan die laatste keer denken'

Sjaan:                        			'Ik zei het vanmiddag nog tegen Gerrit'

Moeder(met tranen):
                              			'Arie wist het toen al dat we de laatste 
                              			keer bij jullie waren'

Sjaan:                        			'Gaat het met je?'

Moeder:                       			'Het is niet gemakkelijk Sjaan'

Sjaan:                        			'Je moet gauw komen. 

Moeder:                       			'Volgende week, ik beloof het'

(Simon komt winkel binnen)

Moeder:                       			'Is alles nu weg?'

Simon:                        			'Alleen nog naar Huis en Hof'

Moeder:                       			'Ik ben blij dat het erop zit'

Simon:                        			'Ik kom er niet tegenop. Zal ik even
                              			met de auto gaan'

Moeder:                       			'Je gaat met de fiets'

(Simon verdwijnt mopperend)

Sjaan:                        			'Het lijkt wel of het
                              			steeds harder gaat waaien'

Moeder:                       			'Pas maar op, het is al bijna donker'

Sjaan:                        			'Ik heb voor de wind'

(deur winkel slaat dicht)

37.EXT.AVOND POLDERWEG
                                        - Op de fiets; ratten - 
(Simon, buiten lopend naast zijn fiets, storm raast om hem
heen)

Simon(hijgend):			'...en dat voor een pak koffie en een pond
                              			suiker....

Sjaan(passeert op fiets, roept in voorbijgaan):
                              			'Simon! Jullie komen volgende week' 

Simon(roept):                 			'Hoe is het met Nellie?'

Sjaan(half verstaanbaar):
                              			'Ze wacht al.........je'

Simon(in zichzelf):
                              			'Ze is in elk geval heel wat aardiger
                              			dan Klaasje met die rot vader....

(passerende man):
                              			'Jongen oppassen, d'r ligt ginds een telefoon-
                              			paal om'

Simon(in zichzelf):
                              			'Ik zie bijna niks....gedver, ratten...         
               				kkssss...'t lijkt wel een heel nest'

(uit de verte waaien flarden geluiden van luidende klok tege-
moet)

Simon:                        			'Acht uur al...'

38.INT. AVOND KEUKEN
(geluid radio, nieuwsuitzending om half elf op 31 januari.
KNMI meldt dan noordwesterstorm:
                              			'Boven het noordelijk en westelijk deel van de 
                              			Noordzee woedt een zware storm tussen noodwest
                              			en noord.........
(Simon komt thuis)

Moeder(ongerust):                       
                              			'Ik dacht dat je in de sloot was gewaaid'

Simon:                        			'Ik heb alles moeten lopen'

Moeder:                       			'Ik voel me zo gejaagd..., net alsof er weer
                              			iets ergs gaat gebeuren'

Trix:                         			'Erger dan toen kan niet meer'

Simon:                        			'Zo gek.., ik zag allemaal ratten bij de 
                              			dijk'

(geluid radio)                
                              			'Het stormveld breidt zich uit over het zuide-
                              			lijk en oostelijk deel van de Noordzee.Verwacht
                              			mag worden ....'(over deze tekst heen stemmen :
                              
Trix:                         			'Ik denk niet dat ik veel zal slapen
                              			met al die herrie'

Moeder:                       			'De wind gaat vannacht wel liggen'

Radiouitzending weer luid(letterlijke tekst):
                              			'....dat de storm de gehele nacht zal voortdu-
                              			ren. In verband daarmee werden vanmiddag om
                              			half zes de groepen Rotterdam, Willemstad en
                              			Bergen op Zoom gewaarschuwd voor gevaarlijk
                              			hoog water' 
                                        
Simon:                        			'Ik ga morgen uitslapen'

Moeder:                       			'Maar je gaat wel naar de kerk'

(stilte in huis, storm wordt nog steeds sterker, dakpannen
rammelen, deuren en ramen trillen)

39.INT. NACHT SLAAPKAMER SIMON
                                                  - de dijk gebroken - 
Simon(verteller):
                              			'Achteraf was misschien wel het opmerkelijkst
                              			dat ik geen moment bang was. Dat ik niets ver-
                              			moedde. Dat niemand iets vermoedde over wat er
                              			zou kunnen gaan gebeuren. 
                              			Die nacht liep om kwart over vier het water
                              			over de rivierdijk de polder binnen. Een uur 
                              			later brak de zeedijk en was het dorp van 
                              			drie kanten door snel stijgend water omgeven. 
                              			Op het telefoonkantoor probeerden telefonistes                                                
                              			wanhopig contact te krijgen met de buitenwe-
                              			reld. Helaas, zo rapporterde de burgemeester
                              			later, bleken de garnizoenscommando's in
                              			Dordrecht en Rotterdam onbereikbaar. Iedereen
                              			sliep'

(geluid van kleppende kerkklok, geluid dat sterker en zwakker
wordt door wind - storm is nu orkaan)

Moeder:                       			'Simon, Simon'

Simon(onverstaanbaar gemompel)

Moeder:                       			'Opstaan'

(buiten klinken verwarde stemmen, er wordt op ramen gebonsd)

Simon(schrik):                			'De klok klept! Er is brand!

Trix:                         			'Waar?'

(Simon springt bed uit, kleedt zich haastig aan en rent -
gevolgd door moeder en Trix, naar beneden. Deur naar buiten
wordt geopend, klokgelui en storm wordt luider , zwiepende
draden van electriciteits- en telefoondraden)

40 EXT.NACHT STRAAT
                                        - de polder staat blabk - 
Moeder(roept):                			'Wat is er aan de hand?'

Buurman:                      			'De polder is ondergelopen'

(geluid van gutsend water door de goot voor het huis)

Simon:                        			'De goot loopt over, zie je wel: ratten'

Moeder:                       			'Komt het hier?'

Buurman:                      			'Ik zou de kelder maar leeghalen'

Moeder:                       			'Simon, zet in elk geval de margarine
                              			op zolder'

41.INT. NACHT TRAP/KELDER/ZOLDER
                                                  - Margarine - 
(Simon en Trix gaan keldertrap af en brengen dozen
via trap naar zolder)

Simon:                        			'Acht dozen, nog meer?'

Moeder:                       			'Laat de rest maar staan, zo hoog komt 
                              			het niet'

Simon(verteller):
                              			'Het gebeurde wel eens dat bij een zware on-
                              			weersbui de kelder onderliep of een gedeelte 
                              			van de schuur onder water kwam te staan. Zo, 
                              			dachten we, zou het nu weer gaan. Niemand 
                              			besefte toen nog de ernst van de situatie.
                              			Misschien dat het water over de dijken zou
                              			kunnen stromen. Maar dat de dijken konden 
                              			breken kon niemand geloven'  
                              
(buiten, zware stem van ouderling/wethouder Bongers)
klok blijft kleppen, Simon en moeder gaan naar buiten)

42.EXT. NACHT STRAAT

Buurman(roepend):                       
                              			'Is er gevaar?'

Wethouder:                    			'De dijken lopen over. De polder staat vol. 
                              			Iedereen moet naar het dorp'

Simon(verteller):
                              			'Ineens doemde hij op uit het duister van het
                              			plein. Een vierkante, kaarsrechte man in hoge 
                              			laarzen met een stormlamp. Het was wethouder
                              			Bongers. Voor het eerst voelde ik sympathie
                              			voor hem. Streng, maar rechtvaardig en nu                                          
               				bewust van zijn verantwoordelijkheid. Hij riep,
                              			bonsde op deuren en ramen, gooide stenen op de 
                              			daken en schudde het dorp wakker. Ik wist dat
                              			er iets ergs zou gebeuren maar voelde me 
                              			tegelijk wonderlijk gerust' 

Moeder:                       			'Wij ook?'

Wethouder:                    			'Iedereen zeg ik'

Buurman:                      			'Wat kan ik doen?'

Wethouder:                    			'Ga naar de molen voor het dijkleger'

Buurman:                      			'Is het verlaat al dicht?'

Wethouder:                    			'Het komt er overheen. Er is een gat in de 
                              			zeedijk. De toestand is kritiek'
Trix(huilend):
                              			'We verdrinken...'

Simon(in zichzelf):
                              			...gewassen van alle bederf...

(geluid van zware man in laarzen, wadend door enkele centime-
ters water over de straat, dat verdwijnt. Zijn stem wordt
enkele tientallen meters verder met dezezlfde boodschap weer
gehoord)

(geluid van vallende dakpannen)

Moeder:                       			'Wat zullen we doen'

Buurman:                      			'Direct vertrekken. Ik ga naar de molen'

Wethouder(vanuit de verte):
                              			'Het water komt. Iedereen naar het dorp....

Simon(verteller):
                              			'Als een schim verdween hij in de duisternis.
                              			Het was de laatste keer dat ik hem zag. 
                              			Zeshonderd meter verder zette hij de sirene 
                         			van de vlasfabriek in werking. Pas toen keerde
                              			hij zich om en ging, met de wind in de rug en
                              			wadend over het water op de Dwarsweg, in draf
                              			naar huis om zijn vrouw
                              			en negen kinderen in veiligheid te brengen'

(geluiden als eerder, verwarde stemmen)

Trix(in paniek):
                              			'We verdrinken...'

Moeder:                       			'Het kistje met de papieren, de portefeuil-
                              			le....'

Simon:                        			'...heel de straat staat al blank...                                                      
                              
(Simon rent huis in en uit)

Moeder(huilend):
                              			'Was Arie er nu nog maar...

Simon:                        			'In de auto...

Trix:                         			'Dat mag niet..'

Moeder(beslist):
                              			'Simon rijdt'

(schuurdeur die knarsend wordt opengetrokken)

Moeder:                       			'Wat doe je nou?

Simon(hijgend en sjouwend):
                              			'...drie kisten eieren, ik neem ze mee...

Moeder(boos):                 			'..laat dat..., schiet op...

(geluid van kolkend water, deur auto wordt dichtgeslagen, nog
een deur, auto start, wegrijdende auto)

43.INT. OCHTEND AUTO
                                        - In de auto - 
Trix(paniek):                 			'Hij rijdt ons dood...

Moeder:                       			'Hou je mond...'

(auto moeizaam door water, klok is opgehouden met kleppen,
wind is iets minder geworden)

Simon(gespannen):                       
                              			'...ik zie niemand meer...'

Moeder:                       			'... pas op, koeien...'

Trix:                         			'...we halen het niet...

Simon(verteller):                       
                              			'Ik kende op dat moment zelfs geen verbazing.
                              			Het leek alsof het water er altijd was geweest.
                              			Als in een droom laveerde ik tussen de koeien,
                              			die waren losgesneden uit de stal. Ik ontweek 
                              			een mesthoop die was gaan drijven, een spekton
                              			rolde bonkend tegen de auto aan. In de verte,
                              			in de schemer van de ochtend zwaaide een man
                              			die tot in middel in het water stond, dat ik
                              			terug moest'

Moeder(luid) :                			'...ginds staat de dokter...'

Trix:                         			'... naast z'n auto, hij zwaait...

Simon:                        			'...we moeten terug, het is daar te diep'

(auto die in achteruit wordt gezet en draait)

Simon(verteller):
                              			'Ongeveer op dat moment brak het water uit
                              			zeven gaten in de zeedijk. Vanuit de 
                              			de verte naderde een anderhalve meter hoge                                                
                              			muur van water die mensen meesleurde, huizen 
                              			verwoeste, en het land bedolf. Ik hoorde 
                              			een ruisend geluid dat overging in geraas.
                              			Ik beleefde het als in een droom. Alsof het
                              			ging om een machtig slottoneel aan het eind van
                              			een periode van rampspoed en bederf. Alsof
                              			alle vuilheid werd weggewassen'                                                 
                              
(bruisend geluid, motor slaat af, Trix die biddend achter 
in auto zit)

Trix(bibberend):
                              			'Here, here, here, help alstublieft, help
                              
Simon:                        			...o god....

(startend geluid, motor slaat weer aan)

Moeder(roept):                			'Wat doe je nou?'

Simon:                        			'Ik neem het lange slob, daar is het hoger'

(gegier van motor die op hoge toeren draait)

Trix:                         			'We halen het niet'

Moeder:                       			'Doorgaan, doorgaan..., heer help ons'

Simon:                        			'Hou vol....motor, hou vol...

Simon(verteller):
                              			'We waren de laatste die de kom van het dorp 
                              			bereikten. Verdwaasd zitten we uren lang                                                     
               				zwijgend in de auto. Rondom ons huilende mensen
                              			ontreddering en angstige spanning.  De eerste   
               				dode koeien spoelden aan met 
                              			vreemd opgezwollen buiken. Pas veel later                                                    
               				zouden we horen hoe - op het moment dat wij met
                              			achter ons de oprijzende muur van water het
                              			dorp bereikten - de wethouder met zijn 
                              			vrouw en zes kinderen in een gat van de dijk
                              			liepen en verdronken. Hoe mensen op hun vlucht
                              			en in slaap werden verrast en omkwamen. We 
                              			stonden pal tegenover het huis van fabrikant
                              			De Winter. Moe, hongerig, verslagen'


(zittend in de auto, rondom het geluid van loeiende koeien en 
heen en weer lopende mensen)

Man(1):                       			'...wie heeft mijn vrouw gezien, wie heeft...                                             

Man(2):                       			'...ik werd opgetild en meegesleurd....

Vrouw(1)                      			'...Bongers zei dat we naar het dorp moesten,
                              			hij heeft ons gered...

Vrouw(2)                      			'...we zijn gestraft, dit is een straf...

Man(1)                        			'...alles is weg, alles is weg...

Man(2)                        			'...ik kon me vastklampen aan een balk en
                              			toen ...

Vrouw(2)                      			'...het is een zondvloed, een zondvloed...                                                 
                    
Moeder:                       			'Alles kwijt...'

Simon(pijnlijk getroffen:                                             
                              			'...kijk, broeder De Winter....

Moeder:                       			'...nu begrijp ik waarom Arie zo vroeg
                              			heen moest gaan....


Trix:                         			'...kijk niet zo, laat die mensen..'

Moeder:                       			'...dit is hem allemaal bespaard gebleven...'

Simon(kwaad):                 			'...Alles gaat daar gewoon door...'

Trix:                         			'...laat ze....

Simon(smalend):
                              			'..broeder de Winter, zelfs de servetten
                              			liggen op tafel...

Moeder:                       			'..Hoe zou het met Sjaan en Gerrit zijn?'

Trix:                         			'...en met Klaasje en Gert...'

Simon:                        			'Nu gaat hij ook nog uit de bijbel lezen'

Simon(mompelend):
                              			'De ratten overleven alles'

(deur auto gaat open en dicht)

44 EXT.DAG ROEIBOOT
Simon(verteller):
                              			Ik herinner me hoe ik die middag met Beliam
                              			over een stuk dijk liep naar de molen, die 
                              			gespaard was gebleven. Overal rondom ons was
                              			water. Mensen zwaaiden vanaf zolders en daken                                               
                              			van ondergelopen huizen met lakens. Tegen de 
                              			dijk lag wrakhout en honderden lijken van 
                              			paarden en koeien. En met een schok herkende 
                              ik de restanten van de barak waarin Gerrit,
                              Sjaan, Gert en Klaasje hadden gewoond'

(geluid van een roeiboot, roeispanen die traag in water gaan,-
stil en vredig -)

Simon:                        'Het lijkt wel of alles veranderd is'

Beliam:                       'Dat komt door al die troep en modder'

Simon:                        'Dat bedoel ik niet'

Beliam:                       'Alles is kaal'

Simon:                        'Je begrijpt me niet'

Beliam:                       'Wat niet?'

Simon:                        'Het is net alsof ik dit voor het eerst zie'

Beliam:                       'Dat komt omdat je een tijd geëvacueerd bent
                              geweest'

Simon(ongeduldig):
                              'Nee, 't is anders, alsof ik alles nu met 
                              andere ogen zie'
(stilte)

Simon:                        'Het is al drie maanden geleden'

Beliam:                       'Het duurt nog jaren voor alles 
                              opgeruimd is'

Simon(verteller):
                              'Pas weken later werden hun lichamen gevonden.
                              Sjaan had nog haastig een wintermantel 
                              aangetrokken. Gerrit en de kinderen waren in 
                              pyama's. De watervloed moet hun houten huis
                              hebben opgetild en neergesmeten.   
                              
(klokgelui, roeien)

Simon:                        '...alsof alles sterker is geworden,dieper..'

Beliam:                       'Er ligt hier van alles'                          
(stilte)

Beliam:                       'Wat een rotzooi'

Simon(verteller):
                              'De verbondenheid en harmonie op het dorp
                              duurden maar even. Er ontstonden conflicten 
                              over de verdeling van geschonken goederen.
                              De taxateurs van het rampenfonds kwamen 
                              tientallen keren opgaven tegen van 
                              dezelfde verloren bromfiets en dezelfde
                              naaimachine. Cynici hadden een nieuw gebed
                              bedacht: 'O here geef ons heden ons 
                              daaglijks brood en ieder jaar een waters-
                              nood. 
                              

Beliam:                  '..en die stank...

Simon:                        '...Wat is dat....?

Beliam:                       '...waar...'

Simon:                        ' ginds tussen die spruiten'

Beliam:                       '...een pop, een grote pop...

(boot stoot tegen de oever)

Simon:                        'Ik ga kijken, wacht...'

(geluid van rennen)

Beliam:                       'Wat is het...?'

Simon:                        '....Ooh....'

Beliam:                       '...zeg het nou...'

Simon(komt terug, huilt) 

Beliam:                       '...is het....?'

Simon:                        'het is geen pop, het is een kind'

Simon(verteller):
                              'Het was het jongste kind van de wethouder.
                              Ik sprong in de boot en roeide in een waas van
                              tranen naar de brug, waarover de weg naar
                              het dorp ging. Roepend, schreeuwend. En plot-
                              seling was daar Molenaar, de agent die me nooit
                              had willen bekeuren. Hij ging op de plaats                                                
                              zitten waar Beliam had gezeten en ik roeide hem
                              naar de plaats waar het lijkje lag. Toen we 
                              terug gingen stond hij achter mij en hield me 
                              vast. En ik herinner me wat hij zei toen hij 
                              op de wal stapte. Hij zei, jongen je hebt te 
                              veel gezien om nog een kind te zijn.

(klokgelui)